Posts tonen met het label Langs het Boterdiep. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Langs het Boterdiep. Alle posts tonen

zondag 17 augustus 2014

Langs het Boterdiep: van Rottum naar Uithuizen

Deze zomer reis ik langs het Boterdiep van Groningen naar Uithuizen en zal verslag doen van alle mooie en bijzondere plekken die ik onderweg tegenkom. Mijn doel is om te laten zien dat ook dichtbij huis prachtige plaatsen te vinden zijn, allen met hun eigen verhaal. Deze keer blog ik over het negende en laatste gedeelte: van Rottum naar Uithuizen.

Vlak voor het plaatsje Rottum slaat het Boterdiep abrupt rechtsaf, oostwaarts. Een paar kilometer lang hobbel ik over het kleine paadje ernaast, de Trekweg, tussen de weilanden en akkers door. Aan mijn linkerhand ligt Elswerd, een kleine wierde met een enkele boerderij erop. Aan mijn rechterhand zie ik de Knijp, een pietepeuterig buurtschapje gelegen aan een doodlopende weg vanaf Zandeweer.

Ik arriveer in het dorpje dat het meest gefotografeerde plaatsnaambord van Nederland bezit. Doodstil is niet alleen een bekende plaats in Groningen, maar ook in de rest van Nederland, ook al bestaat het dorp zelf uit niet meer dan een paar huizen langs het Boterdiep. Het is, wat men noemt, een woon- en slaapdorp. Ooit was het eens een levendige plek. Het had een haventje waar geladen en gelost werd. Er waren ambachtswinkels te vinden. De aanleg van de grote autowegen en spoorwegen maakte hier een einde aan. Het is er nu, tja, eigenlijk gewoon doodstil. Er bestaan meerdere theorieën over het ontstaan van de plaatsnaam Doodstil. Eén misverstand moet gelijk de wereld uit worden geholpen: het is niet dood-stil, maar doods-til. Een ‘til’ is een brug. Volgens de voormalige schoolmeester werd de brug aangelegd zodat de personen woonachtig in deze streek hun doden konden begraven in Zandeweer. Het was dus een Dodentil. Een andere verklaring stelt dat er eens een brugwachter was met de naam ‘Doede’ of ‘Dode’. Het was dus Dode’s til. Nog een andere theorie vertelt het verhaal van een begrafenisstoet die óf door de brug heen was gezakt, óf met een bootje onder het diep over stak, waarbij de kist in het water plonsde. De aanwezige mensen waren er doodstil van. Hoe het ook zij – de naam Doodstil heeft altijd tot de verbeelding gesproken.


Doodstil is ook de achtergrond waartegen een tragedie heeft plaatsgevonden. In 1837 was de 22-jarige Okke Kluun aan het kaartspelen in Uithuizen. Het ging niet goed, en al snel was het geld op. Hij gokte en verloor, en het beetje geld dat resteerde gaf hij uit aan drank. De dronkaard waggelde na zijn laatste potje terug naar het huisje aan de Maarweg in Doodstil, om geld te halen. Hij had jammer genoeg zelf niets meer. Hij eiste geld van zijn kostvrouw, die weigerde. Onceremonieel sloeg hij daarop haar hersenen in met turfbijl. Daarna pakte hij haar geld en sjokte weer terug naar Uithuizen, waar hij weer aanschoof en zijn kaarten weer oppakte. Zijn veroordeling liet niet lang op zich wachten. Op 12 april 1838 werd Okke opgehangen op de Grote Markt in Groningen. Hij was de laatste persoon die de doodstraf kreeg in Groningen. Er stonden groepjes mensen op de Grote Markt te kijken. Ze waren doodstil.


Uiteindelijk kom ik aan in Uithuizen, de eindbestemming van deze tocht langs het Boterdiep. Vroeger liep het kanaal nog verder het dorp in, maar dit gedeelte is nu gedempt. Het diep eindigt nu bij de Havenweg. Hier was het vroeger een drukte van belang. Uithuizen is nog steeds een redelijke plaats. De grote trekpleister is natuurlijk de Menkemaborg, de best bewaarde borg in Groningen. Ik wandel er wat rond, en eet een Gronings mosterdsoepje op het terras. Het is zeker niet de eerste keer dat ik een bezoekje breng aan de borg, maar de schoonheid ervan doet me altijd nog even met mijn ogen knipperen. In een gevelsteen uit 1614 staat ‘‘Anno 1400 is Menckemahuis vernelt. Anno 1614 dorch Gods gnade gereparert.’’ Het is dus aan te nemen dat er voor de huidige borg ook al een ouder huis heeft gestaan, dat is afgebroken. De eerste Menkema die wordt genoemd, in 1376, is een rechter genaamd Eppo Menkema. In de eeuwen daarna komt de borg in handen van mensen met de meest fantastische namen, zoals Osebrandt en Unico. Na het overlijden van de laatste bewoner van de borg, Gerard Alberda van Menkema, kwam de borg in 1902 leeg te staan. Het werd door erfgenamen geschonken aan het Groninger Museum en is nu een museum dat het leven van Groningse jonkers laat zien.




Ik wandel over de lange, chique oprijlaan van de Menkemaborg. De bomen torenen hoog de lucht in. Het is het eind van de tocht. Wat heb ik veel plaatsen aangedaan, bijzondere verhalen ontdekt en mooie plekken gezien. Hoewel het nu vooral een kanaal voor de pleziervaart is, was het Boterdiep in vroeger tijden een belangrijke bron van werkgelegenheid en inkomen, voor alle dorpen die aan en langs het water lagen. Het was een levensader voor velen, zoals waterwegen, groot of klein, altijd zijn en ook zullen zijn. Het Boterdiep loopt door prachtige wierdedorpen en passeert schitterende borgen en kerkjes. Noord-Groningen is een gebied vol geheime parels. Stap in de auto, stap op de fiets, en kijk maar eens goed. 



Dit was het laatste gedeelte van mijn reis langs het Boterdiep.

maandag 11 augustus 2014

Langs het Boterdiep: van Toornwerd naar Rottum

Deze zomer reis ik langs het Boterdiep van Groningen naar Uithuizen en zal verslag doen van alle mooie en bijzondere plekken die ik onderweg tegenkom. Mijn doel is om te laten zien dat ook dichtbij huis prachtige plaatsen te vinden zijn, allen met hun eigen verhaal. Deze keer blog ik over het achtste gedeelte: van Toornwerd naar Rottum.

Dat het noorden van de provincie Groningen een wierdenlandschap heeft, mag als geen verrassing komen. Des te noordelijker ik kom, des te meer kleine dorpjes en gehuchten liggen op zo’n verhoging, veilig voor de woeste zee daar in de verte. De bebouwing van die dorpjes is heel kenmerkend radiaal. Zo ook Kantens. In het midden, op het hoogste punt, staat de kerk. Daaromheen loopt een ringweg waar vier wegen aan vast zitten. Als je van bovenaf kijkt, is het net of een kindje een tekening van een de zon heeft gemaakt; een cirkel met streepjes eraan vast. Het Boterdiep is dwars door de wierde heen gegraven. In het dorp wonen zo’n 750 mensen. In de eerste drie kwartalen van de negentiende eeuw ging het Kantens voor de wind. Het was zelfs 202 jaar lang een eigen gemeente. Hier vielen naast de kerkdorpen Kantens, Zandeweer, Rottum, Stitswerd en Eppenhuizen, ook de gehuchten Doodstil, Eelswerd, Holwinde en Startenhuizen onder. In 1990 is de gemeente Kantens met de omliggende gemeenten Usquert, Warffum en Hefshuizen opgegaan in de nieuwe gemeente Eemsmond.


Ik wandel op mijn gemakje door het dorp. Er fietsen enkele mensen en ik hoor iemand het grasmaaien. Bewonderend loop ik een rondje om de mooie, goed onderhouden kerk. De toren is omstreeks 1200 gebouwd, de kerk iets later. Op de kerktoren staat geen haantje maar een leeuw, zoals ik inmiddels vaker ben tegengekomen op mijn ontdekkingsreis langs het Boterdiep. De leeuw symboliseert de familie Lewe, het invloedrijke geslacht dat in de Ommelanden woonde. Na de Reductie van Groningen, waarbij de Ommelanden overgingen op het protestantisme, ontkwam ook dit kerkje spijtig genoeg niet aan de vernielende geestdrift van haar toenmalige kerkvolk. Tijdens de Beeldenstorm werden beelden en altaren verwijderd, muurschilderingen met witkalk besmeerd en kunstschatten op het kerkhof verbrand. Het is niet voor te stellen in dit vredige dorpje.



Even later zet ik mijn tas neer op een bankje aan het Boterdiep, recht onder de molen van Kantens. Deze molen draagt de naam ‘Grote Geert’. Wat een prachtig plekje is dit. De wieken van de molen worden reflecteert in het water, waar enkele eendjes in watertrappelen. Aan de waterkant grote, gevaarlijke berenklauwen met hun grote, witte bloemen. Daarboven de blauwe lucht met plukjes wolken. De koren- en pelmolen Grote Geert werd in 1818 gebouwd en in 1852 verhoogt. Tijdens deze verhoging werd een gedicht aangebracht op de gevelsteen boven de dichtgemetselde westelijke ingang: Toen men 1818 telde / En onze Heer mij hier stelde / Ben ik na een tijd van dertig jaar / Doorstaan van stormen en gevaar / Verhoogt hieronder mijne stelling / Van ruim drie ellen. De naam ‘Grote Geert’ stamt pas uit de eerste helft van de twintigste eeuw. De toenmalige molenaar Geert Nienhuis zag vanaf de stelling zijn zoon beneden lopen en voelde zich bijzonder groot. Hij was een Grote Geert. 



Op ongeveer anderhalve kilometer ten noorden van Kantens slaat het Boterdiep abrupt rechtsaf in oostelijke richting. Dit gebeurt ongeveer ter hoogte van Eelswerd. Dit gehucht bestaat uit een wierde met wel één boerderij erop. Toch wordt de plek al voor het eerst genoemd in het jaar 1000. Toen stonden er meerdere boerderijtjes, die allen samen zijn gegaan tot één grote. Dat het in ieder geval groter is dan nu, is te merken aan het feit dat Eelswerd zelfs een eigen kerspel vormde. De kerk moet op die van Stitswerd hebben geleken. Helaas was de kerk geen lang leven beschoren. In 1568 verkeerde het al in een staat van vervallenheid en werd het gedegradeerd tot kapel. Een aantal jaar later, na de Reductie van Groningen, bleek de kerk overbodig en werd het helemaal afgebroken.

Een eindje verderop was het allemaal niet zo’n treurig gebeuren. Het plaatsje Rottum, één van de mooiste dorpen van Nederland naar mijn mening, had het beter voor elkaar. In Rottum wonen wel 95 mensen en daartoe worden ook de gehuchten Helwerd, Holwinde en Bethlehem gerekend. Er loopt echter een klein weggetje richting een hoog opgetrokken beboste wierde, waar zich een piepklein dorpje bevindt. De huizen zijn charmant, de tuinen goed onderhouden en alle drie de straatjes schoongeveegd en netjes. Overal groeien bloemen, met name rozen en papavers. Het is er stil. 


Het is moeilijk voor te stellen dat dit vergeten dorpje eeuwen geleden van groot belang was voor de noordelijke bekering tot het christendom, en bovendien een klooster bezat met macht en invloed over grote delen van Noord-Groningen. Laten we bij het begin beginnen. Volgens de overlevering stond er op de plek van Rottum, toen al een wierde, in 433 een heidense tempel. De Friezen, zoals Groningers destijds nog werden genoemd, aanbaden zowel Germaanse als Romeinse goden. Dit veranderde echter een aantal decennia later met de komst van Liudger, beter bekend als de eerste bisschop van Münster en opvolger van Bonifatius. Het was zijn taak de Friezen te bekeren tot het christendom. In Rottum liet hij naar eigen zeggen de tempel slopen en de afgodsbeelden verwijderen. De Groningers stonden, zoals het hen betaamt, aanvankelijk enigszins nuchter tegenover het christendom. Zo speelt het verhaal dat een blinde dichter genaamd Bernlef bij een ontmoeting met Liudger in Helwerd (aldus behorende tot Rottum) bewijs zocht en het volgende zei: ‘Als uw god zo machtig is, toon mij dan een teken’. Daarop legde Liudger zijn hand op Bernlef’s oogleden waardoor deze beste man gelijk weer kon zien. Dit soort wonderlijke verhalen en overleveringen zorgden ervoor dat het christendom toch een aantrekkingskracht vertoonde en dat het christendom in het hoge noorden voeten aan de aarde kreeg.

Tussen 1195 en 1210 werd op de plek van de voormalige tempel het Benedictijnse mannenklooster Juliana gebouwd, vernoemd naar de heilige Juliana, martelares uit Nicomedië. Het klooster breidde zich in korte tijd enorm uit en bezat 1184 hectare land waaronder het eiland Rottumeroog, dat naar het dorp is vernoemd. De omliggende gehuchten die ik heb genoemd, maakten allemaal deel uit van het klooster. In Bethlehem, een naam die ons nu misschien een beetje onverwacht in de oren klinkt daar in het Groningse land, stond bijvoorbeeld een nonnenklooster. Maar aan alles komt een einde. In het begin van de Tachtigjarige Oorlog, in 1587 om precies te zijn, koos de toenmalige abt Jodocus Oxius (Joost Zuur) als enige in de Ommelanden de kant van de protestanten en de Oranjes, met als gevolg dat de Spanjaarden woedend een deel van het klooster verwoestten. Wat er nog overbleef raakte de eeuwen erna alleen maar meer in verval en uiteindelijk verrees op de fundamenten van het klooster in 1889 een nieuwe, Nederlands-hervormde kerk. Een zegel van het klooster is wel bewaard en ligt in het Groninger Museum.

Ik zit op het stoepje voor de kerk, dat prachtigste locatie heeft. Natuurlijk kan ik ver kijken, de groene vlaktes strekken zich uit tot aan de horizon. De zon verwarmt mijn gezicht. Het is hier een heel gelukkig plekje, al is het maar zo’n klein stipje op de kaart.

Volgende week publiceer ik het allerlaatste gedeelte van de Boterdiep-reeks!





woensdag 6 augustus 2014

Langs het Boterdiep: van Middelstum naar Toornwerd

Deze zomer reis ik langs het Boterdiep van Groningen naar Uithuizen en zal verslag doen van alle mooie en bijzondere plekken die ik onderweg tegenkom. Mijn doel is om te laten zien dat ook dichtbij huis prachtige plaatsen te vinden zijn, allen met hun eigen verhaal. Deze keer blog ik over het zevende gedeelte: van Middelstum via Borg Ewsum naar Toornwerd.

Ik verlaat Middelstum nog niet, maar doe eerst Borg Ewsum aan. Of beter gezegd, het terrein waar zich de voormalige borg op bevond. De borg zelf is in de negentiende eeuw afgebroken, en alleen de gevechtstoren en het schathuis (of koetshuis) hebben deze uitbarsting van destructie overleefd. Het terrein is in de afgelopen twintig jaar enorm opgeknapt en dient als sociale werkplaats. De prachtige tuinen zijn vrij toegankelijk, en vol kleurige bloemen. Er is ook een vijver met zwanen, een dierenweide, een groentetuin en een boomgaard. Het koetshuis is omgebouwd tot theeschenkerij.

Het is niet moeilijk te vinden. Aan de oostkant van het Boterdiep staan de karakteristieke lindebomen en schitteren de grachten in de zon. Het is juni, dus alles staat zo’n beetje in bloei. Mijn maag rammelt, dus ik drink een kopje thee en eet een broodje op het terras, dat vol terracottapotten met bloemen staat. Het is een heerlijke plek om te zitten. Om me heen zijn de werknemers druk in de weer met kruiwagens en schoffels. Ik neus rond in het winkeltje en daarna wandel ik over het borgterrein. Het is mooi om te zien; de afgebakende tuinen, hoog en kleurig, met daarachter de groene vlakte van de omliggende weilanden.




Ooit stond hier dus een grote borg, te midden van de ruisende wind. Waarschijnlijk heeft het huis zijn roots in de dertiende of veertiende eeuw, maar dit is te betwisten. Het werd in ieder geval gebouwd door een jonker genaamd Ewe, en Ewsum is daarom ook een samentrekking van Ewe’s heem (wat zoiets betekent als Ewe’s woonplaats). De afstammelingen van Ewe namen voor het gemak daarom maar de naam van de borg als achternaam; het geslacht Ewsum was geboren. Het groeide uit tot één van de meeste invloedrijke geslachten van de Ommelanden. Ewe’s kleinzoon Onno van Ewsum erfde de borg in 1428. Hij liet heel wat verbouwen en veranderen. Zo voegde hij de geschuttoren toe, die nog steeds in tact is. De muren zijn ruim twee meter dik! Dat Onno een belangrijk man was, blijkt wel uit het feit dat hij de mogelijkheid had om samen met de burgemeester van Groningen naar het Heilige Land te reizen om zich daar te laten ridderen. Helaas waren deze reizen vaak niet zonder gevaar. De Groningers werden gevangengenomen door de Saracenen, waarbij de burgemeester om het leven kwam, maar Onno zich vrij wist te kopen. Toen hij goed en wel in het opeens veel rooskleuriger lijkende Middelstum terugkeerde, bouwde hij daar de St. Hippolytuskerk als dank aan God. Onno was hoogstwaarschijnlijk de rijkste hoofdeling onder de Ommelanders in die tijd. Zijn zoon Wigbolt liet Borg Nienoord bouwen, in Leek. Borg Ewsum heeft daarna nog veel kleurrijke eigenaren en bewoners gekend, die twijfelden tussen de Spanjaarden en de opstandelingen, delen van de borg sloopten en bouwden, en in tijden van rijkdom en in tijden van schulden leefden. In de negentiende eeuw was de borg dusdanig vervallen, dat het werd afgebroken.




Ik verlaat Borg Ewsum en loop terug naar Middelstum. Ik volg het Boterdiep tot ik bij een trappenbruggetje aankom. Er staat een bordje bij die over het water in noordelijke richting wijst. ‘Oude Kerkpad’, lees ik. Dwars door de weilanden loopt een klein, kaarsrecht weggetje. De hoge grassen wuiven gedwee in de wind. In de verte zie ik wat bossen liggen met enkele huisjes. En zie ik daar nou een torentje? Dat moet het kleine dorpje Toornwerd zijn. Het dorpje ligt op een vijf meter hoge wierde, die deels afgegraven is. De nabijheid van het Boterdiep zorgde ervoor dat deze vruchtbare grond gemakkelijk getransporteerd kon worden. De wierde had oorspronkelijk een soort ‘rondweg’, ook wel ossengang genoemd, rondom een grote vijver. Die vijver is nu gedempt maar nog steeds duidelijk te zien. Het paadje waarop ik loop komt uit op de ossengang, waar nog steeds prachtige oude huisjes staan. Er woonden in 2011 welgeteld 91 mensen. Ik wandel door deze stille, idyllische plaats. Om de zoveel meter staan bordjes met daarop een Gronings gedicht. Stokrozen bloeien weelderig tegen oude stenen muren en een oud mannetje zit op een bankje van de zon te genieten.




Toornwerd is een soort radiaal wierdedorp, dus het is niet moeilijk bij het hoogste punt te komen. Een zwerfkat komt mij luid miauwend voorbij lopen. Hij stopt even zodat ik ’m kan aaien, en loopt daarna door, zijn woord nog immer uit volle borst verkondigend. Omringd door bossen ligt hier een volle begraafplaats, met in het midden een statige klokkentoren. De kerk is niet meer. Er stond ooit een kapel, gesticht door een van Ewsum-telg. Toornwerd was toentertijd een zelfstandige parochie. Na de Reductie van Groningen in 1594, toen alle andere religies dan het protestantisme werden uitgebannen, werd Toornwerd bij Middelstum gevoegd en moesten de inwoners over het kerkpad naar hun nieuwe gebedshuis lopen. Dit pad ligt er dus nog steeds. Het torentje van de voormalige kerk brandde in de achttiende eeuw af. In 1894 is er een nieuwe gebouwd. In deze toren hangt nog steeds de klok uit 1622, gemaakt door de schoonvader van één van de van Ewsum-dames. Deze luidt iedere zaterdag nog. 



Op de terugweg kom ik de zwerfkat nog een keer tegen. Hij blijft maar luid miauwen alsof hij de baas van het dorp is en daarom veel te zeggen heeft. Ondanks dat hij een zwerver is, is de kat gezegend met een statig uiterlijk en kijkt hij me met een intelligente blik aan. Ik besluit hem Onno van Ewsum te noemen.

maandag 28 juli 2014

Langs het Boterdiep: van Stitswerd naar Middelstum

Deze zomer reis ik langs het Boterdiep van Groningen naar Uithuizen en zal verslag doen van alle mooie en bijzondere plekken die ik onderweg tegenkom. Mijn doel is om te laten zien dat ook dichtbij huis prachtige plaatsen te vinden zijn, allen met hun eigen verhaal. Deze keer blog ik over het zesde gedeelte: van Stitswerd naar Middelstum.

Ik verlaat Stitswerd op dezelfde manier als ik er gekomen ben; terug over de lange en eenzame weg tot ik weer uitkom op de Onderdendamsterweg. Terug naar het Boterdiep. Ik sla linksaf richting Middelstum. Aan mijn rechterhand glinstert het water. Onderweg kom ik langs het gehucht Fraamklap. Dit is nou een typisch voorbeeld van een plaatsnaam die mij om onverklaarbare redenen intrigeert. Het gehucht zelf stelt niet veel voor, maar bestaat grotendeels uit een aantal gebouwen rondom een brug en een bedrijventerrein. Ik begrijp dat het ‘klap’ uit Fraamklap te maken heeft met de brug over het Boterdiep. Maar vanwaar dan dat ‘Fraam’? Enig onderzoek vertelt mij dat dit verwijst naar een voormalige borg genaamd ‘Fraam’. Deze borg stond echter in Huizinge, toch een kleine vier kilometer verderop. De naam ‘Fraamklap’ gaf aan waar men moest afslaan en dus het water moest oversteken om bij deze borg te komen. Het gehucht is vooral bekend vanwege het café dat zich er bevindt; café Tuitman.

Het café laat ik aan me voorbij gaan en ik volg het Boterdiep Middelstum in. Hier ben ik vaker geweest en nog immer waardeer ik de radiale wierdestructuur en het historische centrum van het dorp. Ondanks dat het midden in de week is, is het er heel rustig. De straten zijn uitgestorven. Ik loop  midden op de weg tot ik bij de kerk uitkom. Dit is heel gemakkelijk met zo’n radiale structuur: alle wegen lopen naar de kerk, letterlijk en figuurlijk het schitterende middelpunt van het dorp. Deze laat-gotische St. Hippolytuskerk werd in 1445 gebouwd in opdracht van de machtige hoofdeling Onno van Ewsum, telg uit het adellijke Ewsum-geslacht waar in mijn volgende artikel nog veel meer over volgt. Diens zoon vergrootte de kerk nogmaals in 1523.




Het dorp zelf bestond waarschijnlijk al veel langer; het wordt voor het eerst genoemd in een document dat stamt uit het jaar 945. Al snel groeide Middelstum uit tot een belangrijke plaats waar meerdere borgen stonden die bewoond werden door adellijke families, zoals de Borg Mentheda, Borg Asinga en Borg Ewsum. Van de eerste is helaas niets terug te vinden, van de laatste twee wel. In het midden van het dorp staat nog het poortgebouw van borg Asinga. Deze borg stond achter de kerk. Of beter gezegd; de kerk stond binnen het terrein van de borg. Nu is alleen de noordelijke gracht nog intact, en het poortgebouw. Deze Asingaborg heeft door de jaren heen vele verschillende, bijzondere eigenaren gekend. In de zestiende eeuw kwam het in handen van een meneer met de wonderlijke naam Hercules van Ewsum. Ja, er heeft een Hercules in Middelstum gewoond, dat pimpt het dorp natuurlijk wel een beetje op. Hij bouwde een huis op het terrein van de Asingaheerd, zoals het toen heette, maar moest door een financieel opstootje het terrein overdragen aan iemand anders. Hercules verhuisde daarom naar Winsum. Ook daar ging het jammer genoeg niet goed met zijn bezit. Het begin van de Tachtigjarige Oorlog deed hem de das om, aangezien hij niet in de smaak viel bij de Spanjaarden. In 1568 werden zijn bezittingen verbeurd verklaard, het zat hem niet mee.


 Andere bijzondere eigenaren van de Asingaheerd waren de steenrijke Everardus Everardi ab Emda en zijn vrouw Albertien Veelcker. Zij hebben in 1611 het poortgebouw laten bouwen, die tot op de dag van vandaag nog te zien is. Het familiewapen en het jaartal zijn nog te zien. Dit poortgebouw was echter niet een alledaagse. Everardus en Albertien hadden namelijk de Reformatie aan zich voorbij laten gaan en waren katholiek gebleven, iets waar je bij het merendeel van de bevolking destijds niet veel pluspunten mee verdiende. Het poortgebouw had daarom een dubbelrol als schuilkerk, waar Everardus en Albertien in het geniep hun godsdienst konden uitoefenen.

Halverwege de achttiende eeuw kwam de borg in handen van een meneer die daar helemaal geen zin in had. Fanatiek begon hij met de sloop van de borg, waarbij alleen de schuur en het poortgebouw gespaard werden. Het poortgebouw werd daarna meerdere malen ter huur aangeboden, maar kon op weinig enthousiasme rekenen. Pas veel later, begin twintigste eeuw, werd het gebouw gerestaureerd. Van het borgterrein is nu een gedeelte bebouwd, en een gedeelte park.


Ik verlaat het poortgebouw van de Asingaborg en loop via de Asingalaan richting het water. In de straat kom ik nog meer oude gebouwen tegen, zoals de zeventiende-eeuwse herberg De Valk. Er staat een bankje aan de waterkant. Terwijl ik in de zon zit komt er een dapper eendje op mij afzwemmen, met wie ik een koekje deel. Het Boterdiep werd in 1660 doorgetrokken van Bedum via Middelstum naar Kantens. De weg die er naast loopt, heet uiteraard de Trekweg: hier liepen de mannen, vrouwen en paarden te zwoegen om de schuit te trekken. Deze verbinding bracht economische voordelen met zich mee, en binnen de korte keren stonden er verschillende molens en fabrieken in Middelstum.



Tijd om weer verder te gaan, maar ik verlaat Middelstum nog niet. Het Boterdiep stroomt noordwaarts, langs Borg Ewsum. Daar zal ik volgende keer een bezoekje aan brengen.





dinsdag 22 juli 2014

Langs het Boterdiep: van Onderdendam naar Stitswerd

Deze zomer reis ik langs het Boterdiep van Groningen naar Uithuizen en zal verslag doen van alle mooie en bijzondere plekken die ik onderweg tegenkom. Mijn doel is om te laten zien dat ook dichtbij huis prachtige plaatsen te vinden zijn, allen met hun eigen verhaal. Deze keer blog ik over het vijfde gedeelte: van Onderdendam naar Stitswerd.

Naast het Boterdiep loopt de vrijwel rechte weg van Onderdendam naar Middelstum. Halverwege staat een verkeersbordje dat naar links wijst. Daar loopt één enkel weggetje, dat in de noordelijke richting tussen de weilanden verdwijnt. Er is niets anders te zien dan groen gras, enkele boerderijen en wat koeien. Dit moet de weg naar Stitswerd zijn. Stitswerd ligt dus niet zoals Onderdendam of Middelstum direct aan het Boterdiep, maar op ongeveer drie kilometer afstand. Ik fiets, met keiharde tegenwind, het weggetje op. Ik hoor een boos geluid naast me en zie een zwaan beschermend haar vleugels om haar jongen slaan terwijl ze me een vernietigende blik toewerpt. Na twee kilometer zie ik nog steeds niets opdoemen in dit weidse landschap.



Ik verwacht ook niet veel; het dorpje zelf heeft immers maar ongeveer 65 inwoners. Met de omliggende boerderijen erbij gerekend kom je op het astronomische inwoneraantal van 120 personen. Plotseling zie ik een groep auto’s langs de kant van de weg staan. In mijn ooghoeken zie ik wat in de lucht bewegen. Het dringt tot me door dat dit een modelvliegveldje moet zijn. Ik passeer een kruising, waarbij er een weg naar Kantens loopt. Voor me doemt een groene cirkel van bossen op in het verder zo lege landschap. Dit is altijd een teken van (vroegere) bewoning. En inderdaad, weldra bereik ik het plaatsnaambordje ‘Stitswerd’, de plaats met de hoogste postcode in Nederland: 9999 XL. Aan mijn linkerhand staat een prachtige boerderij, genaamd de Ockemaheerd. Het woongedeelte lijkt op een Groningse borg, en is opgetrokken uit kloostermoppen. Terwijl ik foto’s maak, dragen de brede oprijlaan, de omringende sloot, de tuin en de ligging van dit huis in grote mate bij aan mijn groeiende jaloezie. Het weggetje draait zich in een bocht het dorpje in, en daar is de kerk al.


Het is druk in Stitswerd. Er lopen veel mensen bij het kerkje, struinen over het kerkhof en scharrelen op straat. De omliggende muurtjes zijn bedekt met fietsen. Op de kerk wappert een vlag in de wind waarop te lezen staat: ‘Quilt Festival Noord-Groningen’. Naast het kerkje zitten twee verkeersregelaars die zichzelf nog maar eens een kopje koffie inschenken uit hun thermosfles. Ik vraag wat er precies aan de hand is. De ene verkeersregelaar is een grote man met lange snor en baard, gehuld in een hemdje en fluoriserend geel hesje, waarbij het me ook niet had verbaasd als hij me verteld zou hebben deel uit te maken van de Hell’s Angels. Hij antwoordt me echter dat er door verschillende dorpjes een quilt festival gaande is, en dat er in de kerk van Stitswerd ook een expositie is te bekijken. Bezoekers fietsen of rijden met de auto van dorp naar dorp om zowel het prachtige Groningse landschap als de gequilte kunstwerken te bekijken – een heel erg leuk initiatief!



De simpele, kleine kerk is gewijd aan patroonheilige st. Joris en ligt op een wierde 2.80 meter boven N.A.P. Daterend uit de eerste helft van de dertiende eeuw, heeft het kerkje meerdere restauraties ondergaan. Een restauratie uit de negentiende eeuw gaf het de opmerkelijke geel geschilderde bepleistering. In 1694 kwam het kerkje in bezit van Reint Jan Lewe van het huis Ewsum te Middelstum. De windvaan die de dakruiter bekroont, herinnert nog steeds aan deze familie: het kent de vorm van een leeuw. Helaas mag ik niet in de kerk omdat ik geen quilt-kaartje heb. Daarom sjok ik over de omliggende begraafplaats die vele oude graven huist en daarnaast zelfs nog steeds in gebruik is, onderhouden door vrijwilligers.  


Ik loop het dorpje in; het is er piepklein. De vijf smalle straten ben je zo door. De huisjes zijn allemaal redelijk oud, ontzettend mooi en vergezeld door fleurige tuinen. Ze staan rommelig door elkaar, alsof iemand daarboven de huisjes zo uit de hemel heeft neer gekwakt zonder rechte lijnen en vormen. Zo schreef Wehester onderwijzer R.G. Rijks over Stitswerd: ‘‘nederige huisjes zijn als ware het zoo los weg uit de hand, in verschillende partijen rond gezet.’’ Er zijn geen voorzieningen meer, alleen woonhuizen. Dit was ooit wel eens anders. In meer glorieuze tijden hadden dorpelingen de keuze tussen maar liefst twee cafés om een bittertje achterover te slaan, terwijl hun kinderen leerden rekenen in de lagere school die ook aanwezig was. Daarnaast bevonden zich in het dorp ook een molen en zelfs een armenhuis. Deze zijn samen met het inwoneraantal ten onder gegaan. Waar in 1849 nog 231 bewoners werden geteld, is dat in laatste jaren gezakt tot een luttele 65. 



Het laatste weggetje dat ik bewandel wordt overslagen door de quilt-gangers en loopt richting een klein haventje dat uitzicht biedt op het kerkje. Het is er stil, op het blije gekwetter van vogeltjes na. Het zonnetje schijnt fel. Het water kabbelt rustig en wordt omringd door hoog gras. Links van mij dresseert iemand een geit in zijn achtertuin. Een oude schommel slingert eenzaam aan een boomtak. Als ik erop zit zie ik niets dan lucht en groene velden, en het watertje dat ertussen kronkelt. Langzaam loop ik terug naar de kerk, waar mijn fiets geparkeerd staat. Mijn ogen valt op een met rozen bedekt prieeltje dat op het veldje naast het kerkhof staat. Op het prieeltje ontwaar ik vier zinnen gegraveerd in het staal, die samen een gedichtje van Jan Boer vormen. Ze kunnen mijn gedachten over het landschap niet beter verwoorden.

De roemte is verheven,
de wereld is zo wied.
En grieze vogels sweven,
hoog boven laand en tied.



 

dinsdag 15 juli 2014

Langs het Boterdiep: van Onderwierum naar Onderdendam

Deze zomer reis ik langs het Boterdiep van Groningen naar Uithuizen en zal verslag doen van alle mooie en bijzondere plekken die ik onderweg tegenkom. Mijn doel is om te laten zien dat ook dichtbij huis prachtige plaatsen te vinden zijn, allen met hun eigen verhaal. Deze keer blog ik over het vierde gedeelte: van Onderwierum naar Onderdendam.

Ik verlaat Onderwierum in noordelijke richting. Onderwierum behoort technisch gezien tot het kleine plaatsje Onderdendam, maar het dorp zelf ligt nog op een dikke kilometer fietsen door snoeiharde tegenwind. Terwijl ik woest op mijn trappers stamp kijk ik afgunstig naar een bootje met mensen dat heerlijk over het Boterdiep vaart. Zij hebben het beter bekeken. De route die ik tot nu toe heb afgelegd was in de achttiende en negentiende eeuw ook per trekschuit mogelijk. Zo kon je opstappen in Groningen en via Zuid- en Noordwolde en Bedum naar Onderdendam varen, als een soort openbaar vervoer. Het Boterdiep was een kanaal vol bedrijvigheid.



 Afgezien het bootje met de mensen die me vol medelijden aankijken is het kanaal nu een stuk rustiger, ondanks het mooie weer. Altijd wanneer ik Onderdendam binnen fiets overvalt de schoonheid me. Het is niet de eerste keer dat ik hier ben, maar de mooie tuintjes vol geurige en kleurige bloemen en oude stijlvolle huizen maken nog steeds indruk. De hoofdweg loopt in een bocht door het dorp en steekt het water over. Langs de kades staan de meest prachtige, statige gebouwen met hun eigen steigertje waar bijna zonder uitzondering een bootje voor dobbert. In tegenstelling tot andere kleine Noord-Groningse dorpjes, heeft Onderdendam een geweldig aantal huizen van formaat met een chique in plaats van schattige uitstraling. Wat is de reden voor deze gedistingeerde allure die dit schilderachtige dorp uitstraalt? Daarvoor duiken we de geschiedenis in. 


Onderdendam wordt voor het eerst genoemd in 1252, met zijn Oudfriese benaming Uldernadomme. Tegen die tijd blijkt de nederzetting al een centrale plaats te hebben verworven, want het document gaat over een algemene jaarlijkse gerichtsdag waarop rechters uit het hele landschap bijeenkwamen in Onderdendam. Op zich is dit logisch, want qua natuurlijke factoren heeft Onderdendam alles in huis voor een centrale positie. Onderdendam was het natuurlijke centrum van het Hogeland, ietwat hooggelegen, waar verschillende wateren samenkwamen: het Warffumermaar en de Delthe, het Kardingermaar en het Bedumermaar (wat later een deel van het Boterdiep zou worden).

Hoewel het oudere Bedum een belangrijke plaats was in kerkelijk opzicht, raakten bestuurlijke en economische activiteiten geconcentreerd in Onderdendam, vanwege diens praktische ligging te midden van een aantal waterwegen. Er werd handel bedreven, gelost en geladen, terwijl de trekschuit mensen afzette of juist toeliet. Vanzelfsprekend bracht dit bedrijvigheid in de vorm van winkeltjes en herbergen met zich mee. Daarnaast werd het plaatsje aangewezen als hoofdplaats voor de rechtspraak in het Hunsingokwartier, waardoor het de woonplaats werd van vele rechters, griffiers en advocaten. In 1838 werd Onderdendam zelfs zetel van het waterschap Hunsingo. De mooie huizen langs de waterkant, zoals het oude waterschapshuis, de oude herberg en andere herenhuizen die als gerechtsgebouwen hebben gefungeerd, getuigen nog van deze bloeitijd.




Daar Onderdendam in de eerste helft van de negentiende eeuw profiteerde van de trekvaart dat het Boterdiep met zich meebracht, werden plaatsen als Westerdijkshorn en Onderwierum steeds minder belangrijk. Merkwaardig genoeg had Onderdendam, ondanks haar status, tot die tijd geen eigen hervormde kerk. Inwoners moesten naar Onderwierum of Menkeweer. Pas in 1840 werd er in het dorp een kerk gebouwd. Logischerwijs verloren kerspelen zoals Onderwierum en Menkeweer daardoor totaal hun status, nu hun kerkgangers ook nog weg bleven. De kerkjes werden gesloopt. Vorig jaar werd ik door Ommelander-lezers bij de hervormde kerk in Onderdendam uitgenodigd om wat spullen te bekijken die over waren gekomen uit de ‘verloren kerk’ van Onderwierum. Zo staan er in de kerk nog een aantal oude grafstenen, een avondmaalstafel, hangt er nog een enorme oude sleutel en schittert er een prachtig doopbekken uit 1651.



Een halve eeuw later is het echter gedaan met de pret in Onderdendam. De komst van een spoorwegennetwerk in het noorden van Groningen zorgde ervoor dat de trekschuit al snel als ouderwets en langzaam werd gezien. Onderdendam werd overgeslagen, kreeg geen stationnetje, en zo kwam er een einde aan de ontwikkeling van dit mooie dorpje.

Ik zit op de steiger aan de waterkant, het water glinstert blij. Mijn ogen glijden over al die prachtige huizen, en héél even zie ik mensen van de trekschuit aan wal gaan, zie ik schepen ingeladen worden met allerhande producten die bestemd zijn voor de stad, zie ik marktlui lopen, afkeurend nagekeken door rechters met een ernstig gezicht, en vrolijk toegezwaaid door de herbergiers. Ik knipper met mijn ogen en de rust is wedergekeerd, er rijden slechts enkele fietsers en een eenzame auto. De glorietijd is niet moeilijk voor te stellen.