zondag 26 april 2015

Een gedichtje over Lagemeeden

Vorige maand fietste ik op een grijze ochtend naar het gehucht Lagemeeden, en schreef hierover een gedichtje.





Het is stil en koud
een kille dag in maart
Ik fiets door de buitenwijken van de stad
hopend dat de lucht nog opklaart.

De huizen maken plaats voor weilanden
langs het water grijze fabrieken
Dit is het Hoogkerk van de Suikerunie
grotesk, puffend, lawaaierig, nieuwe technieken.

Ik laat de stad eindelijk achter me
en kom terecht in een gehuchtje langs het Hoendiep
Het heet hier ‘de Poffert’
ik moet er nog om lachen nu ik het typ.

Hier moet ik volgens Google Maps ergens rechtsaf
ik kan het eerst niet eens vinden en dat is geen wonder
Het blijkt een smal en slingerend zandpaadje
in de verte een molen, een treinspoor, het is hier heel bijzonder.

Fiets, fiets, fiets
heelhuids kom ik aan in het streekje Lagemeeden
Het is een doodlopende weggetje met wat boerderijen
maar heeft een rijk verleden.

Hier in the middle of nowhere
heeft 500 jaar lang een kapelletje gestaan
In de veertiende eeuw gebouwd door de Aduarder monniken
na de reformatie gebruikt als kerk, maar uiteindelijk verloren gegaan.

Het was een krachtig plekje
want hier vereerde men een relikwie van st. Margiet
Geschonken door de stichter van de kapel, abt Fredericus
helaas overleefde de relikwie de reformatie niet.

In de negentiende eeuw moest de kerk wegens bouwvalligheid worden gesloopt
maar de inwoners gingen goed bezig
Een kilometer verderop werd ’ie weer opgebouwd
in Den Horn waren namelijk meer kerkgangers aanwezig.

Niet alles werd met de grond gelijk gemaakt
het oude kerkhof bleef gespaard
Die ligt nu eenzaam op een wierde tussen hoge bomen
verlaten en vergeten, maar gelukkig wel bewaard.

Het ijzeren hekje piept als ik ’m open duw
en langzaam loop ik langs de grafstenen
Oud, verweerd, begroeid, onleesbaar en omgevallen
maar niet verdwenen.

Kinderen, ouders, grootouders, geliefden,
iedereen heeft een plek
En kan in de verte naar de groene velden kijken
aan uitzicht is hier geen gebrek.

Voorjaarsbloemetjes beginnen te bloeien
krokusjes tegen het grijze steen en het groene mos
Ik loop een rondje en stap weer op mijn fiets
op de terugweg blijf ik aan Lagemeeden denken, het laat me niet meer los.



donderdag 23 april 2015

Re-post: 'Inwoner Wittewierum kwam om bij ramp Titanic'

Afgelopen week stond er een artikel van mijn hand in de Eemslander, een huis-aan-huisblad in de regio Appingedam/Delfzijl. Het betreft een aangepaste versie van een in november 2014 geschreven blogpost over Hendrik Bolhuis, een Groninger aan boord van de Titanic. Lees het volledige artikel terug op mijn blog onder 'Fietstochten door de Ommelanden' of lees de krant-versie hieronder. 


Atlantische Oceaan, voorjaar 1912
Hij keek omhoog. De inktzwarte hemel was bezaaid met glinsterende sterren en had een heldere maan. Het zijn dezelfde sterren als die waar hij als klein jongentje naar staarde, toen hij nog in Wittewierum woonde. Zittend in het weiland, achter de boerderij, kon hij urenlang dromerig naar de lucht kijken. Wat was de wereld toch een mysterie. Nu, jaren later, hield hij zich krampachtig vast aan een stuk hout, ergens in het midden van de Atlantische Oceaan. Hij wist dat hij nooit meer naar Groningen terug zou keren. Het laatste gedeelte van het schip ging onder in het ijskoude, onvergefelijke water en hij wist dat hij ieder moment zou volgen. Een vreemd gevoel van rust overviel hem. De sterren en de maan zijn hetzelfde als die in Wittewierum.

Ambitieus was Hendrik Bolhuis altijd geweest. Hij wist al vroeg dat hij andere dingen wilde dan de gemiddelde jongeman uit Wittewierum. Als hij zijn toekomst voorstelde zag hij geen landarbeider, geen echtgenoot, geen vader. Een wereldreiziger, dat zag hij. Hij droomde over verre landen en grote steden. Maar hij was ook een realist: hij zou hard moeten werken om daar te komen. Hendrik werd geboren op tweede kerstdag 1884, in Wittewierum, een klein plaatsje in het noorden van Groningen. Daar hadden zijn ouders een boerenbedrijf. Een aantal jaar later besloten zij het roer om te gooien en verhuisden naar de stad Groningen. In 1900 woonde de familie in de Steentilstraat, waar zij een kruidenierszaak en slijterij begonnen. Hendrik, toen veertien jaar, woonde tegen die tijd echter al niet meer thuis. Hij werkte bij bakker Wiardi in de Oude Ebbingestraat, en was daar ook op kamers. In 1904 vertrekt hij naar Utrecht, en de volgende zes jaar werkt hij als kok in onder meer Parijs en Monte Carlo. Toen hij in 1910 terugkeerde naar Groningen, waren beide ouders overleden. Er was, afgezien zijn broer Klaas, niets meer wat hem daar hield. Hendrik besloot nu echt de wijde wereld in te trekken en het avontuur aan te gaan.

Via Monte Carlo komt hij in de nazomer van 1911 te werk als kok op de RMS Olympic. Hendrik verdiende prima, waardoor hij regelmatig naar Groningen kon reizen om zijn broer te bezoeken. In maart 1912 staat hij op het punt om naar Klaas te gaan, als hij wordt geronseld door de Italiaanse cateraar Luigi Gatti. Gatti is bezig een keukenbrigade van de RMS Titanic samen te stellen en stelt Hendrik aan als larder chef, wat op zich niet echt een hoge functie is. Toch hoefde Hendrik hier niet lang over na te denken. Werken op het grootste, meest luxe stoomschip ooit – en onzinkbaar ook nog. Dit was waarvan hij altijd al had gedroomd. Hij ging naar New York! 

Zijn familie wist van niets. In Southampton gaf hij zijn koffer in bewaring. In die koffer zaten onder andere brieven van dames uit heel Europa. Hij stond ook wel bekend als ‘Mooie Hennie’ en de vrouwelijke aandacht was zeker niet schaars. De Vlaamse Albertine schreef dat ze op het moment zat te wachten waarop ze eindelijk een reactie zou krijgen op al haar brieven. Ze zou nooit meer wat horen.

Op 10 april 1912 vertrekt de Titanic vanuit Southampton. Op de nacht van 14 op 15 april voltrekt zich de ramp waarbij 1522 mensen om het leven komen, waaronder, op drie na, de gehele keukenbrigade. Dit huurpersoneel bestond grotendeels uit Fransen, betaald door de Italiaan Gatti. Er werd op hen neergekeken, en ze werden door de Britten niet toegelaten op het sloependek. Er gaan verhalen dat de bakkers gewoon doorgingen met brood bakken, om mee te geven aan de vrouwen die in de reddingboten werden gezet. Zij wisten toch al dat hun treurige lot bezegeld was.

Er waren drie Nederlanders aan boord, en alle drie overleefden ze het niet. Als het lichaam van Mooie Hennie al is teruggevonden, is het in ieder geval nooit geïdentificeerd. Klaas, Hendrik’s broer, kwam pas eind juli achter de reden waarom zijn broer nooit op bezoek was geweest, zoals hij had beloofd. Toen pas kwam er een overlijdensadvertentie in de krant te staan. In november ontving hij, als Hendrik’s enige erfgenaam, een Engels spaarboekje met daarop zo’n 260 gulden. Hendrik had aan boord van de Titanic 30 gulden verdiend. Hij werd 27 jaar.

Wittewierum, Nederland, voorjaar 2015 
Ik fiets over een hobbelig weggetje door de weilanden. Er is hier niets meer, afgezien enkele groepjes witbruine koeien. Ik ben er bijna. Over mijn schouder zie ik de lange weg die ik afgelegd heb op zoek naar het geboortehuis van Hendrik Bolhuis. Ik kijk weer voor me. In de verte zie ik de wierde van Wittewierum. Maar daar moet ik niet zijn. Na enig onderzoek heb ik uitgevonden waar precies in Wittewierum Hendrik’s geboortehuis moet hebben gestaan. Hij woonde op een boerderij buiten het dorp, alhoewel dorp sowieso al een groot woord is voor het gehucht Wittewierum. De eenzaam gelegen boerderij waarin Hendrik opgroeide is helaas afgebrand in de jaren 70, en in de jaren erop in verval geraakt. Er rest alleen nog een schuur. Ik wijk af van de weg naar Wittewierum en stuur een zo mogelijk nog kleiner weggetje in. Er doemt bebossing op in de verder lege en uitgestrekte omgeving. Dat is het.

Mijn mond valt open. Ik heb veel vervallen gebouwen gezien, maar dit verdient een heel nieuw woord. Van de boerderij die ooit eens was, staat er inderdaad alleen nog een schuur overeind. Maar ook dat duurt niet lang meer. Het is heel duidelijk wat ooit het erf is geweest: eromheen loopt een recht uitgegraven sloot, als een soort slotgracht. Het erf is nu bijna niet meer te betreden, maar uiterst dicht begroeid. Met moeite kan ik de schuur en een aantal andere stenen overblijfselen ontwaren. Alles is overwoekerd. Ik sta even in tweestrijd. Waag ik me door de begroeiing en ga ik in m’n eentje een vervallen terrein op in the middle of nowhere? Of ben ik verstandig en blijf ik op een afstandje? Ik hoef niet lang na te denken en al snel waag ik me door het hoge, natte gras. Het is al dagen zonnig, maar hier in het donkere bos blijft het vochtig. Binnen de kortste keren zijn mijn schoenen nat, is mijn shirt gescheurd door een bramenstruik en worden mijn benen aangevallen door zowel muggen als brandnetels. Maar dat maakt allemaal niets uit. Het zonnetje probeert door de dichte bladerendeken door te komen, en valt in bundels uiteen op de donkere grond. Het is duidelijk dat hier al jaren niemand is geweest. Dit is ook de dieren in omgeving opgevallen: zo spot ik een konijntje en wordt mijn komst befluit door vele vogels. En dan sta ik oog in oog met een moederhert en haar drie prachtige kindertjes. Moederhert kijkt me bevreemd aan maar rent niet weg. Ik kan zelfs wat bewegen en foto’s maken. Als de hertjes uiteindelijk toch verdwijnen in de hoge begroeiing kan ik niet geloven wat ik net heb gezien. Ik kijk de foto’s terug op het schermpje van mijn camera en als ik weer op kijk, staat het moederhert daar weer. Ze kijkt nog even om de hoek, nieuwsgierig wat ik aan het doen ben. Ik glimlach naar haar. Haar grote, donkerbruine ogen houden me goed in de gaten. Dan draait ze zich om en is ze weg. 

ik weer uit het bos kom, kijk ik omhoog. Het is ’s ochtends, ik kan de maan nog zien. Ik denk aan Hendrik. De sterren en de maan zijn hetzelfde. 
// Sanne Meijer, de Eemslander, 15-04-2015

vrijdag 17 april 2015

Opinie: Goedenavond Appingedam! (en de rest van het Noorden)

Vanaf nu zal ik af en toe ook opiniërende artikelen plaatsen op deze blog, vaak betreffende actualiteiten in/over het Noorden. Vandaag mijn eerste artikel: Goedenavond Appingedam! (en de rest van het Noorden).


In een gesprek bij Pauw op woensdagavond 15 april, over de opvangcentra voor uitgeprocedeerde asielzoekers, deed politiek journalist Ferry Mingelen de volgende uitspraak: ‘‘Je zal altijd zien dat zo'n opvangcentrum dan natuurlijk ergens in Appingedam zit. In zo'n streek waar niemand eigenlijk wil zijn behalve als je asielzoeker bent.’’ Blijkbaar had Mingelen zelf niet door dat hij hiermee een groot aantal mensen flink beledigde. Jeroen Pauw had wel de tegenwoordigheid van geest om zich dit te realiseren en reageerde: ‘‘Goedenavond Appingedam. Daar hoeft Ferry voorlopig niet meer naartoe.’’ Logischerwijs riep dit woeste reacties op. Twitter ontplofte en #appingedam was zelfs een tijdje trending topic in Nederland.

Oké, dit kan een slip of the tongue zijn. Dat gebeurt de besten onder ons wel eens. Zoals dat gaat, kreeg Mingelen de volgende dag de kans zich te revancheren. Helaas voor hem leverde dat een aaneenschakeling van blunders op. In een interview met RTV Noord wordt duidelijk dat Mingelen eigenlijk Ter Apel had bedoeld, maar niet op die naam kwam en simpelweg een andere plaats uit het noorden van Nederland opnoemde. ‘‘In de Randstad kunnen asielzoekers zich iets makkelijker bewegen, of elders opvang vinden. Daarom worden azc’s vaak ver weg geplaatst, zoals in Ter Apel. Dat is het beleid. Dat wilde ik ermee zeggen.’’ Dat Appingedam geen asielzoekerscentrum heeft en ruim een uur rijden van Ter Apel verwijderd ligt, had Mingelen blijkbaar niet over nagedacht. Over één kam scheren gesproken.

Appingedam of Ter Apel daadwerkelijk bezoeken, dat is Mingelen net een stapje te ver. Hoewel hij door zowel PvdA kamerlid Tjeerd van Dekken, burgemeester Pot van Appingedam en burgemeester Kompier van Vlagtwedde is uitgenodigd een kijkje te komen nemen in de door hem aangevallen plaatsen, antwoordt hij tactloos: ‘‘Nou, het is wel ver weg.’’ Een teleurstellend gebrek aan nieuwsgierigheid voor een gelouterd politiek journalist. 

Mingelen doet er nog een (enigszins walgelijk) schepje bovenop door in een radiointerview op NPO1 te stellen dat Appingedam hem juist heel dankbaar zou moeten zijn voor alle gratis publiciteit, want zoveel goede promotie had het stadje nog nooit gehad, volgens hem. Alsof de historische binnenstad van Appingedam, met alle bruggetjes, hangende keukens en middeleeuwse en renaissancistische panden zichzelf niet kan verkopen. Mingelen’s reeks van ongenuanceerde opmerkingen wordt afgesloten met de opmerking dat ‘‘mensen moeten zich niet te snel aangesproken voelen als dat niet de bedoeling is’’ en dat hij de groeten doet aan de inwoners van Appingedam. 

Dit hele gebeuren is slechts een voorbeeld van een veel groter probleem dat zich in Nederland afspeelt: de langzaamaan immer groter wordende kloof tussen ‘het Noorden’ (Groningen, Friesland, Drenthe) en de rest van het land. Onwetendheid is hierbij, mijns insziens, het toverwoord. Mingelen’s gênante versprekingen zijn niets minder dan een reflectie van een denkbeeld dat in de hoofden van veel Nederlanders huist: het Noorden is een haast onontgonnen plek, ver weg, leeg, kil; een buitengebied zonder voorzieningen in haast barre levensomstandigheden. In dit denkkader is de besluitvorming omtrent gaswinning ook te verklaren; er woont toch niemand, waar maken mensen zich druk om? Natuurlijk is niets minder waar, maar hoe de regionale overheden ook proberen, dit bekende plaatje van het Noorden blijft volhardend doorzetten. Ook ik word soms geconfronteerd met bizarre denkbeelden die mensen uit de Randstad hebben over Groningen; de onbekendheid met de regio is schrikbarend. 

Maar dat een weldenkend, onderzoekend persoon – een politiek journalist note bene, niet kritisch genoeg is om zijn stereotype perspectieven op het Noorden te herkennen, biedt een verontrustend toekomstbeeld. Laten we hopen dat deze narrow-minded vooronderstellingen niet hardnekkig door blijven zetten – want dan zal het Noorden steeds verder weg drijven van de rest van Nederland.

zondag 29 maart 2015

''Ons Poaske'': het vieren van Pasen in het Groningerland

Met Pasen vieren christenen de wederopstanding van Jezus. Eigenlijk is dit een christelijke vervanging voor een veel ouder, heidens feest: het voorjaarsfeest ter ere van Ostara, de Germaanse godin van het licht. Dit is nog te zien in de Engelse en de Duitse benaming voor Pasen (respectievelijk ‘Easter’ en ‘Ostern’). Men vierde dat de winter voorbij was. Van dit heidense paasfeest zijn bijvoorbeeld de paasvuren en het eten van eieren overgebleven.

Voorafgaand aan Pasen vindt de ‘de Goede Week’ plaats, met onder meer Palmpasen en Goede Vrijdag. Deze feestdagen werden vroeger in Groningen ook gevierd, al vindt dat nu steeds minder tot niet meer plaats. Elk land, elke regio, elk volk kent zijn eigen tradities en gebruiken wat betreft feestdagen. Dit wordt folklore genoemd: een expressieve vorm van de eigen cultuur. Dit is overal weer anders. Zelfs binnen de provincie Groningen verschillen de volksgebruiken nog weelderig. Toch heb ik geprobeerd overeenkomsten te zoeken om over de Groninger volksgebruiken rondom Pasen te kunnen schrijven. De meeste gebruiken bestaan al niet meer, een aantal nog op enkele plekken, en een handjevol zijn tot op vandaag de dag in gebruik. Laten we afspreken 'onze' tradities in ere te houden!

Paasvuur in Ter Apel, Westerwolde

Palmpasen

Palmpasen (ook wel Palmzondag genoemd) is de zondag voor Pasen. Het is, in de christelijke traditie, de laatste dag van de vastentijd. Op die dag, zo gaat het verhaal, arriveerde Jezus in Jeruzalem en werd hij feestelijk binnengehaald en toegewuifd met palmtakken.

In Groningen liepen kinderen dan met een palmstok. De palmpasenstok bestaat uit twee stokken in de vorm van een kruis en wordt met Palmpasen gemaakt. De componenten van de palmstok hadden allen een symbolische betekenis. Het kruis staat natuurlijk symbool voor het kruis waarop Jezus stierf. Het is versierd met palmtakken, die symbool staan voor de intocht in Jeruzalem. In Groningen zijn dit vaak buxustakken. De krans (soms ook vervangen door een kroon) staat symbool voor het Koninklijke van Jezus. Bovenop de stok zit een haantje van brood, zoals het brood dat Jezus brak en verdeelde bij het laatste avondmaal (Witte Donderdag). Verder wordt de stok versierd met krentjes, eieren en snoepjes.

k Loop mit mien paalmpoaske tak, t is nait swoar, t gait mit gemak,
bovenien vandaig n hoan, loat mie nou mor wieder goan.
Oet zied, oet zied, tou mensen oet zied,
oet zied, oed ziet, roupen ale kiender blied,
zai lopen en zingen en droagen heur tak,
zai lopen en droagen heur kruus met gemak,
zai lopen en zingen en droagen heur tak,
zai lopen en droagen heur kruus met gemak.

Goede Vrijdag

Op Goede Vrijdag herdenken christenen de kruisiging en dood van Jezus. Voor kinderen in de provincie Groningen was het vooral een reden om er een feestelijk dagje van te maken. Zij zongen:

Ons Poaske, ons Poaske en dij komt aan;
Wie hupplen en springen d’r vroolek op aan,
Zet hier ’n stoul, zet doar ’n stoul,
Op ieder stoul ’n kussen,
En is dat kussen nait dik genog, 
Dan bak er ’n pannekouk tusschen;
Och, vrouw, loat ons nait langer stoan,
Wie mouten een deurtje wieder goan.

Vroeger was het voor kinderen in Groningen gebruikelijk om op Goede Vrijdag langs de deuren te gaan. Zij zongen dan bovenstaand versje, en kregen iets te eten. Dit was vaak een pannenkoek of een ei. De kinderen begeleidden zichzelf op de rommelpot, een potje of kommetje bespannen met een varkensblaas, waar zij met een stuk riet overheen bewogen. Het versje kent verschillende varianten, vaak afhankelijk van dorp of regio. Ook is er een gekerstende versie, die gaat over de duivel die verslagen is door de komst van Jezus. Er bestaat zelfs een schunnige variant en die gaat als volgt:

Ons Poaske, ons Poaske, dij komt an,
wie huppen en springen en vrijen der op an,
van vrijen, van vrijen is vrijen genoeg
en zingen de Engelkes smörns zo vroeg.

Op het Hogeland verzamelden de kinderen zich op de ochtend van Goede Vrijdag bij de school van het dorp. Daarna begonnen ze aan hun rondgang langs de deuren. Degene die als eerste aanwezig was, werd het ‘poaskai’ genoemd. Hij mocht voorop lopen. Degene die als laatste op kwam dagen, was ‘aaskejong’ of ‘aaskepoester’. De langslaper kreeg een zak as op zijn rug, waar met groene takken op werd geslagen zodat er aswolken vrijkwamen. Tijdens de optocht zongen de kinderen:

Aaskepoester en Poaskaai bin opstoan,
maggen wel weer noa ber tou goan,
t is mien aai, t blift mien aai,
t is mien golden poaskaai.

Toch was het dragen van deze ‘aaskepuut’ geen straf en werd het zelfs een begeerde rol; want het geld wat tijdens de optocht werd opgehaald, was voor een groot deel bestemd voor de laatkomer. Dit gebruik kent waarschijnlijk een heidense, oud-Germaanse achtergrond: het ‘aaskejong’ of  de ‘aaskepoester’ was een personificatie van de boze wintergeest, die met Pasen verdreven werd.

Maar ook hier zijn vele variaties op. In elk dorp werd de traditie van de langslaper net iets anders gevierd. In Loppersum werd de laatkomer op een plank gezet en door het dorp gedragen, en in Godlinze moest hij geblinddoekt op een zak as slaan die aan een boom hing. In Heveskes, een dorp dat nu al niet meer bestaat (zie mijn blog van 29 december 2014), ging het er nog weer heel anders aan toe. Daar verzamelden de kinderen zich niet bij school, maar bij een witte paal die ergens te midden van een kruispunt stond. Bij aankomst sloegen de kinderen dan met een stok tegen die paal aan en sprongen eromheen. De eerste die aanwezig was heette ook ‘poaskai’, maar het laatste kind dat aankwam werd een ‘stinkai’ genoemd. De groep kinderen ging dan in optocht naar de laatste boerderij van Heveskes, waar ‘poaskai’ een ei van de boerin kreeg. ‘Stinkai’ kreeg een bebroed ei naar zijn of haar hoofd geslingerd. Op de terugweg werd het volgende liedje gezongen:

Tudelomtent, tudelomtent,
Vrouw blieft een poaskecent.
Tudelomtent, tudelomtent,
Vrouw blieft een poaskai.

Het slaan tegen een paal komt waarschijnlijk van het ‘heideslaan’. In de vroege middeleeuwen vernielden christenen, in hun poging de Friezen en de Germanen te bekeren, veel onchristelijke objecten. Een bekend voorbeeld hiervan is Bonifatius, die eigenhandig de (door Germanen aanbeden) Donar-eik omhakte. Hier komt waarschijnlijk het slaan tegen een paal vandaan.

De traditie van de luilak speelde zich in Westerwolde pas met Pinksteren af, met iets meer sadisme. Daar werd de langslaper niet alleen met as bekogeld, maar ook met een bos brandnetels geslagen en werden er brandnetels en ‘honnebloumen’ (paardebloemen) in zijn of haar bed gestopt.

Paasfeest

En dan is het eindelijk Pasen! ’s Ochtends verscheen men bij het ontbijt in nieuwe kleren. Voor meisjes was dit bijvoorbeeld een mooi jurkje, voor jongens waren dit schoenen in plaats van klompen. Dit werd ‘poaskepronk’ genoemd. Vóór Pasen was het namelijk te koud voor deze voorjaarskleding. En hoewel het ook met Pasen nog koud kon zijn, gingen die nieuwe kleren sowieso aan! Ook de ‘poaskepronk’ was dus een soort symbool voor het afscheid nemen van de winter.

Het paasontbijt was heel belangrijk. De mensen aan tafel aten dan héél veel eieren, want die at men eigenlijk alleen met Pasen. Eieren waren in de heidense traditie het zinnebeeld van het nieuwe leven; van vruchtbaarheid. Christenen namen het ei over, omdat ze in de ovale vorm het graf van Jezus zagen, vanwaar hij weer is opgestaan. Hoe dan ook, er kwam een enorme kom met eieren op tafel, waar de mannen van het gezin ieders wel zes van opaten.  Het werd dan haast een wedstrijd wie er het meeste op kon. Niet voor niets komt daar het volgende, prachtige Groningse spreekwoord vandaan: ‘‘Hai het t zo druk as hounder veur Poaske’’ [Hij heeft het zo druk als kippen voor Pasen]. Toch moet het wel gezegd worden dat dit vooral op het platteland plaatsvond, waar mensen zelf kippen hadden. In de Stad was het natuurlijk een ander verhaal. Met name tijdens de crisis was een doosje eieren een bijzonderheid. Men spaarde het hele jaar zegels bij de kruidenier en kreeg er met Pasen dan een doosje eieren voor. 

Eten was, en is nog steeds, belangrijk met Pasen. Hoewel Palmpasen officieel de laatste vastendag is, wordt dit pas echt gevierd met Pasen. Kinderen kregen aan het begin van de vastenperiode hun eigen vastentrommel. Als zij een snoepje kregen, verdween dat in een vastentrommeltje en op zondag mochten ze er dan één uitnemen. De rest moest wachten tot Pasen, na de hoogmis. En wat een feest was het dan, als het trommeltje eindelijk open mocht…

Op Paaszondag kregen de kinderen van het gezin een, vaak door hun moeder gehaakt, netje. Deze was langwerpig met kleine gaatjes en droegen zij om hun nek. Onderin werd een sinaasappel gelegd, een bijzonder stuk fruit in die tijd. De kinderen gingen dan bij hun familie op bezoek en kregen ieders iets lekkers. Er kwamen vooral walnoten en chocolade- en suikereitjes in. 

De walnoten die in het netje zaten, werden ook weer gebruikt bij het noten schieten. Pasen was een tijd waarin veel spelletjes met eieren en noten werden gedaan. Mijn familie speelt bijvoorbeeld nog elk jaar traditiegetrouw een potje noten schieten op Paaszondag. Noten schieten, ook wel riesterken of riegjen genoemd, werd oorspronkelijk gezien als een spel voor volwassenen, maar later nam de jeugd het over. Het wordt vooral nog in de provincie Groningen gespeeld, maar ook in delen van Drenthe en op Terschelling.  
Op een zo vlakke ondergrond wordt een rechte lijn getrokken met een lengte van zo’n drie meter. Dit vond vroeger vaak plaats in de boerenschuur, waarbij soms er een houten plank werd gebruikt als ondergrond. Daarop worden walnoten geplaatst, met een gelijke tussenafstand. Die walnoten worden ingelegd door de deelnemers. Het is de bedoeling de achterste noten, dus die zo ver mogelijk van de werper afliggen, er af te rollen. Dit gebeurt met een glazen kogel. Als een speler inderdaad de achterste noten weet te raken mag hij deze noten oprapen. Als hij noten uit het midden van de rij raakt, zonder ook de achterste te raken, dan moet hij die bijzetten uit zijn voorraad. In de loop van het spel kan de rij noten op de lijn dus steeds korter en langer worden. Degenen die door al zijn noten heen is, is af. Vroeger moest diegene er dan een cent bijleggen. Degene die aan het eind van het potje de meeste noten heeft, is de winnaar. En dat kan er flink fanatiek aan toe gaan… Vandaar het volgende waarschuwende Groningse spreekwoord: ‘‘Je kinnen beder mit neuten schaiten as mit koegels’’ [Je kunt beter met elkaar spelen dan ruzie maken]. 

’s Avonds ging men naar de paasvuren, waarna er geen haast was om naar huis te gaan, want dat zou betekenen dat de mooie Paaszondag ten einde was. Dus zong men het volgende versje:

Op ons Poaske
paast gain hoaske
neuten en aaier
geven genog plezaaier!

Noten schieten! De rij is hier al aanzienlijk korter...

---
Met dank aan dhr. Germs, dhr. Manning, mw. Meijer-Germs, mw. Wagt en mw. Wolters voor het delen van hun herinneringen en verhalen.  

Andere bronnen
Huizinga-Onnekes, E.J. Het menschelijk leven in ’t Groninger land. Assen: van Gorcum & Comp, N.V., 1939.
Ipenburg, P., Groningen: volkskundig leesboek voor lagere scholen. Groningen: P. Noordhoff N.V., 1931.
Schreiber, F. Paasgebruiken in de provincie Groningen en omstreken. Bedum: Profiel, 1990. 

zondag 15 maart 2015

Abt Emo's Groningen

Die ochtend ben ik in Loppersum uit de trein gestapt. Na een kleine tien kilometer fietsen door de weidse weilanden, ben ik bijna in Wittewierum. In de verte tekenen de contouren van een beboste wierde zich af tegen de lage ochtendzon. De heiige lucht zorgt ervoor dat er een mysterieuze sfeer rondom de eenzame wierde hangt. Als ik dichterbij kom zie ik een gracht, een kerktoren, enkele huisjes en een handjevol boerderijen verschijnen. In het dorp Wittewierum wonen ongeveer 60 mensen. Ik zet mijn fiets neer bij één van de hoge, ruisende bomen aan de noordoostelijke kant van de wierde, en loop richting een openstaand smeedijzeren hek. Het is er stil, ik zie of hoor niemand. Voor me zie ik een prachtig kerkje, gelegen op een schitterend, eeuwenoud kerkhof. Het oranje-achtige zonlicht valt door de boomtakken in bundels uiteen op het gras. De grafstenen zijn verzakt, staan schots- en scheef, en zijn versierd met wapens, symbolen en teksten. Ik laat me zakken op het houten picknickbankje dat tussen al deze stille getuigen van de geschiedenis staat. Want geschiedenis heeft Wittewierum wel. Het kleine dorpje kent vele verhalen. Één van die geschiedverhalen is het verhaal van abt Emo, een dertiende-eeuwse geestelijke uit dit gedeelte van Groningen. Vandaag doe ik drie dorpjes in Groningen aan waar Emo zijn voetstappen heeft liggen.

Wittewierum in de verte

Laat ik duidelijk zijn, Emo was een reislustige man en heeft door heel west-Europa voetstappen liggen. Ik schrijf hier echter alleen over drie plaatsjes in Groningen die een rol in Emo’s leven hebben gespeeld: Westeremden, Huizinge en Wittewierum. De geïnteresseerden in ál zijn voetstappen en zijn reis door west-Europa zal ik doorverwijzen naar het prachtige boek Emo’s Reis van D.E.H. de Boer. In dit boek volgt de auteur Emo’s reis naar Rome en reconstrueert op een bijzondere manier het dertiende-eeuwse Europa.  Ook het boek Emo’s Labyrint van Y. Penning is de moeite waard: dit is een historische thriller gebaseerd op Emo’s leven en zijn bijzondere reis.

Terug naar Wittewierum. Ik zit nog steeds op het picknickbankje en staar voor me uit naar de leegte. Het is moeilijk voor te stellen dat hier de eerste Groningse geschiedschrijving vandaan komt. Hier stond namelijk ooit een klooster. Dat klooster heette Bloemhof (Floridus Hortus) en werd aan het begin van de dertiende eeuw gesticht door onze abt Emo. Emo begon destijds ook met het schrijven van een kroniek van de gebeurtenissen in en om het klooster. De gebeurtenissen in de kroniek beginnen in het jaar 1200 en eindigen in 1296. De Kroniek van het klooster Bloemhof te Wittewierum kent in totaal drie auteurs: eerst abt Emo, daarna abt Menko en als laatste een anoniem gebleven abt. Wonder boven wonder heeft deze kroniek de afgelopen acht eeuwen overleefd. Het oudste handschrift is in bezit van de Universiteitsbibliotheek in Groningen. De kroniek is meerdere malen uitgegeven en is gewoon bij de openbare bibliotheek verkrijgbaar. Het vormt een uitmuntende geschiedenisbron en vertelt ons veel over het middeleeuwse Groningen.

Wittewierum

Wittewierum

Ergens onder mijn voeten, in de wierde van Wittewierum, moeten de overblijfselen liggen van abt Emo, de eerste geschiedschrijver van Groningen. Hij werd rond 1170-1175 geboren, ergens in Fivelingo (het noordoostelijke gedeelte van de Ommelanden). Hij stamde uit een hoofdelingengeslacht, een soort Groningse adel. Samen met zijn broer Addo studeerde hij letteren, rechten en theologie in Frankrijk en Engeland. Hij heeft onder meer aan de universiteit van Oxford gestudeerd. Toen ze uiteindelijk terugkeerden in de Ommelanden, vestigden ze zich in het plaatsje Westeremden. Addo werd daar onderwijzer en Emo pastoor.  

Westeremden werd in die tijd ‘Emetha’ genoemd. Dat betekent zoiets als ‘monding van de rivier’. Heel lang geleden stroomde de Fivel daar en was er zelfs een haventje, maar de rivier slibte dicht. In Emo’s tijd werd de haven gedempt. Het woordje ‘wester’ werd ervoor geplakt, om het dorp te onderscheiden van het Oost-Friese Emden (nu in Duitsland). Westeremden is gelegen op een hoge wierde. In de hoofdstraat zijn straatleggers bezig, maar ik mag er met mijn fiets wel langs. De huizen zijn netjes en de straten en tuinen groen. Het is er heerlijk rustig. Tot mijn verbazing kom ik een buurtsuper tegen, maar helaas zijn de medewerkers net begonnen aan hun middagpauze van bijna twee uur. Zo lang kan ik niet wachten. Ik kom bij het kerkje aan, dat aan het Abt Emopad ligt. Ook kwam ik al de Abt Emo-basisschool tegen. De kerk die er nu staat, is niet de kerk waar Emo pastoor was. Dat was hoogstwaarschijnlijk een houten kerkje dat in 1238 in de brand vloog. Daarna is de huidige Andreaskerk gebouwd, in baksteen natuurlijk. Naast de kerk ligt de weem van Westeremden. Een weem was de pastorieboerderij. Het is een prachtig gebouw. Schilder Henk Helmantel besloot het gebouw in de jaren zeventig volledig te restaureren en naar de oude staat terug te brengen. Helmantel woont niet alleen, maar exposeert ook in zijn Weem van Westeremden. Af en toe is het open voor publiek. Vanaf het Abt Emopad gluur ik naar het huis en de tuin, die er beide schitterend bijliggen. Binnenkort ga ik er eens een bezoekje aan brengen, neem ik me voor.

De Weem van Westeremden 

Emo bleef niet lang in Westeremden. Hij vertrok om pastoor te worden in het nabijgelegen Huizinge. Huizinge is één van mijn favoriete dorpjes in de Ommelanden. Ik fiets via een lang pad naar het dorpje, en werd op slag verliefd. Er staan slechts een paar huizen, maar ze zijn erg bijzonder. Ze kleuren van wit naar lichtblauw naar terracotta. De bloemen groeien weelderig, alles is groen. Een oud schooltje doet nu dienst als dorpshuis. Ook is er een soort complex te zien van vier diaconiewoningen, die begin negentiende eeuw gebouwd werden voor weeskinderen en minder gefortuneerde weduwes. Maar het allermooiste is de kerk. Als ik via het weggetje aan kom lopen is er even sprake van gezichtsbedrog: het kerkje lijkt een rond kappelletje te zijn. Dat lijkt zo vanwege de ronde achterkant. De lage, rechthoekige toren staat aan de andere kant. De buitenkant is prachtig versierd, maar ook het interieur is niet mis. Zo is er een vijftiende eeuwse gewelfschildering bewaard gebleven, waar het laatste oordeel wordt afgebeeld. Jezus beslist of mensen naar de hemel of naar de hel gaan. De hel is als de muil van een monster weergegeven. Maria is ook geschilderd, in de vorm van een eenhoorn. Het is zonder meer één van de mooiste romanogotische kerkjes in Groningen. Het gebouw kijkt uit over een grasvlakte, en in de verte zie ik Middelstum. Al dit moois was er nog niet toen Emo hier werkte. Toen stond er nog een houten kerkje. Toch is het huidige gebouw ook al erg oud: het is gebouwd rond 1250. Ik kan iedereen eens aanraden een bezoekje te brengen aan Huizinge. Maar doe het snel, nu het nog is zoals het is. De gebouwen van Huizinge worden bedreigd door de aardbevingen die veroorzaakt worden door de gaswinning. Huizinge vormde het epicentrum voor de zwaarst gemeten aardbeving in Groningen tot nu toe. In 2012 trilde de grond onder Huizinge met een kracht van 3.6 op de schaal van Richter. 

Huizinge

Huizinge

Emo was niet gelukkig in Huizinge. Hij had veel geleerd bij al die prestigieuze universiteiten, maar daar had hij weinig aan als dorpspastoor. Samen met zijn vriend Hendrik, een kerkenbouwer, droomde hij van een eigen klooster. In 1209 bood zich die mogelijkheid aan. Emo had een rijke neef, die ook Emo heette. Emo van Romerswerf, om precies te zijn. Emo van Romerswerf wilde een klooster op zijn land zetten. Hij woonde in de buurt van Krewerd en was een bijzonder moeilijke man, waardoor Hendrik afhaakte. Maar ‘onze’ Emo, zette door. Hij reisde af naar Prémontré, want hij wilde zijn klooster aansluiten bij de Premonstratenzers. De Franse abt zegde toe om als patronaat op te treden. Emo van Romerswerf, de rijke maar soms vervelende neef, was inmiddels overleden. Emo had nu zelf een klooster. 
Het klooster heette het ‘Nijenklooster bij den Damme’. In 1211 schonken de kerkgangers in Wierum (wat nu Wittewierum is) hun houten kerkje aan het klooster. Daar vestigden zich de monniken van Nijenklooster. De nonnen bleven achter. Mannen en vrouwen mochten namelijk niet in één klooster wonen. Dat mannenklooster in Wierum noemde Emo ‘Bloemhof’. De monniken droegen witte pijen, en de naam van het dorpje veranderde daarom in Wittewierum. 

Niet iedereen was blij met de schenking van de kerk van Wierum aan het klooster. De zoon van ene Ernestus Gerlenga was er pastoor, en Ernestus was bang dat zijn zoon zijn baan kwijt zou raken. Hij stapte naar de bisschop van Münster, die de schenking ongedaan wou maken. Abt Emo was diep getroffen door zoveel onrechtvaardigheid van Ernestus en de bisschop. Hij besloot naar Rome te gaan, naar de paus, om daar zijn gelijk te krijgen. Hij reisde te voet, in de winter. Dat was op z’n zachtst gezegd uiterst merkwaardig. Zo’n reis was namelijk niet geheel zonder gevaren; zo moest hij de zware Alpenpas Mont Cenis over, en waren er overal rovende bendes actief. Ik zal er niet verder op ingaan, maar de reis verliep dan ook niet van een leien dakje. Toch kwam Emo in juli 1212 weer aan in Wittewierum, met een brief van paus Innocentius III die hem in het gelijk stelde.  

Helaas miste de brief de overredingskracht om Ernestus, de bisschop en andere tegenstanders er van te overtuigen dan de kerk Emo toebehoort. De kerkpatronen onderhandelen hevig wat te doen. Als de kerk naar het klooster gaat, raakt Ernestus’ zoon zijn baan kwijt. Dus wat gebeurde er? Ernestus’ zoon kreeg een schadevergoeding; een middeleeuwse versie van een werkloosheidsuitkering. Emo is hier niet blij mee. Dit lijkt op simonie: de verkoop van geestelijke ambten. Ondanks zijn bezwaren gaat de deal door en Emo is gedwongen er mee in te stemmen.  

Maar Emo’s geweten bleef de rest van zijn leven aan hem knagen. Simonie… In zijn kroniek probeert hij het goed te praten door te verwijzen naar allerlei uitspraken van andere kerkvaders over dit onderwerp. Maar Emo geloofde dat God alles zag en dat God hem zou straffen. In januari 1219 overstroomden grote delen van Noord-Nederland door de Marcellusvloed, een stormvloed die ruim 35.000 doden ten gevolge had. Emo was ervan overtuigd dat deze ramp zijn schuld was. Hij had de toorn Gods op zich afgeroepen. 


In 1237 overleed hij. Emo wou graag begraven worden in zijn klooster Bloemhof, maar hij wist niet of dat wel zou gebeuren, omdat hij dacht een zondaar te zijn. Maar zijn God was barmhartiger dan hij dacht. Hij werd begraven in de kapittelzaal. 

Onder de volgende kroniek-schrijver, abt Menko, bloeide het klooster op. Bloemhof was, op het St. Bernardusklooster te Aduard na, het grootste in de Ommelanden. Tijdens de Gelderse Oorlogen, aan het begin van de zestiende eeuw, raakte het klooster in verval. In 1514 werd het zelfs in de brand gestoken door een boosaardige hertog. In de jaren erna woonden er nog maar enkele monniken en kwijnde het klooster steeds meer weg. In 1566 werden de restanten ook nog eens in de hens gezet tijdens de Beeldenstorm. Uiteindelijk werd het klooster afgebroken, de stenen verkocht en de gronden verhuurd. Het koorgestoelde en enkele beelden werden naar de Martinikerk in de Stad verplaatst. Er kwam een protestantse kerk voor in de plaats. Die raakte ook weer in verval, en in 1863 verrees de huidige kerk van Wittewierum.

Huidige kerkje van Wittewierum.

Zijn klooster is er misschien niet meer, maar Emo’s ziel waart nog altijd rond in Wittewierum. Tussen die oude grafstenen van lang vergeten mensen, rond het kleine kerkje, en tussen de bomen. Over de plek waar ooit zijn levenswerk stond. En hij fluistert: verloochen nooit uw principes.

Een bankje kijkt uit over de wierde van Wittewierum, waar ooit de kloostergebouwen stonden.


Bronnen
Boer, D., de. Emo’s reis: een historische culturele ontdekkingstocht door Europa in 1212. Leeuwarden: De Friese Pers Boekerij, 2011.
Deijk, A, van. In de voetsporen van Emo en Menko. Bedum: Profiel, 1993.
Penning, Y. De enerverende afloop van Emo’s kloosterstichting. Eerste Abt Emo Lezing, 6 juli 2012.
Steenhuis, A. Stenen en stemmen van Wittewierum. Groningen: SOGK, 2006.

Venekamp, J.H. ‘‘Wittewierum.’’ Schoolmeesterrapport, 1828. Groninger Archieven. http://www.groningerarchieven.nl/bronbewerkingen/schoolmeesterrapporten/w/wittewierum.

zaterdag 21 februari 2015

Fietstocht van Stad naar Westerkwartier, deel 2/2

Op een zonnige dag in januari besloot ik de fiets te pakken en richting Dorkwerd, Aduard, Den Ham en Fransum te gaan. Het waaide hard maar dat maakte niet uit, want het werd een prachtige tocht. Deze keer het tweede gedeelte: Den Ham - Piloersemaborg - Fransum - Kerkje Harkema.

Den Ham

Vanaf Aduard stuur ik noordwaarts en fiets Den Ham binnen. Het waait nog steeds als een orkaan. Het zuidelijke gedeelte van Den Ham kende ooit een gehucht met een uitermate originele naam: Biggestaart. De herkomst van de naam is onduidelijk, maar waarschijnlijk vanwege de vorm die het gehucht had. Echter, in 1828 werd al vermeld dat Biggestaart slechts een klein vlekje op de kaart was en nu is het niet terug te vinden. Den Ham is een klein dorpje met wat lintbebouwing.

Ooit stond er zelfs een fabriekje in Den Ham. In 1887 bouwde Jan Noorman er zijn schaatsenfabriekje. Hier maakte hij de bekende Noormanschaatsen. Het fabriekje vormde in de winter een fijne extra inkomensbron voor de inwoners van Den Ham.

De kerk staat een beetje buiten het dorp, in het zuidwesten. Het is één van de eerste gebouwen die ik passeer als ik het dorp binnen rijd. Het is een mooie kerk. Onder het koor bevindt zich de grafkelder van de vooraanstaande familie de Mepsche, die in 1573 voorzien werd van een sluitzegel. Deze familie was met name invloedrijk in Drenthe en Groningen, en bestonden vooral uit bestuurders. Terugkijkend in de geschiedenis waren die de Mepsche’s ijzingwekkende personen. Zo was er eentje een Spaangezinde bestuurder tijdens de Tachtigjarige Oorlog. De desbetreffende man was een fel katholiek en werd bekend als snoeiharde ‘ketterjager’: met andere woorden, hij vervolgde alle niet-katholieken. In die tijd was de Mepsche een gevreesde naam.

Het kerkje van Den Ham

Een bemoste grafsteen op het kerkhof van Den Ham

Eén van die de Mepsche-telgen, Johan de Mepsche, erfde rond 1609 een steenhuis iets ten noorden van het dorp. Een steenhuis is een soort van burcht, dat met name in de provincie Groningen te vinden was. Dit steenhuis werd ‘Piloersema’ genoemd, maar waarom is niet erg duidelijk. Waarschijnlijk was het een achternaam van één van de eerdere eigenaren. Hoe dan ook, Johan besloot het steenhuis te slopen en bouwde een splinternieuwe borg, honderd meter verderop. In 1633 verrees de Piloersemaborg of Hamsterborg, een statig gebouw dat nu nog steeds staat. Aan de heuvel in het landschap is nog immer te zien waar het eerdere steenhuis heeft gestaan. De nieuwe borg verwerd echter al snel tot boerderij en heeft zo eeuwenlang dienst gedaan. Er is een grote schuur bijgebouwd en door de eeuwen heen is er veel dicht- of bijgemetseld, verbouwd en herbouwd. 

De oprijlaan naar de borg is superchique: kaarsrecht en omzoomd door hoge bomen. Ik knipper tegen de felle zon, en bedacht dat een zonnebril wel handig zou zijn geweest. Aan mijn linkerhand strekt zich een weiland uit, met daarachter het dorp. Daar in de velden stond ooit het oude steenhuis. Aan mijn rechterhand doemt de Piloersemaborg op; een prachtig gebouw met oogverblindende ligging. Ik loop een rondje om het terrein en eet een broodje terwijl ik op één van de bankjes zit die langs de slotgracht staan. Het is een serene plek, waar ik enkel een mevrouw met een vrolijk hondje tegenkom. De Piloersemaborg is nu een hotel met zalenverhuur en een restaurant. Het restaurant wordt bestierd door Dick Soek, die eerder een Michelin-ster had voor zijn restaurant ‘Schathoes’ bij Borg Verhildersum. Het zal in weekenden wel druk zijn, bedenk ik me. Nu is het er stil en verlaten. De Piloersemaborg is echt een aanrader om eens langs te gaan als je in de buurt bent; door de uitstraling van het terrein waan je je haast in vroeger tijden.

Oprijlaan van de Piloersemaborg

Piloersemaborg/Hamsterborg

Piloersemaborg/Hamsterborg

Fransum

Via het oude kerkepad fiets ik de weilanden in. Ik heb voor het eerst sinds mijn trip de wind in de rug en ik hoef niet te trappen. Op een gegeven moment stopt het betonnen pad en gaat het over in een onverhard, kiezelig zandpad. Ik rijd de eenzame wierde omhoog, vurig hopend dat mijn band het houdt. Op één van de meest afgelegen plekken van de provincie een lekke band krijgen zou niet de handigste actie zijn.

Dit is Fransum. Van alle plaatsen in Noord-Groningen waar ik ben geweest spant dit qua samenstelling wel de kroon: op de wierde staan een kerk, een boerderij en een huis. That’s it. Het maakt het daarom erg moeilijk Fransum te betitelen als dorp, maar omdat het een kerk heeft, moet dat volgens mij wel. Ik lees ook wel eens dat het als buurtschap betiteld wordt. Als men het buurtschap rondom de wierde meetelt, vallen er nog enkele boerderijen onder Fransum. Toch heeft Fransum de postcode van Den Ham. Leuk detail: omstreeks 1840 woonden er zo’n twintig mensen op de wierde… Dat is tien mensen per huis!

Waar de naam Fransum vandaan komt is onderwerp van een jarenlang debat. De ene verklaring is dat het een verbastering is van ‘Frank’s heem’. Een andere verklaring kan zijn de wierde naar de volksnaam ‘Franken’ is genoemd, want dichtbij Fransum liggen ook de wierden Englum en Saaksum, die respectievelijk zouden verwijzen naar de Angelen en de Saksen. 

De wierde van Fransum in de verte

Ooit was Fransum een eigen parochie, waaronder ook Den Ham viel. Fransum was in de Middeleeuwen afhankelijk van het klooster te Aduard. In 1555 splitste Den Ham zich af. Fransum werd in een tijdsbestek van vijf jaar gecombineerd met Feerwerd, vervolgens met Aduard en toen weer met Den Ham, wat tot heden zo gebleven is. De kerk dateert uit het begin van de dertiende eeuw (!) en ziet er nog steeds prachtig uit. De preekstoel in de kerk is een hele bijzondere. Het is gebouwd rond 1500 en de alleroudste middeleeuwse (bakstenen)preekstoel van Nederland.

Maar helaas, vanaf 1909 wordt er niet meer gepreekt vanaf die mooie preekstoel. In 1909 fuseerde de kerk van Fransum met de kerk van Den Ham en werden de diensten naar Den Ham overgeplaatst. Bij de laatste kerkdienst kwam slechts één kerkganger naar de kerk. De predikant bedacht dat een waardig afscheid er dus niet echt in zat en wilde de dienst maar aflasten. De kerkganger protesteerde. Volgens de verhalen werd het dienst vol liederen en werd er door beide personen uit volle borst gezongen. Toen ging de deur op slot.
Het kerkje van Fransum

De kerk raakte in verval en werd overwoekerd door hedera. De kerkbanken gingen verloren. In 1950 vond er een restauratie plaats. Tijdens de voorbereidingen hiervan deed men bodemonderzoek en kon er vastgesteld worden dat de kerk geen voorganger had. Toch waren er wel graven van voor de dertiende eeuw. In de jaren zeventig werd er opnieuw bodemonderzoek gedaan, en dit keer kwamen er grote hoeveelheden voorwerpen naar boven. Muntjes, knikkers, rammelaars, sierspeldjes, deurkloppers, pijpekoppen, knopen – noem maar op. Maar het meest bijzondere – voor mij in ieder geval – vind ik wel een bepaalde ring. 

Het is een ring die ik erg goed ken en toen ik de foto voor het eerst zag kon ik mijn ogen eigenlijk niet geloven. Het was een Claddagh-ring: een traditionele Ierse ring. Het is een bekend symbool voor Ierland, stammend uit de zeventiende eeuw, en de ringen worden eigenlijk alleen maar daar gemaakt. De ring bestaat uit een hart met een kroontje, vastgehouden door twee handen. De handen op de Claddagh-ring staan voor vriendschap, het hart voor liefde en de kroon voor loyaliteit. Als je op zoek bent naar liefde wordt de ring gedragen aan de rechterhand met het hart naar buiten gericht; als je een relatie hebt wordt de ring gedragen aan de rechterhand met het hart naar binnen gericht; bij een verloving wordt de ring gedragen aan de rechterhand met het hart naar binnen gericht; en als men getrouwd is wordt de ring gedragen aan de linkerhand met het hart naar binnen gericht. Meteen komen er tientallen vragen in mijn hoofd. Hoe komt die ring daar? Was het idee achter die ring algemeen bekend in Groningen? Heeft iemand die ring hier vervaardigd? Of is er ooit iemand in Ierland geweest, en wat deed die daar? Wie droeg de ring? Waarom is die hier verloren gegaan? Ik was, of ben nog steeds, een beetje overdonderd door deze ontdekking. Het is alsof mijn gedeelde liefde voor Groningen en Ierland -de twee plekken ter wereld die ik ‘thuis’ noem- hier op wonderbaarlijke wijze wordt verenigd.

Fransumer Voorwerk en Kerkje Harkema

Ik verlaat de wierde van Fransum in zuidelijke richting. Ten zuidoosten van de wierde ligt het gehucht ‘Fransumer Voorwerk’. Volgens het schoolmeesterrapport van Den Ham & Fransum uit 1828 bestaat het gehucht uit twee boerderijen en een huisje. De schoolmeester legt de naam van het gehucht fantasievol uit: ‘‘De naam is waarschynlyk afkomstig doordien de oude Hunnen er hunne voorste hutten of zomerwoningen gehad hebben, om het vee aldaar te weiden, en de visschery uit te oefenen.’’ Of hij dit nou verzint of daadwerkelijk ergens op baseert weet ik niet, maar hij slaat de plank in ieder geval redelijk mis. De term ‘voorwerk’ gaat over de functie die de boerderijen hadden als voedselproductiecentra van het klooster van Aduard, zoals we eerder hebben gezien tijdens deze tocht.

Opeens doemt er een groot figuur voor mij op. Ik tuur in de verte en kan zien dat het een beeld is. Als ik dichterbij kom, valt mijn mond open. Daar, eigenwijs uitkijkend over de weilanden, staat het Vrijheidsbeeld. Wel een wat verkleinde versie natuurlijk, maar toch. Ze staat niet in een miljoenenstad, maar op een erf van een boerderij. Maar het wordt nog meer bizar. Achter het Vrijheidsbeeld staat een kerkje. En niet zomaar een kerkje, een klein Walt Disney-achtig kerkje. Eromheen staan beelden en andere wonderlijke bouwsels. Er zijn slingerende grachten met bruggetjes en loslopende eenden. Dit is het werk van de in 2011 overleden boer Albert Harkema. Hij begon met het uitgraven van een gracht, en bouwde daarna een miniatuurversie van een traditionele kop-en-romp boerderij. Daar woonden zijn eenden. Daarna begon hij met wat zijn levenswerk zou worden: zijn kerk. Hij heeft het hele ding eigenhandig gebouwd, met wel 12.000 stenen. Na dertien jaar was het klaar, compleet met kerkbankjes, preekstoel en Maria-beelden. Kerkje Harkema is nu een toeristische attractie met een theehuis. 

Het 'vrijheidsbeeld'

Kerkje Harkema

Het theehuis is in de wintermaanden dicht dus ik besluit weer richting huis te keren. De harde wind heb ik nu in de rug en in 35 minuten ben ik thuis. Ik voel me heel blij – ik ben het nieuwe jaar weer begonnen met nieuwe ervaringen, bijzondere verhalen en prachtige plaatsen, en dat allemaal op fietsafstand van de stad. 

Fietsen door de Groninger weilanden - dat geeft mij zeker een gevoel van vrijheid!

Bronnen

- Sipkens, S. ‘‘Den Ham,’’ Schoolmeesterrapporten D-E, Groninger Archieven, http://www.groningerarchieven.nl/bronbewerkingen/schoolmeesterrapporten/d-e/den-ham
- ‘‘De Geschiedenis van Kerkje Harkema,’’ Kerkje Harkema, http://www.kerkjeharkema.nl/page/geschiedenis
- ‘‘Den Ham,’’ Stichting Oude Groninger Kerken, 08-02-2015, https://www.groningerkerken.nl/kerken/print_kerk.php?id=5
- ‘‘Kerkje Harkema en theehuis,’’ Toerisme Groningen, http://toerisme.groningen.nl/over-groningen/groningen-op-de-kaart/bedrijfdetails/2982/kerkje-harkema-theehuis
- ‘Fransum,’’ Stichting Oude Groninger Kerken, 08-02-2015, https://www.groningerkerken.nl/kerken/print_kerk.php?id=9
- ‘‘Piloersema of de Hamsterborg te Den Ham,’’ Het verhaal van Groningen, http://www.hetverhaalvangroningen.nl/verhalen/piloersema-of-de-hamsterborg-te-den-ham 
- ‘‘Uit de Bodem,’’ Fransum, http://www.fransum.nl/
- ‘‘Vroeger,’’ Piloersemaborg, http://www.piloersema.nl/vroeger.html

maandag 9 februari 2015

Fietstocht van Stad naar Westerkwartier, deel 1/2

Op een zonnige dag in januari besloot ik de fiets te pakken en richting Dorkwerd, Aduard, Den Ham en Fransum te gaan. Het waaide hard maar dat maakte niet uit, want het werd een prachtige tocht. Ik heb de beschrijving ervan opgedeeld in tweeën. Deze keer het eerste gedeelte: Dorkwerd – Steentil – Aduard.

Die ochtend had ik eigenlijk op het weerbericht moeten letten, maar toen ik wakker werd en enkel een stralende blauwe lucht vanuit mijn slaapkamerraam zag, vergat ik dat spontaan. Enthousiast pakte ik de kaart erbij en speurde naar een fietsroute over het Groningse platteland. Ik zocht iets waar ik vanuit de stad heen zou kunnen, en nog niet geweest was. Mijn oog viel op de omgeving Den Ham, net ten noorden van Aduard. Snel pakte ik mijn rugzakje in en ging ervandoor.

Na ongeveer vijf kilometer begon ik me al af te vragen of het wel zo’n goed idee was om nou juist vandaag te gaan fietsen. Hoewel de lucht een heldere kleur blauw had en de lage winterzon fabelachtig over de landerijen scheen, was het koud en waaide het hard. Heel hard. Tip: ga met windkracht zes nooit vol tegen de wind in fietsen, zeker niet door de weilanden van het Noord-Groningse platteland. Maar, dacht ik, het is begin januari en ik wil mijn nieuwe jaar goed starten, dus doorfietsen! De wetenschap dat ik op de terugweg de wind in de rug zou hebben, was gelukkig een geruststellende gedachte.

Ik besloot via de wijk Reitdiephaven de stad te verlaten, de weg die ik ook nam toen ik langs het Reitdiep van Stad naar Zoutkamp ging fietsen. Dat ik nu weer voor deze route koos, had, eerlijkheid gebiedt te zeggen, in eerste instantie niet zozeer te doen met de mooie omgeving, als wel met het feit dat ik na vier jaar Groningen nog altijd verdwaald raak in de stad. Deze route kende ik en zo kon er dus niets mis gaan – dacht ik. Ik verloor iets van mijn zelfverzekerdheid toen ergens de weg opengebroken lag en ik alsnog om moest fietsen. Maar hoezee, op een gegeven moment raakte ik verzeild op het goede pad en liet de stad achter me.

Van Starkenborghkanaal bij Dorkwerd


Dorkwerd

Voor me zag ik Dorkwerd al opdoemen; dit eeuwenoude wierdedorp aan de westelijke oever van het Reitdiep wordt nu bijna opgeslokt door de immer uitbreidende stad. In een artikel uit 1930 staat dat het dorp Dorkwerd zo’n vijfenhalve kilometer buiten de stad ligt. Nu is het niet meer dan een steenworp.
De wierde lag rustig te schitteren in het zonnetje. Een aantal schapen aan de kant van de weg stonden dicht tegen elkaar aan, zodat ze het minst last hadden van de ijzige wind. Ik heb al eens eerder kort over Dorkwerd geschreven, maar het blijft een bijzondere plaats. Het bestaat uit een handjevol huizen, boerderijen en een kerk. In 2008 woonden er 25 mensen. Dat was ooit wel eens anders. In een schoolmeestersrapport uit 1828 noteert dhr. Guikema jr. dat er 117 mensen in Dorkwerd woonden, verspreid over 17 huizen. Ook vermelde hij dat er 254 runderen, 55 paarden, 251 schapen en 31 ‘zwynen’ in Dorkwerd vertoefden.

Dorkwerd

Dorkwerd

De schoolmeesterrapporten zijn een ware schat voor de historicus. In het jaar 1828 stuurde de Commissie van Onderwijs een uitgebreide vragenlijst aan de schoolmeesters van veel Groninger plaatsen. Daarmee wilden ze informatie verzamelen waarmee ze een kaart van de provincie konden samenstellen. De vragenlijst bevatte naast geologische en topografische onderwerpen ook vragen over middelen van bestaan, cultuur, gewoonten en taal. Sommige schoolmeesters stuurden een uitgebreid antwoord op; anderen waren uiterst summier. Schoolmeester Guikema van Dorkwerd had, zoals we hier boven konden lezen, zijn uiterste best gedaan om zo precies mogelijk antwoord te geven.

In 1828 kende Dorkwerd dertien boeren, twee boerenarbeiders, een herbergier (er heeft heel lang een café op de wierde gestaan), twee slagers, een timmerman en dus ook een onderwijzer. Er bestond een leesgezelschap en een zangclub. Dat klinkt als een vrome gemeenschap, maar niets is minder waar. Dhr. Guikema hield alles goed in de gaten in Dorkwerd en constateerde schokkende zaken over de jeugd in het dorp. Die waren namelijk geheel van God los. De welbekende negentiende eeuwse kuisheid was in Dorkwerd ver te zoeken. Het is jammer dat er in die tijd nog geen camera’s en tv’s waren want MTV zou er zeker een ‘Reitdiepshore’ uit hebben kunnen slaan.

Naast al het harde boerenwerk van die tijd waren de Dorkwerders ook wel eens toe aan ontspanning. Die ontspanning werd vaak gevonden in het bezoeken van kermissen, het schaatsen in de winter, en ‘harddraveryen’; een soort stierenrennen maar dan met paarden. Maar het ware feest begon pas als het buiten donkerder werd. Dan voegden de ‘‘ongehuwden van beide seksen’’ zich bij elkaar en barstte het los. Met name na het schaatsen werd er onder de jongeren ‘‘niet weinig bemind’’. Zij vermaakten zich met ‘‘liefkoozingen, scherts, gezang, geschreeuw, met het overvloedig genot van brandewyn, jenever of wyn, en rekken dit vermaak zoo lang als hunne beurs of de tyd het gedoogt, hetwelk wel eens des morgens 3, 4 of 5 uren wordt. […] De beschrevene verrigtingen dragen hier en elders den naam van vryen, welke zy met regt verdienen; want het is geen wonder, zoo een jongman in korten tyd op deze wyze met 10, 20 ja 30 meisjes verkeert.’’ Dat is niet mis, zelfs voor een man vandaag de dag is dertig dames in korte tijd een redelijk imposante actie. Dhr. Guikema probeert het gedrag van zijn mede-dorpsbewoners nog enigszins goed te praten door te stellen dat verkering met meerdere meisjes (die hij ongeëmancipeert ‘voorwerpen’ noemt) niet geheel slecht is, ‘‘om in de keuze van eene echtgenoote niet geheel te dwalen’’. Maar, zegt hij, ook al is het een grote zeldzaamheid in Dorkwerd, uit dit gedrag kunnen ook minder wenselijke gevolgen komen. Het is niet moeilijk te raden waarop hij doelt.

Zodra de beste man dan uiteindelijk een keuze had gemaakt voor een ‘voorwerp’ uit Dorkwerd, was er weer een nieuw reden voor een feest: de bruiloft. Ook hier zat ik met verbazing te lezen over het ongeneerde gedrag dat tentoongesteld werd. Na afloop van het feest, ergens midden in de nacht, verzochten de vrouwen alle aanwezige mannen inclusief de bruidegom om het vertrek te verlaten, ‘‘hetwelk dikwyls vele moeite kost’’. Daarna ontkleeden zij de bruid, en brengen haar naar bed. Dan gaan de vrouwen weg en komen de mannen weer binnen en ontkleeden dan de bruidegom, ook ‘‘dikwyls met groote moeite’’ (dat heeft ook vast iets met brandewijn en jenever te maken). Dan  brengen zij hem bij de bruid in bed. Daarna kwamen de vrouwen ook weer binnen, en keek men lacherig naar het uitgekleede koppel dat daar in bed lag. Ik weet niet wat ik me daarbij voor moet stellen maar het lijkt me nou niet de meest romantische huwelijksnacht. Dan verlaten de aanwezigen de slaapkamer met ‘‘kieschheid [kuisheid] beleedigende en eerbaarheid kwetsende gelukwenschingen.’’ Wat hier gezegd werd kunnen we ons enigszins indenken, maar dhr. Guikema vond het te schunnig om te herhalen: ‘‘De hierby plaatshebbende, en de daar uit voortvloeÿende gesprekken wil ik den lezer liever laten raden dan beschryven.’’ Terwijl het paar aan hun huwelijksnacht begon (of dat nu slapen, geld tellen of iets anders was), dronken de gasten nog eens vrolijk een kop koffie en gingen toen -uiteindelijk- ook huiswaarts.

Dhr. Guikema is uniek in het zo gedetailleerd beschrijven van deze gewoonten. Het lijkt nu wel of het in Dorkwerd een ruige boel was, maar laat het duidelijk zijn dat het natuurlijk niet het enige dorp was waar dit soort dingen gebeurde. Dat gebeurde overal – ook in de rest van Groningen, in heel Nederland en zelfs Europa. Er is niets zo onwaar als kuisheid en de onthouding van seksuele driften in de negentiende eeuw. Achter gesloten deuren en in de donkere nacht gebeurden er allerlei dingen die niet mochten. Ook in Engeland, waar kuisheid tijdens de Victoriaanse tijd op z’n hoogtepunt was, waren verboden zaken des te aantrekkelijker. En men wist het ook van elkaar; men wist dat het gebeurde, maar sprak er niet over. Andere schoolmeesterrapporten draven door over hun vrome, nette, zedelijke gemeenschap waar nooit iets liederlijks gebeurde. Dhr. Guikema jr. was zo eerlijk om niet mee te gaan in deze illusie en daarmee is hij één van de weinige schoolmeesters die zo oprecht heeft geantwoord op de vragen van de Commissie.

De school van Dorkwerd heeft nog geen eeuw bestaan, vanwege een tekort aan kinderen. In 1901 werd de school verlaten en moesten de kinderen naar de school aan de Friese Straatweg, in de stad Groningen. Op de laatste dag schreef de toenmalige onderwijzer het volgende op het krijtbord: ‘‘Wij zeggen de oude school vaarwel. ’t Wordt hier nauw zo muffig. Ze voldeed ons vroeger nog zoo wel. Men wordt hier nu zoo duffig.’’

Steentil en Aduard

Ik fiets verder en kom bij een kruising van waterwegen; hier snijden het van Starkenborghkanaal en het Aduarderdiep elkaar. Het ziet er prachtig uit, zo in het laaghangende zonnetje. Ik stop op een hoge brug. Deze brug over het Aduarderdiep heet de Steentil, en behoort tot één van de oudste bruggen van de provincie. Er staan nog enkele huisjes; dit gehucht heet ook Steentil. Een prachtig pand ligt uit te kijken over het water, dit was eerder het schippercafé.

Het Aduarderdiep is uitgegraven in opdracht van de Cisterciënzer monniken van het eens zo machtige klooster in Aduard. Op die manier werd het transport van goederen en personen en de aan- en uitvoer van zoetwater vergemakkelijkt. Deze monniken hebben waarschijnlijk ook de opdracht gegeven om de Steentil te bouwen, om zowel weg- en waterverkeer te reguleren. 

Op de Steentil, kijkend naar de kruising van de twee waterwegen

De invloed van het klooster te Aduard over de omliggende gebieden was erg groot, dat is zowel te merken in de geschiedenisverhalen als in het landschap. Zelfs heden ten dage nog: naast het Aduarderdiep en de Steentil is dit ook te zien in de vorm van dijken en boerderijen.

Ten tijde van de vestiging van het klooster, in 1192, waren er namelijk nog geen dijken in de Ommelanden. Zodoende werd het gebied telkens overstroomd. Het klooster heeft zich eeuwenlang ingezet voor bedijking en inpodering. Ook richtten de monniken het Aduarderzijlvest op, het eerste waterschap van de provincie Groningen. De kloostergemeenschap bestond uit ongeveer 100 monniken en meer dan 500 lekenbroeders. Kloosters waren in de Middeleeuwen niet alleen gebedsoorden, maar ook centra van macht, bestuur, wetenschap en handel. Het klooster bezat zo’n 6000 hectare land en vele ‘voorwerken’; dit zijn boerderijen waar producten werden geteeld die bestemd waren voor het klooster. Hiervan zijn nog veel overblijfselen te vinden. 

In Aduard kom ik langs de kerk, een restant van het klooster. Vroeger was dit de ziekenzaal. Zelfs in de stad Groningen is nog een restant van het klooster te vinden, namelijk het ‘refugium’; een soort stadshuis. Maar ik ga nog niet terug naar de stad. Volgende keer het tweede gedeelte van deze tocht.

Volgende keer: Aduard – Den Ham – Fransum – Kerkje Harkema.

Bronnen

Groenendijk, H., H. van der Plicht & H.J. Streurman. ‘‘Steentil, an early stone bridge in the monastic landscape of Groningen, the Netherlands.’’ Journal of Archaeology in the Low Countries 4, no. 1 (oktober 2012). 

Guikema, H., jr. ‘‘Dorkwerd,’’ Schoolmeesterrapporten D-E, Groninger Archieven, http://www.groningerarchieven.nl/bronbewerkingen/schoolmeesterrapporten/d-e/dorkwerd

Historische kring Ubbenga. ‘‘Dorkwerd en Wierum,’’ Kronieken Stad en Ommeland, Nieuwsblad van het Noorden, 1930, via http://www.ubbega.nl/pdf-files/Dorkwerd%20en%20Wierum.pdf

X. ‘‘Klooster,’’ Historische Vereniging Aduard, http://www.aduard-historie.nl/klooster_a.php