Posts tonen met het label De verdwenen dorpen van de Ommelanden. Alle posts tonen
Posts tonen met het label De verdwenen dorpen van de Ommelanden. Alle posts tonen

woensdag 20 januari 2016

Verdwenen dorpen, deel 9: Solwerd

In mijn serie ‘Verdwenen dorpen van de Ommelanden’ ben ik op zoek naar bijzondere plaatsjes in de Groninger Ommelanden die hun status als 'dorp' ergens in de geschiedenis zijn verloren. Die dorpjes kunnen zijn verdwenen door ontvolking, oprukkende industrie of overstromingen - maar ook doordat een nabijgelegen grotere plaats het voormalige dorpje heeft opgeslokt en tot gehucht of (woon)wijk heeft gemaakt. Het plaatsje van vandaag is er eentje uit die laatste categorie: Solwerd was ooit een eenzaam wierdedorpje, maar is uiteindelijk onderdeel geworden van Appingedam. 

Proloog
Rond het jaar 1500 sloop een in het donker gehuld figuur de Jacobuskerk van het dorpje Solwerd binnen. De kerk was koel en stil. Zijn ogen moesten even wennen aan het donker. Toen hij de contouren van het gebouw kon opnemen, viel zijn oog op iets blinkends. Geruisloos liep hij naar het object. Het was een soort zilveren kelk, maar met een deksel: een ciborie. In een ciborie worden de geconsacreerde hosties bewaard. Voorzichtig hief hij de ciborie van diens plaats. Op dat moment hoorde hij voetstappen. Met een ruk keek hij achterom. Hij zette het op een rennen. In de ciborie zaten nog drie gewijde hosties, die hij onderweg met een zwaai in een slootje gooide. De figuur verdween in het donker.

Het wonder van Solwerd

Of de dief ooit te weten is gekomen wat zijn daad heeft aangericht, dat zullen we nooit weten. Maar wat er na de diefstal gebeurde, had hij zich sowieso nooit van te voren kunnen indenken. De drie hosties die hij zo achteloos in de sloot had gegooid, bleven namelijk drijven en straalden een verblindend licht uit. Al snel bleek er een wonder te zijn geschied (niet geheel ongewoon in die tijd) en werd het water van het slootje heilig verklaard.

Het wonder van Solwerd trok veel gelovigen naar de desbetreffende plek. Vanwege de groeiende belangstelling werd er al in 1502 een kapel bij de kerk gebouwd. Daar konden de hosties vereerd worden. In de kapel kwam een ‘hostieputje’, dat was gesitueerd onder het altaar. Hieruit werd het water geput waar dus een bijzondere werking aan toe was geschreven. Ja ja, Solwerd was een heus bedevaartsoord geworden.

De huidige kerk van Solwerd.

De goederen en giften die de immer groter wordende toeloop van bedevaartgangers achterlieten, zorgden (natuurlijk) voor trammelant tussen de kerkelijke autoriteiten van Groningen, de pastoor en geërfden van Solwerd enerzijds, en de pastoor van Appingedam anderzijds. Inkomstenverdeling is altijd een moeilijk concept geweest. Uiteindelijk kwam men tot een complexe schikking, door paus Clemens VII bevestigd. De papieren liggen nog in het Vaticaans archief te Rome en stammen uit 1525.

In 1536 brandde de Jacobuskerk af en bleef alleen de kapel over. Enkele decennia later zwiepte de reformatie door ons land. In 1594 werd de kapel ingericht voor de protestantse eredienst en daarmee nam ook het aantal bezoekers flink af. De volgende eeuw vonden er verschillende strubbelingen plaats tussen gereformeerde predikanten en de katholieke gelovigen die nog wel naar Solwerd durfden te komen. De gereformeerde predikanten ergerden zich bont en blauw aan de bedevaartgangers die in de kapel wijwater tapten. Er werd een rooster voor het putje geplaats en werd er een nieuwe ingang gecreëerd zodat men niet langer bij het water kon komen. In 1682 werd uiteindelijk besloten het putje geheel te dempen. De predikant die het voor elkaar had gekregen schreef triomfantelijk: ‘de superstitieuse put tot Solwert cessat’.

De kapel stond bij de dorpsbewoners bekend als ‘de capelle ter hilligen grave’. Een grave was een sloot. Tot op de dag van vandaag heet een weggetje in Solwerd nog de Heiliggravenweg. Hoewel er al in 1669 was verzocht de kapel te slopen, gebeurde dit pas in 1780. Drie jaar later werd op de plek van de oude Jacobuskerk de huidige kerk gebouwd op kosten van jonker Adriaan Gerlacius. 

Ook dit kerkje heeft het niet gemakkelijk gehad. Tijdens het beleg van Delfzijl (1814) raakte de kerk zwaar beschadigd, maar de rijkaard Gerlacius bleef stug geld in het kerkje stoppen. Et voilà: het neoklassieke kerkje is er nog steeds. De huidige kerk is een rechthoekig gebouw zonder toren, maar wel met een klokkenstoel. Er liggen ontzettend veel oude graven rondom de kerk. 

De huidige kerk van Solwerd, gebouwd met het geld van Adriaan Gerlacius,

Klokkenstoel.


Solwerd, najaar 2015

Het is vijf eeuwen na de diefstal en het daaropvolgende wonder, wanneer ik op een zonnige najaarsdag het kerkje bereik. Solwerd is inmiddels geen dorpje meer. Het is nu een woonwijk aan de oostkant van Appingedam geworden. Ooit was Solwerd, dat op een wierde ligt, een eigen dorpje in het Groningse landschap. ‘Sol’ betekent ‘poel’, en ‘werd’ betekent wierde, dus Solwerd was een wierde in nattig en drassig land. Maar uiteindelijk heeft de uitbreidende bebouwing van Appingedam Solwerd opgeslokt. Het heeft nu de postcode en plaatsnaam van Appingedam. Toch zijn er wel veel herkenningspunten: zo is er de Solwerderweg, de Solwerderstraat, en de eerder genoemde Heiliggravenweg. 

Paadje dat de wierde van Solwerd omhoog loopt, en uitkomt bij de kerk.

Solwerd; een groene oase.

Het is heel grappig hoe je midden in de stad opeens een eeuwenoud dorpje tegenkomt: plotseling wordt het groener, verandert het wegdek in klinkertjes en staan er boerderijtjes in plaats van nieuwbouwhuizen. Met andere woorden: het is duidelijk te zien dat dit ooit een dorpje op zich was, maar waar de moderne wereld omheen is gebouwd.

Naast de achttiende-eeuwse kerk zijn er nog maar een paar oude gebouwen en rijksmonumenten te vinden in Solwerd. Zo staat naast de kerk een weem, oftewel de hervormde pastorie, die uit 1554 stamt! En ook een prachtige oude boerderij, met een sloot langs het perceel. Het is even alsof je teruggaat in de tijd. De tijd waar er nog wonderen gebeurden en waar er hordes mensen naar Solwerd trokken om te bidden bij het slootje. 

Op de achtergrond is een grote, oude boerderij te zien.

Solwerd.

En de dader, de dief, de aanstichter van dit verhaal? Degene die met zijn achteloze daad twee eeuwen bedevaart los maakte? Daar weten we niets van. Anderhalve eeuw na het voorval claimde ene missionaris, pater Franciscus Mijleman, te weten dat het om twee of drie joden ging. Altijd handig om schuld op af te schuiven, zal Mijleman wel gedacht hebben. Anyway – wie het ook was, de dief (of dievegge, natuurlijk) heeft geheel onbedoeld een bijzondere geschiedenis nagelaten. En dat is dan ook best wel een wonder. 

Tekening op een graf, kerkhof Solwerd.

Bronnen
Databank Bedevaart en Bedevaartplaatsen in Nederland. ''Solwerd, Heilig Sacrament.'' Meertens Instituut (KNAW). Via http://www.meertens.knaw.nl/bedevaart/bol/plaats/709. 

Verhalen van de Groninger Kerken. ''Het hostieputje van Solwerd.''  Stichting Oude Groninger Kerken. Via http://www.groningerkerken.nl/. 

donderdag 10 december 2015

Verdwenen dorpen, deel 8: Wierhuizen

In mijn serie ‘Verdwenen dorpen van de Ommelanden’ ben ik op zoek naar bijzondere plaatsjes in de Groninger Ommelanden die hun status als 'dorp' ergens in de geschiedenis zijn verloren. Die dorpjes kunnen zijn verdwenen door ontvolking, oprukkende industrie, overstromingen - noem maar op. Soms is een boerderij, een wierde of een oud kerkhofje het enige wat er nog van over is. Dit keer bevind ik me in het het gehucht Wierhuizen. 

Hoog boven in de provincie, aan de weg van het stille dorpje Broek naar het veel drukkere Pieterburen, ligt een eenzaam kerkhofje. Het is niet te missen: in een uitgestrekt landschap met enkel nog dijken en uiterwaarden, valt de met bomen omzoomde wierde redelijk uit de toon. Welkom in Wierhuizen, een gehuchtje bestaande uit enkele huisjes en boerderijen. Ik kom vanuit Pieterburen gefietst en geniet van de plotselinge rust: het moment dat je de dorpskern van het toeristische Pieterburen uit fietst, is het stil. In de bocht naar het kerkhofje van Wierhuizen sta ik een tijdje stil om foto’s te maken van een magnifiek plaatje: hoge korenaren en kleurige bloemen, die samen een vrolijk en zomers geheel vormen. Ik spot al snel mijn favoriete bloemen: felrode klaprozen (papavers, poppies), wuivend in de wind.


Bij de ingang naar het kerkhof staat een informatiebord. Het kerkhof markeert één van de acht Landmerken; dit zijn spannende plekken langs de Groningse Waddenkust voor jongeren en gezinnen. Landmerken is een samenwerkingsproject van Stichting Oude Groninger Kerken en Stichting Landschapsbeheer Groningen. Een landmerk is een oriëntatiepunt in het landschap, en dat is Wierhuizen –met zijn aparte verschijning in het polderlandschap – zeer zeker.

Ik worstel eventjes met het hekje, maar uiteindelijk zwaait dat open. Het moment dat ik het kerkhofje op loop, is het gedaan met de stilte. Hoog boven mijn hoofd vliegen straaljagers. De F16’s komen vanaf de vliegbasis in Leeuwarden en oefenen vaak boven het Waddengebied; dit is niet de eerste keer dat ik ze tegenkom op één van mijn fietstochten. Ik kijk omhoog en daar gaan ze, als gestroomlijnde zwarte vogels in een zilveren lucht.


Wierhuizen was ooit een dorp van behoorlijke omvang. Het kerkhofje stamt uit de twaalfde eeuw en het is waarschijnlijk dat toen ook de kerk gebouwd werd. Helaas kwam er een abrupt einde aan het dorpsleven in Wierhuizen. In de nacht van 24 op 25 december 1717 sloeg de allesverwoestende Kerstvloed toe: het hele gebied van de noordelijke Nederlanden tot aan Sleeswijk Holstijn werd door een stormvloed overspoeld met water. In de provincie Groningen vielen 2100 slachtoffers. Wierhuizen werd bijzonder slecht getroffen: bijna het hele dorp werd weggevaagd en veertig mensen kwamen om het leven, om over de veestapels nog maar te zwijgen. Het dorpje kwam de klap niet meer te boven. De zwaar beschadigde kerk werd afgebroken en de overlevenden trokken meer landinwaarts om daar hun leven weer op te bouwen. De wierde raakte in eenzame vergetelheid. Toch bleef de begraafplaats in gebruik.


Bijna driehonderd jaar na de Kerstvloed wandel ik over de lege plaats waar ooit het kerkje heeft gestaan. Aan de noordkant van de wierde bevindt zich het begraafplaatsje; aan de zuidzijde een grasveld met daarop nog enkele oude grafstenen, een klein stenen huisje en een kunstwerk. Ik loop langzaam een rondje en lees de informatie. Het kunstwerk heet Irréel en is in 2009 gemaakt door de uit Benin afkomstige kunstenaar Meschac Gaba. Aan de vorm is duidelijk te herkennen dat het hier om het skelet van een kerk gaat – maar veel kleiner dan een ‘echte’ kerk. 

Irréel
Irréel

Het kleine stenen huisje blijkt een negentiende-eeuws baarhuisje te zijn, in onze prachtige taal ook wel een liekhoeske genoemd. Hier werden door de dorpsbewoners hun doden opgebaard, als ze daar thuis geen plek voor hadden – en als de gestorvene was overleden aan een besmettelijke ziekte, moest die natuurlijk sowieso opgebaard worden in het baarhuisje. De deur naar het onlangs opgeknapte baarhuisje is open. Binnen is een mini-expositie te bezichtigen met het thema ‘de zee geeft en neemt’. Er hangt ook een bel die geluid kan worden. Dat snap ik niet. Waar hebben lijken een bel voor nodig? Gelukkig staat het uitgelegd: het kwam vroeger namelijk nog wel eens voor dat personen te vroeg doodverklaard werden. De bel is dus een speciaal voor schijndoden ontwikkelde constructie: mocht iemand onverhoopt wakker worden, kon diegene aan de bel trekken om de Wierhuister inwoners te laten weten dat ze nog niet van hem of haar af waren. 

Baarhuisje, Wierhuizen
Binnenkant van het Baarhuisje

Tot slot neem ik een kijkje bij de begraafplaats. Aan het uiteinde staan twee statige, zandkleurige stenen. Het zijn Commonwealth Graves. Dit zijn de militaire begraafplaatsen van strijdkrachten uit de Gemenebest die tijdens de Eerste en Tweede Wereldoorlog zijn gesneuveld. Dit zijn er 1.7 miljoen en ze liggen over de hele wereld verspreid. Er liggen papieren ‘remembrance poppies’ voor, die sinds 1921 worden gebruikt om de gevallenen te herdenken. Deze twee jongemannen van 26 en 29 jaar vlogen voor de Royal Air Force (RAF), de Britse luchtmacht, en verloren hun leven hier bij Wierhuizen.



En terwijl de papieren poppies verwelken, kijk ik naar de omliggende akkers, waar de echte papavers weelderig tussen de korenaren bloeien. Ik laat de Engelse RAF-militairen achter me, terwijl, hoog in de lucht, nieuwe helden trainen voor hun volgende missie. Het bekende gebrul van de straalmotoren doet rillingen over mijn rug lopen. Opdat we nooit vergeten.

Bronnen
Landmerken. ''Het dorp Wierhuizen''. http://www.landmerken.nl/locaties/wierhuizen/het-dorp-wierhuizen/
Marnegebied. ''Het baarhuisje van Wierhuizen.'' http://www.marnegebied.nl/baarhuisje_wierhuizen.html

donderdag 29 oktober 2015

Verdwenen dorpen, deel 7: Bellingeweer

In mijn serie ‘Verdwenen dorpen van de Ommelanden’ ben ik op zoek naar bijzondere plaatsjes in de Groninger Ommelanden die hun status als 'dorp' ergens in de geschiedenis zijn verloren. Die dorpjes kunnen zijn verdwenen door ontvolking, oprukkende industrie of overstromingen - maar ook doordat een nabijgelegen grotere plaats het voormalige dorpje heeft opgeslokt en tot gehucht of (woon)wijk heeft gemaakt. Het plaatsje van vandaag is er eentje uit die laatste categorie: Bellingeweer is nu een woonwijk van Winsum, maar was ooit een zelfstandig dorpje. 

Ik fiets door de woonwijk Bellingeweer in Winsum. Bellingeweer is eigenlijk een verdwenen dorp, want ooit was het zelfstandig en lag het op een wierde in het platteland. Die wierde werd trouwens al rond de jaartelling opgeworpen en is nog steeds vaag te zien in het landschap. Het nabijgelegen dorp Winsum heeft zich door de jaren heen flink uitgebreid, zodoende Bellingeweer opgeslokt en tot onderdeel van Winsum gemaakt. Ik ben vandaag op zoek naar een overblijfsel dat verwijst naar dit verdwenen dorp Bellingeweer. 

Laatst kwam ik met de bus door Winsum en viel me op dat er bij Bellingeweer iets ommuurd was. Er staken grote, donkere bomen boven de oud uitziende muren uit. Mijn nieuwsgierigheid was gewekt en al snel vond ik uit dat het om een historische begraafplaats ging. Dus duurde het niet lang voordat ik besloot op de fiets te stappen en zelf een kijkje te nemen.

Dat doe ik nu dus. De begraafplaats ligt verscholen achter een rij mooie huizen. Langzaam fiets ik er langs om ergens een ingang te ontdekken. Ik vind een smal paadje dat tussen twee huizen door loopt en tot het hek van de ommuring leidt. Bij gebrek aan een fietsenrek of iets dergelijks zet ik mijn fiets tegen de netjes bijgehouden heg van de buren aan, in de hoop dat de eigenaar het niet doorheeft. 

Na een korte worsteling met het hek loop ik het voormalige kerkhof op (hoe is het mogelijk dat het áltijd en óveral hetzelfde is met hekken en mij). Er staat namelijk geen kerk meer. Toen Bellingeweer steeds meer bij Winsum ging horen werd het kerkje afgebroken, in 1824. Die kerk was toen nog geen twee eeuwen oud want die werd pas in 1641 gebouwd. 


Het ontbreekt me nogal aan bronnen betreffende Bellingeweer. Toch kunnen we even kort de geschiedenis induiken. Daarbij springt één element gelijk in het oog: dat de geschiedenis van het dorp en de parochie nauw verbonden is met de familie Tamminga die de plaatselijke borg bewoonde. 
De Tammingaborg, of het ‘Huis (te) Bellingeweer’ stond iets ten zuidoosten van de begraafplaats die ik nu bezoek. Het was een borg met een dubbele gracht en zonder al te veel versiersels. Het is heel goed mogelijk dat de Tamminga’s verantwoordelijk zijn voor de stichting van de parochie Bellingeweer. Een parochie kan in het leven geroepen als er voldoende middelen en goederen zijn. Die worden vaak geschonken door een kerkelijke organisatie of op initiatief van een groep inwoners. In dit geval wordt er vanuit gegaan dat een enkel geslacht (de Tamminga’s) alle goederen hebben geschonken. Daardoor was de parochie een ‘eigen kerk’ van de stichter. 

De eerste Tamminga van Bellingeweer die in de archieven te vinden is, is ene Allert. Hij leefde in de zestiende eeuw en was geen vergevingsgezinde man. Het toenmalige kerkje van Bellingeweer kende een pastoor met een kleptomanische neigingen. Toen de pastoor op een dag werd betrapt terwijl hij een kelk onder zijn gewaad probeerde te verstoppen, liet Allert hem onthoofden – wat misschien wel een beetje een overdreven straf is voor diefstal.


Rond de tijd dat de pastoor zijn hoofd verloor, brak ook de Tachtigjarige Oorlog uit. Allert was fan van de Spanjaarden en moest niets hebben van de Oranjegezinde protestanten. Boze geuzen ruïneerden in 1581 Allert’s huis en de door zijn familie gebouwde kerk en pastorie. Blijkbaar heeft de kerk ruim zestig jaar, tot 1641, in puin gelegen, want die werd pas heropgebouwd door Allert’s zoon Onno. Onno’s grafsteen ligt nog steeds in Bellingeweer.

Allert en Onno hadden, zoals zoveel bewoners van Groninger borgen, een reeks interessante opvolgers met gekke namen en nog gekkere acties. Zo komen we iemand tegen met de voornaam ‘Schotto’, en ene ‘Lamoraal van der Noot van Risoir’ (hoe verzin je het). Enkele generaties later verschijnt er een Clara Feyoena ten tonele. Op haar zeventiende schreef ze een bundel gedichten die in de herfst van 1746 verscheen, in die tijd een bijzondere gebeurtenis voor een jonge vrouw. De bundel heette ‘Bellingeweerder Uitspanningen’. 


Clara’s vader heette Pier Willem. P.W. was overtuigd aanhanger van de Oranjepartij. Toen Willem IV in 1747 als stadhouder werd aangesteld, versierde hij zijn Tammingaborg en organiseerde allerlei festiviteiten. In die tijd werd de borg ook nog eens verbouwd. Op een gegeven moment werd hij zelfs lid van de Staten-Generaal in Den Haag. 

Pier Willem’s zoon Frans Onno stierf ongehuwd. Sappig detail: Frans stierf dan misschien ongehuwd, maar niet kinderloos: hij zou naar verluidt een kind hebben verwekt bij een ‘daglonersche’ met de naam Geertruid Fuck van Sijtzema. Lees de naam nog eens goed: Geertruid FUCK van Sijtzema – tja, dan kunnen we Frans Onno maar weinig kwalijk nemen natuurlijk (grapje hoor). 


Frans’ erfgenamen boden het huis al snel te koop aan nadat Frans het loodje had gelegd. Er kwam een zeeman te wonen samen met zijn vrouw. Het ging niet om een bijzonder gelukkig echtpaar: de zeeman had ernstige verkwistingsproblemen wat betreft geld- en goederen. Hij perste zelfs zijn eigen vrouw af. Die riep de hulp in van de hoge justitiekamer en die besloot dat het huis weer verkocht moest worden. De broer van de zeeman werd de nieuwe eigenaar. Hij was incasseerder van belastingen. Toen hij en zijn vrouw kwamen te overlijden in 1819 en 1820, werd de borg op afbraak verkocht. 

Naast dat de grote geldschieters van de kerk en pastorie nu allemaal dood waren, was Bellingeweer inmiddels bijna onderdeel van het oprukkende Winsum geworden. In 1824 werd daarom door kerkvoogden en notabelen besloten de boel in Bellingeweer maar af te breken. 

Op de plek wat ooit het borgterrein was, staan nu woonblokken. Er is dus eigenlijk nog maar weinig van te zien van het voormalige terrein. Dat is jammer, want de Tammingaborg speelde een belangrijke rol in het voormalige dorp Bellingeweer. Gelukkig is er nog wel het ommuurde kerkhof een eindje verderop: een overblijfsel van het ooit zelfstandige dorpje. Er liggen heel wat oude graven die doen denken aan de tijd dat alles in Bellingeweer nog heel anders was. Ik zie eeuwenoude stenen met familiewapens en grafsymboliek. Er staan haantjes afgebeeld, en vlindertjes en zelfs herten. Bomen, klavertjes en ankers en bijlen. Ik vraag me af wie deze mensen zijn geweest: woonden ze in de huizen die in dit oude straatje staan/stonden, de straat die nog steeds Bellingeweer heet? Kenden ze de Tamminga’s? Waren ze de bakkers, kleermakers en smeden van Bellingeweer? Gingen ze elke zondag vroom naar het kerkje dat later met de grond gelijk zou worden gemaakt? 



Ik sluit (met enige moeite) het hekje van Bellingeweer en laat het kerkhof achter me. Voor ik weet ben ik zo midden in het drukke centrum van Winsum. Wat vreemd te bedenken dat ik net van een verdwenen dorpje ben gekomen, dat ooit zo alleen op het platteland lag… 

Bronnen
Alma, R. (red.) Winsum 1057-2007. Winsum: Stichting historische uitgaven Winsum-Obergum, 2007.
Formsma W.J., R.A. Luitjens-Dijkveld Stol en A. Pat. De Ommelander Borgen en Steenhuizen. Assen: Van Gorcum, 1987.

dinsdag 6 oktober 2015

Verdwenen dorpen, deel 6: Ladysmith

In mijn serie ‘Verdwenen dorpen van de Ommelanden’ ben ik op zoek naar lang vergeten dorpjes in de Groninger Ommelanden. Vandaag bevind ik me iets ten noorden van Delfzijl, waar ooit een gehucht met de bijzondere naam 'Ladysmith' lag. Ik vind dit persoonlijk één van de meest bijzondere verhalen die ik tot nu toe ben gekomen in mijn reisjes door de Groninger Ommelanden. 

Ladysmith, Zuid-Afrika, 1847-1902

Er was eens een mooi Spaans meisje genaamd Juana María de los Dolores de Léon. Ze was een weeskind van adellijke afkomst en woonde in de stad Badajoz. In 1812, toen ze veertien jaar was, werd haar stad voor de vierde keer bezet door de troepen van Napoleon. Gelukkig wisten de Britse en Portugese troepen hier, zij het op een bloedige manier, een eind maken. De Franse troepen begonnen toen maar met het plunderen van de stad. Juana zocht, samen met haar zusje, bescherming bij een aantal Britse officieren die net buiten de stadsmuren verbleven. Daar ontmoette Juana majoor Harry Smith. Het was liefde op het eerste gezicht en ze trouwden enkele dagen (!) later. 

In plaats van bij zijn familie in Engeland te gaan wonen, besloot Juana dat zij haar Harry niet zo lang kon missen. Ze vergezelde hem op vrijwel al zijn militaire expedities. Dit was ongewoon voor een vrouw in die tijd: ze heeft heel wat ontberingen en zware situaties mee moeten maken. In 1847 vertrokken de geliefden naar Zuid-Afrika, waar de intussen geridderde Sir Harry gouverneur van de Kaapkolonie werd. Ook was hij een hoge commissaris voor de koningin en opgeklommen tot Luitenant-Generaal. Maar het was zijn vrouw die de show stal. Juana heette inmiddels Lady Smith en de nederzetting Windsor in de provincie KwaZulu-Natal werd in 1850 omgedoopt tot Ladysmith. De nederzetting groeide uit tot een flinke stad. 

Ladysmith in Zuid-Afrika

Jaren later, in het jaar 1900, toen Harry en Juana beide al overleden waren, werd Ladysmith het toneel van de Tweede Boerenoorlog. 

Even wat achtergrondinformatie: in de negentiende eeuw waren de afstammelingen van Nederlandse kolonisten (Boeren) naar het noorden van Zuid-Afrika gemigreerd om te ontkomen aan de Britse heerschappij in het zuiden (bij de Kaapkolonie). Deze Nederlandstalige Boeren stichtten daar in het noorden een aantal Boerenrepublieken waarvan er uiteindelijk twee grote over bleven: Transvaal en de Oranje Vrijstaat. De Britten wilden heel Zuid-Afrika veroveren en kropen steeds noordelijker. Na een aantal schermutselingen bereikte de spanning een hoogtepunt en brak er een oorlog uit.

De Tweede Boerenoorlog was dus een oorlog tussen de Boeren van Transvaal en de Oranje Vrijstaat enerzijds, en het Britse Rijk anderzijds. De stad Ladysmith was voor de Britten het centrale punt voor operaties in de regio Natal. De troepen van de Boeren omcirkelden de stad en bezetten Ladysmith van begin november 1899 tot het einde van februari 1900. Ongeveer 3000 Britse soldaten lieten het leven tijdens de Boeren bezetting. 

Uiteindelijk resulteerde de oorlog wel in een overwinning voor het Verenigd Koninkrijk – al kostte dit zoveel inspanningen en geld dat de overwinning dezelfde uitwerking had als een nederlaag. De laatste Boeren (met de prachtige naam ‘de bittereinders’) gaven zich over in mei 1902 en de oorlog eindigde met het Verdrag van Vereeniging. Het Verdrag van Vereeniging luidde het einde in van de onafhankelijke Boerenrepublieken. De strijd had het leven gekost aan 7000 Boeren, ongeveer 28000 Boerenvrouwen en -kinderen in Britse concentratiekampen, circa 20.000 mensen van inheemse afkomst en 22.000 Britse soldaten. 

Ladysmith, Nederland, 1901-1974

Tijdens de Tweede Boerenoorlog leefden veel Nederlanders mee met de Boeren in Zuid-Afrika. Zo ook aannemer Janske Bruggemann, die de Boeren met hart en ziel steunde. Janske bouwde in 1901, nabij Uitwierde ten noorden van Delfzijl, een buurtschapje met zeven huizen. Deze huisjes waren grotendeels bedoeld voor kleigravers en stonden bijna tegen de Waddendijk aan gebouwd. Janske doopte het buurtschapje Ladysmith, een naam die verwees naar de Boerenbelegering van Ladysmith in Zuid-Afrika. 

Links in de hoek Ladysmith, daaronder Uitwierde en Biessum en rechtsboven Delfzijl (foto: Hans Zant)

In een boek over Uitwierde, stammend uit 1987, herinnert een hoogbejaarde voormalig inwoner van Ladysmith zich deze Janske als iemand die ontzettend tekeer kon gaan over de Britse troepen en hun aanvoerder Chamberlain. Janske is droevig aan zijn eind gekomen; hij is verdronken in de gracht van een nabijgelegen boerderij. 

Toen Janske begon met het bouwen van Ladysmith, heette het streekje ‘Naterij’. Nu anno 2015 Ladysmith weer is verdwenen, wordt het streekje weer ‘Naterij’ genoemd. Het streekje ontleende zijn naam aan een oud perceel, dat reeds in de Franse tijd werd genoemd. Toen behoorde het toe aan ene Trien of Trijntje Naat. Het perceel en het huis dat erop stond waren dan ook bekend als ‘Trinaat’ of ‘de Naterij’. Het heeft dienst gedaan als herberg en omdat het huis tamelijk groot is, verhuurden de bewoners soms ook kamers. 

De Naterij (foto: Hans Zant)

Het perceel ‘de Naterij’ werd in 1901 dus plots vergezeld door een aantal nieuwe huisjes en ‘Ladysmith’ genoemd. Aangezien deze naam een tikkeltje te exotisch was voor de gemiddelde Groninger, werd het gehuchtje wat minder poëtisch ‘Laddiesmit’ genoemd. Een eindje verderop werden aan de dijk nog vier van hetzelfde soort huurhuisjes gebouwd. Die vier huisjes werden in de volksmond de ‘hoeskes onner diek’ genoemd. De huur voor de nieuwe huisjes was destijds één gulden vijftig per dag. Eens kwam het voor dat een bewoonster –een weduwe met zeven kinderen – niet de huur op kon brengen en zonder pardon het huis uit werd gezet.

Foto: Hans Zant

Foto: Hans Zant

Het gehucht Ladysmith en de ‘hoeskes onner diek’ werden vanaf 1966 tot en met 1974 met de grond gelijkgemaakt vanwege de aanleg van de Hogelandsterweg en de verhoging en verbreding van de zeedijk. Een deel van de oude dijk is nu nog steeds te zien. 

In 1976 werd bedacht dat het nu lege gebied van Ladysmith, samen met het naastgelegen gebied Voolhok, een landschapspark met kinderspeelplaats moest worden. Voolhok is een ingepolderd stukje Eemsdelta tussen de oude zeedijk en de nieuwe Deltadijk waar bijzondere planten- en diersoorten te vinden zijn. In dat landschapspark zijn enkele ruïnes te vinden. Dit zijn geen echte overblijfselen van de huisjes van Ladysmith, maar opgemetselde muurtjes die een onderdeel vormen van het kunstproject dat in 1976 werd gerealiseerd door beeldend kunstenaar Peter van Haagen. 

Jammer genoeg zijn anno 2015 het landschapspark, de speelplaats en het kunstproject erg overwoekerd en is er nog maar weinig van te zien. Wat een ironie; het monument voor het verdwenen dorp Ladysmith brokkelt nu zelf af. Het wordt een beetje een spookachtige plek, bedenk ik me als ik langs het verwilderde stukje natuur loop. Afgezien het verderop gelegen gemaal dat de naam Ladysmith draagt en ervoor zorgt dat de Delfzijlsters droge voeten houden, is er straks niets meer wat ons aan Ladysmith doet herinneren. 

De 'ruïnes' van Ladysmith

Ladysmith

De overblijfselen van de oude dijk is duidelijk te zien achter de huidige dijk

En zo komt dit bizarre verhaal tot een einde. Het is het verhaal van een jong Spaans meisje dat verliefd werd op een Engelse officier, haar naam gaf aan de nederzetting Ladysmith in Zuid-Afrika, dat vervolgens achtergrond werd van een gruwelijke oorlog. Het is ook het verhaal van Janske Bruggemann, een fanatieke Boeren-sympathisant uit Delfzijl, en het verhaal van de arme kleigravers van ‘Laddiesmit’.  

Het zonnetje glinstert in het felblauwe water. Ik sta op de dijk bij Ladysmith en denk aan Juana. Het dappere veertienjarige meisje had tijdens die vreselijke Franse bezetting en plunderingen nooit kunnen bedenken dat haar naam aan een stad in Zuid-Afrika gegeven zou worden. En niet alleen in Zuid-Afrika, maar ze gaf haar naam ook aan plaatsen in Australië, Canada en Wisconsin. En natuurlijk aan de allermooiste plek: in het noorden van de provincie Groningen.

Bronnen
Doorn, F. van, en P. Hermans. Fietsen rond de wereld in Nederland. Houten: Spectrum, 2013.
https://www.natuurmonumenten.nl/natuurgebied/biessumerbos/route/wandelroute-biessumerbos-en-voolhok-groningen
http://www.staatineemsdelta.nl/2536/ladysmith
http://www.voko-lichen.nl/voolhok_ladysmith/voolhok_ladysmith.html

donderdag 17 september 2015

Verdwenen dorpen, deel 5: Menkeweer

In mijn serie ‘Verdwenen dorpen van de Ommelanden’ ben ik op zoek naar lang vergeten dorpjes in de Groninger Ommelanden. Vaak zijn de overgebleven historische kerkhoven het enige bewijs dat er op deze eenzame plekken ooit een dorp heeft gestaan. De artikelen in deze serie verschijnen eens in de paar weken, en zullen afgewisseld worden met andere verhalen. Dit keer ben ik in Menkeweer.

PIIIIEEEEP! Mijn fietsremmen gieren het uit. Ik moet vol in de ankers omdat ik al bijna voorbij mijn doel van vandaag ben gefietst – gelukkig zag ik net op tijd het naambordje. Blijverrast door het bestaan van een daadwerkelijke aanwijzing dat ik op de goede weg ben, parkeer ik mijn fiets tegen een hekje. Op het moderne bordje staat ‘Menkeweer Hist. Begraafplaats’ met een handig pijltje dat de weg wijst. Ik moet via een smal bruggetje het slootje oversteken. Terwijl ik naar het desbetreffende bruggetje en het slootje sta te kijken komen er twee schooljongens langs fietsen. ‘‘HEE! SPRING ER MAAR IN!’’ Eén van de jongens gebaart naar de sloot, de ander ligt over zijn stuur van het lachen. Als ze de bocht om zijn waag ik me over het bruggetje. Ik houd me goed vast aan de railing want ik heb geen zin de jongens gelijk te laten krijgen. 



Aan de andere kant gekomen blijk ik op het erf van een grote boerderij te staan. Ik bagger door het gras en het zand tot ik bij de wierde aankom. Wederom staar ik verbaasd naar het gloednieuw uitziende hekje, waar met zwierige letters ‘Menkeweer’ in geschreven staat. Deze mate van recent onderhoud heb ik tot dusver nog bijna niet gezien. Ik duw het hekje open en loop de begraafplaats op. In het groene gras en onder de hoge bomen vind ik enkel liggende stenen. De meesten zijn rijkversierd met symbolen en familiewapens. Er zijn de gebruikelijke doodshoofden en zandlopers, maar ik zie ook bloemetjes, een grote vogel en zelfs een kroontje afgebeeld staan. 



Ik ben hier vlakbij Onderdendam. Wat nu een dorp is, was een paar eeuwen terug niet meer dan een buurtje. Onderdendam kreeg pas in 1840 een eigen kerk. Daarvoor werd er door de Onderdendamsters in Onderwierum en Menkeweer gekerkt. Menkeweer, wat ten noorden van Onderdendam ligt, is een wierde die rond de jaartelling werd opgeworpen. De naam ‘Menekingwerve’ werd echter pas voor het eerst in 1329 genoemd. In de Middeleeuwen werd er een kerk gebouwd, maar wanneer precies is onbekend. Omdat er blijkbaar in de zestiende eeuw al niet meer genoeg lidmaten waren om Menkeweer als een zelfstandige kerkelijke gemeente te behouden, werd het kerspel gecombineerd met Stitswerd (1594-1651) en later met Westerwijtwerd (1692-1828). In 1738 telde het kerspel Menkeweer slechts 34 lidmaten. 

In 1651 kwam er een koster naar Menkeweer. Hij woonde eerst in het kostershuis, totdat de grote boerderij naast de kerk verbouwd was tot een ‘weem’ (een pastorie). Toen de koster daar zijn intrek in nam, verwerd de kosterij tot een meesterswoning met een naastgelegen school. Veel leerlingen kende de school niet. Er was ook een diaconie (een armenhuis behorend tot de kerk) waarlangs het kerkepad naar Stitswerd liep. 



De weem, of pastorie, is de boerderij over diens erf ik ben gestoken om tot het kerkhofje te komen. De kerk staat er niet meer, dus de boerderij is nu gewoon een boerderij. Alle andere gebouwen zijn nu woonhuizen geworden. In 1828 was Onderdendam inmiddels zo ‘groot’ geworden dat er behoefte kwam aan een eigen kerk. De hervormde gemeente Onderdendam werd nog gevormd in datzelfde jaar, maar de kerk was pas klaar in 1840. Tot die tijd moesten de lidmaten van Onderdendam naar Onderwierum. Menkeweer werd overbodig en de kerk werd afgebroken. 

Het kerkhof bleef nog in gebruik tot 1903. De oudste grafsteen die er nu nog ligt stamt uit 1806; er lag ooit ook eentje uit 1781, maar die is verdwenen. Bijna was het kerkhof er niet meer. In de jaren vijftig wilde de kerkelijke gemeente Onderdendam ervan af; maar dat werd voorkomen door het waterschap Hunsingo. Zij kochtten het begraafplaatsje voor het symbolische bedrag van één gulden. Waarom een waterschap geïnteresseerd was in een oud kerkhof? Omdat ene meneer Adriaan Jan van Roijen er begraven ligt. Hij was notaris, Eerste Kamer-lid en voorzitter van het waterschap Hunsingo. Het waterschap vond dat van Roijen’s graf niet zomaar geruimd kon worden. Gelukkig maar, want het kerkhof is in 1961, 1987 en 2003 gerestaureerd, en in 2006 werd het bruggetje aangelegd. In 1970 werd het aangewezen als rijksmonument. 



Het is zinderend warm als ik over het kerkhofje loop. Ik wandel van graf tot graf en probeer wat namen en data te ontcijferen. Zo kom ik langs Kornelis Derks Kuiper, die wagenmaker en –geheel in lijn met zijn achternaam– kuiper was, en op zijn negentigste nog per schaats van Onderdendam naar Groningen zoefde. Een jaar later, in 1827, werd hij in Menkeweer begraven. Na een tijdje op het houten bankje in de schaduw te hebben gezeten, loop ik terug door het gras, balanceer over het bruggetje en spring weer op mijn fiets. 

Bronnen
Graaf, E., de. ''KDK, de schaatsende kuiper uit Menkeweer.'' GraafWerk. Geplaatst 17-02-2014. http://erikdegraaf.blogspot.nl/2014/02/kdk-de-schaatsende-kuiper.html
Hempenius, A.L. ''Menkeweer.'' Nienoord. Geplaatst 07-12-2011. http://www.nienoord.org/menkeweer.html
Lutjeboer, J. ''Menkeweer.'' Zo As T Was: Historische Vereniging gemeente Bedum. http://www.zoastwas.nl/dorpen-en-gehuchten/menkeweer.
Schaïk, R., van., G. Collenteur en A. de Valk. Onder vele torens: een geschiedenis van de gemeente Bedum. Bedum: Profiel, 2002.

p.s. Blijf up-to-date wat betreft mijn blog! Kijk snel op mijn nieuwe Facebookpagina en druk op de 'vind-ik-leuk'-knop: www.facebook.com/sannemeijeronderweg 

donderdag 27 augustus 2015

Verdwenen dorpen, deel 4: Klein Maarslag

In mijn serie ‘Verdwenen dorpen van de Ommelanden’ ben ik op zoek naar lang vergeten dorpjes in de Groninger Ommelanden. Vaak zijn de overgebleven historische kerkhoven het enige bewijs dat er op deze eenzame plekken ooit een dorp heeft gestaan. De artikelen in deze serie verschijnen eens in de paar weken, en zullen afgewisseld worden met andere verhalen. Dit keer fiets ik naar een wel heel afgelegen plekje: Klein Maarslag.

Ik had zelf ook niet kunnen raden dat ik me op een regenachtige zaterdagmiddag in een molen zou bevinden, met een kachel tegen mijn benen, een kat aan mijn voeten en een heerlijk stuk poffert op mijn bord. Blijkbaar was het lot me gunstig gezind, al was ik daar niet de hele dag van overtuigd geweest. Eerder deed ik Ranum en Maarhuizen aan, en was daarbij flink natgeregend. Voor de oplettende lezer: op de foto’s in deze blog is inderdaad bijna geen regen te zien; de meeste foto's heb ik een paar weken later op een zonnigere dag genomen. In ieder geval strompelde ik op die regenachtige dag uit zelfmedelijden maar het dichtstbijzijnde etablissement binnen: dit bleek ‘de Malle Molen’ in Mensingeweer te zijn. De molen staat midden in het dorp en fungeert als een koffie- en theeschenkerij. De aardige mevrouw die er werkt kwam op me afgesneld en vertelde dat ze me had zien fietsen in de regen, en ik werd gelijk bij een kacheltje gezet. En daar zit ik nu nog steeds, te wachten tot de regen voorbij is. 



Het geeft me de gelegenheid dit prachtige plekje eens goed in me op te nemen. De Malle Molen is stijlvol ingericht. In de ene hoek kunnen kindertjes spelen en in de andere hoek worden spulletjes uit Groningen verkocht. Boven in de molen is een expositie te bezichtigen. Het is vandaag Open Molendag, vandaar dat de molen op een zaterdag open is. Normaliter is de Malle Molen enkel op zondagen geopend. Terwijl ik van mijn kop thee en poffert geniet, lees ik wat boeken die op tafel liggen en over Groningen gaan. Intussen komen er twee mensen binnen die het Pieterpad lopen. De meneer heeft een chihuahua in een babydraagzak op zijn buik hangen. Het hondje keft woest naar de streepjeskat die zich aan mijn voeten heeft genesteld. De chihuahua worstelt zich uit de draagzak en de meneer valt bijna om. De kat neemt totaal geen notie van alle ophef en slaapt rustig door. 


Als het droog is neem ik afscheid van de vrijwilligers in de molen en koers richting Maarslag. Een jaar geleden was ik al eens in Groot Maarslag. Dit is een bijzonder misleidende plaatsnaam want het gehucht Groot Maarslag is allesbehalve groot. Ik herinner me een perfect ronde wierde met vier boerderijen erop. Nu ben ik op weg naar het iets westelijker gelegen Klein Maarslag, dat zelfs nóg kleiner is: het bestaat uit één boerderij en een historisch kerkhofje op een wierde. Het is te bereiken via een lang betonpad, waarbij ik pal tegen de wind in fiets tot ik niet verder kan, want het pad loopt dood. Aan het eind, naast de boerderij, ligt het kerkhofje. Het is misschien wel één van de meest afgelegen plekken die ik in de Ommelanden ben tegengekomen. 

Er zijn in principe nog twee andere toegangswegen. Ten eerste is er het kleipad naar het bos Abelstok, maar dit zandpad is enkel begaanbaar per benenwagen of stevige mountainbike. Ook is er nog het lijkenpaadje, dat vanaf Groot Maarslag naar het betonpad loopt, maar deze is overwoekerd en ook niet echt te betreden. Groot Maarslag heeft nooit een eigen kerk en kerkhof gehad, en daarom moesten de doden dus begraven worden in Klein Maarslag. Vandaar het ‘lijkenpaadje’. 

Het lijkenpaadje

Vroeger was het helemaal dramatisch om Klein Maarslag te bereiken. De voorganger moest vanuit Mensingeweer komen, in een klein koetsje met paarden. De paarden werden bij de boerderij naast de kerk gestald, en de predikant moest daar, na een barre tocht, niet zelden weer tot zijn positieven komen bij het haardvuur. Daar had ik na mijn fietstocht ook wel zin in, maar helaas, geen haardvuur in Klein Maarslag voor mij – maar gelukkig wel een uiterst bijzondere plek die ik nu van mijn to-see-lijstje kan strepen. 

Ik loop naar het hek waarbij, asjemenou, zelfs een informatiebord staat. Helaas verkeert het in deplorabele staat en is er niets van te lezen. Gelukkig had ik me thuis ingelezen. Het is nu moeilijk voor te stellen in deze oase van leegte, maar Klein Maarslag was ooit een volwaardig dorp. Sterker nog, in de Middeleeuwen was het juist een ontzettend strategisch gelegen plaats. Ooit stroomde hier de rivier de Hunze, waarvan de stad Groningen afhankelijk was. 




De inwoners van Klein Maarslag leefden van de visvangst en de handel en deden hun gebeden in het kerkje dat midden in het dorp stond. De St. Marcellusvloed van 1361-1362 maakte een eind aan deze voorspoedige tijden. Na deze catastrofale overstroming werd het Reitdiep van zeedijken voorzien, en daardoor verwerd de noordelijke benedenloop van de Hunze tot een klein riviertje. De inwoners van Klein Maarslag waren nu aangewezen op landbouw, dat misschien de geleidelijke tendens van ontvolking heeft ingezet. Dat een stelletje boze Friezen in 1584 besloot een groot deel van Klein Maarslag in de fik te zetten hielp ook niet echt mee. De kerk werd dapper weer opgebouwd. Hoewel Klein Maarslag in de achttiende eeuw nog een grotere parochie was dan Mensingeweer, duurde het niet lang meer voor het toch echt gedaan was met het dorp. 

In 1811 werd de kerk wegens bouwvalligheid op afbraak verkocht. De kerk had een houten klokkenstoel, die werd vernieuwd en bleef staan tot 1911. Bij een archeologisch onderzoek in 1953 zijn de fundamenten van het kerkje blootgelegd. Die contouren zijn nu met keisteentjes aangegeven. Het kerkje was hoogstwaarschijnlijk twaalfde-eeuws. Het vreemde is dat bij de bouw hiervan één van de muren een aantal graven heeft afgesneden. Dit betekent dus dat er al een begraafplaats was vóórdat het kerkje gebouwd werd. Er zijn namelijk ook geen aanwijzingen gevonden van een houten voorganger van het kerkgebouw. Wat dit verhaal helemaal spannend maakt is dat er een héél oud graf is gevonden, waarbij het geraamte in de ‘verkeerde’ richting is begraven – kan Klein Maarslag dan een voorchristelijk grafveld zijn geweest? 




Die vraag spookt door mijn hoofd als ik het hekje naar het kerkhof open duw. Ik volg de stenen en schelpenpaden die mij vertellen waar de kerk heeft gestaan. Aan het begin van de zeventiende eeuw werd het koor van de kerk vergroot, hoogstwaarschijnlijk om ruimte te creëren waar leden van de familie Wiersema begraven konden worden. Binnen dit deel van het koor stuit ik namelijk op zes grafstenen met deze naam. Hierbij ligt ook de oudste grafsteen van Klein Maarslag: die van Kornelis Wiersema, overleden in 1609. Wonderlijk genoeg is deze grafzerk het best bewaard gebleven van allemaal. Natuurlijk heeft de steen 200 jaar ‘veilig’ in de kerk gelegen – maar ligt na de afbraak van de kerk in 1811 inmiddels ook al 200 jaar buiten, onderhevig aan regen, wind, hagel en sneeuw.


Op de zerken van de Wiersema’s is hun familiewapen afgebeeld, dat bestaat uit een pelikaan met haar jong. Je verwacht over het algemeen niet zo’n exotisch dier te vinden op een verlaten kerkhof in de Ommelanden. Tenminste, ik niet. De achtergrond is bijzonder. Volgens een legende prikte een pelikaan ooit haar eigen borst door om zo haar kroost te kunnen voeden met bloed. Hierdoor wekte de pelikaan haar kroost tot leven. De pelikaan staat symbool voor het lijden van Christus. 

De overige grafstenen staan schots en scheef, enkele zijn afgebroken en uit sommige zerken groeit onkruid. Ik loop ze één voor één langs. De wind waait hier harder dan ooit. De bomen maken een dreigend suizend en ritselend geluid. Ik trek een paar takken weg en kijk in de verte. Wie hebben hier gewoond? En hoe leefden zij? Hoe zag het dorpje er ooit uit? Wat deed men om te overleven in de koude winters? Ik probeer me een levendig dorpje te visualiseren in deze leegte, maar het lukt niet. Het is hier simpelweg te eenzaam. Diep onder de indruk laat ik Klein Maarslag achter me, maar ik neem me voor snel terug te komen. En dat gebeurt: een paar weken later doe ik het kerkhofje nogmaals aan tijdens een lange wandeling, om wat zonnigere foto’s te kunnen maken. Het plekje heeft niets van zijn kracht verloren: wonderlijk genoeg raak ik alleen maar meer in de ban. 






Bronnen
Familie Wiersema. ''Klein Maarslag.'' http://www.fam-wiersema.nl/kleinmaarslag/kleinmaarslag.htm
Genealogiesite. ''De pelikaan van Klein Maarslag.'' http://members.home.nl/genealogiesite/Genealogie778.htm
Mulder, M. ''Klein Maarslag: kerkhof bij voormalige kerk.'' Stichting Dodenakkers. Gepubliceerd 08-11-2009. http://www.dodenakkers.nl/begraafplaatsen/begraafplaatsen-in-groningen/344-kleinmaarslag.html
Stulp, B. Verdwenen dorpen in Nederland, deel 4: Noord-Nederland (Waddeneilanden, Groningen, Friesland). Falstaff media, 2012.