maandag 9 februari 2015

Fietstocht van Stad naar Westerkwartier, deel 1/2

Op een zonnige dag in januari besloot ik de fiets te pakken en richting Dorkwerd, Aduard, Den Ham en Fransum te gaan. Het waaide hard maar dat maakte niet uit, want het werd een prachtige tocht. Ik heb de beschrijving ervan opgedeeld in tweeën. Deze keer het eerste gedeelte: Dorkwerd – Steentil – Aduard.

Die ochtend had ik eigenlijk op het weerbericht moeten letten, maar toen ik wakker werd en enkel een stralende blauwe lucht vanuit mijn slaapkamerraam zag, vergat ik dat spontaan. Enthousiast pakte ik de kaart erbij en speurde naar een fietsroute over het Groningse platteland. Ik zocht iets waar ik vanuit de stad heen zou kunnen, en nog niet geweest was. Mijn oog viel op de omgeving Den Ham, net ten noorden van Aduard. Snel pakte ik mijn rugzakje in en ging ervandoor.

Na ongeveer vijf kilometer begon ik me al af te vragen of het wel zo’n goed idee was om nou juist vandaag te gaan fietsen. Hoewel de lucht een heldere kleur blauw had en de lage winterzon fabelachtig over de landerijen scheen, was het koud en waaide het hard. Heel hard. Tip: ga met windkracht zes nooit vol tegen de wind in fietsen, zeker niet door de weilanden van het Noord-Groningse platteland. Maar, dacht ik, het is begin januari en ik wil mijn nieuwe jaar goed starten, dus doorfietsen! De wetenschap dat ik op de terugweg de wind in de rug zou hebben, was gelukkig een geruststellende gedachte.

Ik besloot via de wijk Reitdiephaven de stad te verlaten, de weg die ik ook nam toen ik langs het Reitdiep van Stad naar Zoutkamp ging fietsen. Dat ik nu weer voor deze route koos, had, eerlijkheid gebiedt te zeggen, in eerste instantie niet zozeer te doen met de mooie omgeving, als wel met het feit dat ik na vier jaar Groningen nog altijd verdwaald raak in de stad. Deze route kende ik en zo kon er dus niets mis gaan – dacht ik. Ik verloor iets van mijn zelfverzekerdheid toen ergens de weg opengebroken lag en ik alsnog om moest fietsen. Maar hoezee, op een gegeven moment raakte ik verzeild op het goede pad en liet de stad achter me.

Van Starkenborghkanaal bij Dorkwerd


Dorkwerd

Voor me zag ik Dorkwerd al opdoemen; dit eeuwenoude wierdedorp aan de westelijke oever van het Reitdiep wordt nu bijna opgeslokt door de immer uitbreidende stad. In een artikel uit 1930 staat dat het dorp Dorkwerd zo’n vijfenhalve kilometer buiten de stad ligt. Nu is het niet meer dan een steenworp.
De wierde lag rustig te schitteren in het zonnetje. Een aantal schapen aan de kant van de weg stonden dicht tegen elkaar aan, zodat ze het minst last hadden van de ijzige wind. Ik heb al eens eerder kort over Dorkwerd geschreven, maar het blijft een bijzondere plaats. Het bestaat uit een handjevol huizen, boerderijen en een kerk. In 2008 woonden er 25 mensen. Dat was ooit wel eens anders. In een schoolmeestersrapport uit 1828 noteert dhr. Guikema jr. dat er 117 mensen in Dorkwerd woonden, verspreid over 17 huizen. Ook vermelde hij dat er 254 runderen, 55 paarden, 251 schapen en 31 ‘zwynen’ in Dorkwerd vertoefden.

Dorkwerd

Dorkwerd

De schoolmeesterrapporten zijn een ware schat voor de historicus. In het jaar 1828 stuurde de Commissie van Onderwijs een uitgebreide vragenlijst aan de schoolmeesters van veel Groninger plaatsen. Daarmee wilden ze informatie verzamelen waarmee ze een kaart van de provincie konden samenstellen. De vragenlijst bevatte naast geologische en topografische onderwerpen ook vragen over middelen van bestaan, cultuur, gewoonten en taal. Sommige schoolmeesters stuurden een uitgebreid antwoord op; anderen waren uiterst summier. Schoolmeester Guikema van Dorkwerd had, zoals we hier boven konden lezen, zijn uiterste best gedaan om zo precies mogelijk antwoord te geven.

In 1828 kende Dorkwerd dertien boeren, twee boerenarbeiders, een herbergier (er heeft heel lang een café op de wierde gestaan), twee slagers, een timmerman en dus ook een onderwijzer. Er bestond een leesgezelschap en een zangclub. Dat klinkt als een vrome gemeenschap, maar niets is minder waar. Dhr. Guikema hield alles goed in de gaten in Dorkwerd en constateerde schokkende zaken over de jeugd in het dorp. Die waren namelijk geheel van God los. De welbekende negentiende eeuwse kuisheid was in Dorkwerd ver te zoeken. Het is jammer dat er in die tijd nog geen camera’s en tv’s waren want MTV zou er zeker een ‘Reitdiepshore’ uit hebben kunnen slaan.

Naast al het harde boerenwerk van die tijd waren de Dorkwerders ook wel eens toe aan ontspanning. Die ontspanning werd vaak gevonden in het bezoeken van kermissen, het schaatsen in de winter, en ‘harddraveryen’; een soort stierenrennen maar dan met paarden. Maar het ware feest begon pas als het buiten donkerder werd. Dan voegden de ‘‘ongehuwden van beide seksen’’ zich bij elkaar en barstte het los. Met name na het schaatsen werd er onder de jongeren ‘‘niet weinig bemind’’. Zij vermaakten zich met ‘‘liefkoozingen, scherts, gezang, geschreeuw, met het overvloedig genot van brandewyn, jenever of wyn, en rekken dit vermaak zoo lang als hunne beurs of de tyd het gedoogt, hetwelk wel eens des morgens 3, 4 of 5 uren wordt. […] De beschrevene verrigtingen dragen hier en elders den naam van vryen, welke zy met regt verdienen; want het is geen wonder, zoo een jongman in korten tyd op deze wyze met 10, 20 ja 30 meisjes verkeert.’’ Dat is niet mis, zelfs voor een man vandaag de dag is dertig dames in korte tijd een redelijk imposante actie. Dhr. Guikema probeert het gedrag van zijn mede-dorpsbewoners nog enigszins goed te praten door te stellen dat verkering met meerdere meisjes (die hij ongeëmancipeert ‘voorwerpen’ noemt) niet geheel slecht is, ‘‘om in de keuze van eene echtgenoote niet geheel te dwalen’’. Maar, zegt hij, ook al is het een grote zeldzaamheid in Dorkwerd, uit dit gedrag kunnen ook minder wenselijke gevolgen komen. Het is niet moeilijk te raden waarop hij doelt.

Zodra de beste man dan uiteindelijk een keuze had gemaakt voor een ‘voorwerp’ uit Dorkwerd, was er weer een nieuw reden voor een feest: de bruiloft. Ook hier zat ik met verbazing te lezen over het ongeneerde gedrag dat tentoongesteld werd. Na afloop van het feest, ergens midden in de nacht, verzochten de vrouwen alle aanwezige mannen inclusief de bruidegom om het vertrek te verlaten, ‘‘hetwelk dikwyls vele moeite kost’’. Daarna ontkleeden zij de bruid, en brengen haar naar bed. Dan gaan de vrouwen weg en komen de mannen weer binnen en ontkleeden dan de bruidegom, ook ‘‘dikwyls met groote moeite’’ (dat heeft ook vast iets met brandewijn en jenever te maken). Dan  brengen zij hem bij de bruid in bed. Daarna kwamen de vrouwen ook weer binnen, en keek men lacherig naar het uitgekleede koppel dat daar in bed lag. Ik weet niet wat ik me daarbij voor moet stellen maar het lijkt me nou niet de meest romantische huwelijksnacht. Dan verlaten de aanwezigen de slaapkamer met ‘‘kieschheid [kuisheid] beleedigende en eerbaarheid kwetsende gelukwenschingen.’’ Wat hier gezegd werd kunnen we ons enigszins indenken, maar dhr. Guikema vond het te schunnig om te herhalen: ‘‘De hierby plaatshebbende, en de daar uit voortvloeÿende gesprekken wil ik den lezer liever laten raden dan beschryven.’’ Terwijl het paar aan hun huwelijksnacht begon (of dat nu slapen, geld tellen of iets anders was), dronken de gasten nog eens vrolijk een kop koffie en gingen toen -uiteindelijk- ook huiswaarts.

Dhr. Guikema is uniek in het zo gedetailleerd beschrijven van deze gewoonten. Het lijkt nu wel of het in Dorkwerd een ruige boel was, maar laat het duidelijk zijn dat het natuurlijk niet het enige dorp was waar dit soort dingen gebeurde. Dat gebeurde overal – ook in de rest van Groningen, in heel Nederland en zelfs Europa. Er is niets zo onwaar als kuisheid en de onthouding van seksuele driften in de negentiende eeuw. Achter gesloten deuren en in de donkere nacht gebeurden er allerlei dingen die niet mochten. Ook in Engeland, waar kuisheid tijdens de Victoriaanse tijd op z’n hoogtepunt was, waren verboden zaken des te aantrekkelijker. En men wist het ook van elkaar; men wist dat het gebeurde, maar sprak er niet over. Andere schoolmeesterrapporten draven door over hun vrome, nette, zedelijke gemeenschap waar nooit iets liederlijks gebeurde. Dhr. Guikema jr. was zo eerlijk om niet mee te gaan in deze illusie en daarmee is hij één van de weinige schoolmeesters die zo oprecht heeft geantwoord op de vragen van de Commissie.

De school van Dorkwerd heeft nog geen eeuw bestaan, vanwege een tekort aan kinderen. In 1901 werd de school verlaten en moesten de kinderen naar de school aan de Friese Straatweg, in de stad Groningen. Op de laatste dag schreef de toenmalige onderwijzer het volgende op het krijtbord: ‘‘Wij zeggen de oude school vaarwel. ’t Wordt hier nauw zo muffig. Ze voldeed ons vroeger nog zoo wel. Men wordt hier nu zoo duffig.’’

Steentil en Aduard

Ik fiets verder en kom bij een kruising van waterwegen; hier snijden het van Starkenborghkanaal en het Aduarderdiep elkaar. Het ziet er prachtig uit, zo in het laaghangende zonnetje. Ik stop op een hoge brug. Deze brug over het Aduarderdiep heet de Steentil, en behoort tot één van de oudste bruggen van de provincie. Er staan nog enkele huisjes; dit gehucht heet ook Steentil. Een prachtig pand ligt uit te kijken over het water, dit was eerder het schippercafé.

Het Aduarderdiep is uitgegraven in opdracht van de Cisterciënzer monniken van het eens zo machtige klooster in Aduard. Op die manier werd het transport van goederen en personen en de aan- en uitvoer van zoetwater vergemakkelijkt. Deze monniken hebben waarschijnlijk ook de opdracht gegeven om de Steentil te bouwen, om zowel weg- en waterverkeer te reguleren. 

Op de Steentil, kijkend naar de kruising van de twee waterwegen

De invloed van het klooster te Aduard over de omliggende gebieden was erg groot, dat is zowel te merken in de geschiedenisverhalen als in het landschap. Zelfs heden ten dage nog: naast het Aduarderdiep en de Steentil is dit ook te zien in de vorm van dijken en boerderijen.

Ten tijde van de vestiging van het klooster, in 1192, waren er namelijk nog geen dijken in de Ommelanden. Zodoende werd het gebied telkens overstroomd. Het klooster heeft zich eeuwenlang ingezet voor bedijking en inpodering. Ook richtten de monniken het Aduarderzijlvest op, het eerste waterschap van de provincie Groningen. De kloostergemeenschap bestond uit ongeveer 100 monniken en meer dan 500 lekenbroeders. Kloosters waren in de Middeleeuwen niet alleen gebedsoorden, maar ook centra van macht, bestuur, wetenschap en handel. Het klooster bezat zo’n 6000 hectare land en vele ‘voorwerken’; dit zijn boerderijen waar producten werden geteeld die bestemd waren voor het klooster. Hiervan zijn nog veel overblijfselen te vinden. 

In Aduard kom ik langs de kerk, een restant van het klooster. Vroeger was dit de ziekenzaal. Zelfs in de stad Groningen is nog een restant van het klooster te vinden, namelijk het ‘refugium’; een soort stadshuis. Maar ik ga nog niet terug naar de stad. Volgende keer het tweede gedeelte van deze tocht.

Volgende keer: Aduard – Den Ham – Fransum – Kerkje Harkema.

Bronnen

Groenendijk, H., H. van der Plicht & H.J. Streurman. ‘‘Steentil, an early stone bridge in the monastic landscape of Groningen, the Netherlands.’’ Journal of Archaeology in the Low Countries 4, no. 1 (oktober 2012). 

Guikema, H., jr. ‘‘Dorkwerd,’’ Schoolmeesterrapporten D-E, Groninger Archieven, http://www.groningerarchieven.nl/bronbewerkingen/schoolmeesterrapporten/d-e/dorkwerd

Historische kring Ubbenga. ‘‘Dorkwerd en Wierum,’’ Kronieken Stad en Ommeland, Nieuwsblad van het Noorden, 1930, via http://www.ubbega.nl/pdf-files/Dorkwerd%20en%20Wierum.pdf

X. ‘‘Klooster,’’ Historische Vereniging Aduard, http://www.aduard-historie.nl/klooster_a.php 

Geen opmerkingen:

Een reactie posten