Posts tonen met het label Ommelander Omzwervingen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Ommelander Omzwervingen. Alle posts tonen

vrijdag 8 januari 2016

Winter in Timbertown: het Engelse Kamp in Groningen, 1914-1918

Dit stuk gaat over het voormalige Engelse Kamp te Groningen, ook wel bekend als Timbertown. Hier zaten tijdens de Eerste Wereldoorlog 1500 Engelse militairen geïnterneerd. De historische foto's laten het kamp in wintertijd zien. Met dank aan Hans Zant voor de foto's. 

Afgelopen oktober was ik in Engeland. Overal zag ik rode bloemen, want de Engelsen liepen allemaal met een papieren poppy op hun jas gepind. Een poppy is een klaproosje (of papaver), waarmee Engeland de gevallen van de Eerste en Tweede Wereldoorlog herdenkt, en ook de slachtoffers van alle oorlogen en conflicten sindsdien. Vaak liggen er bij monumenten hele kransen van zulke poppies. De poppy-tijd loopt vanaf half oktober tot en met Remembrance Day op 11 november. Natuurlijk had ik ook al snel een poppy op mijn jas. 

Poppy

Het is de Eerste Wereldoorlog die de poppy tot een symbool van herdenking heeft gemaakt. Als gevolg van bombardementen en de constructie van een loopgravennetwerk waren de gronden van Europa flink omgewoeld. De zaden van de klaproos kunnen pas ontkiemen als ze aan licht worden blootgesteld. De slagvelden van de Eerste Wereldoorlog bleken daarvoor een goede voedingsbodem. Na de oorlog verscheen dan ook een rode papaver-zee in die gruwelijke loopgravengrond. Velen zullen het gedicht ‘In Flanders Fields’ van de Canadese militair en dichter John McCrae wel kennen, dat begint met de bekende woorden “In Flanders fields the poppies blow…”.

Mijn bezoek aan Engeland in herdenkingstijd was niet mijn eerste keer. Drie jaar terug liep ik eens door Londen toen ik op het station een mevrouw zag zitten. Ze had poppies in een rieten mandje liggen. Ik gooide een donatie in het potje en pakte een poppy om die op te spelden. De mevrouw greep mijn hand. “Lieverd,” zei ze, “ik ben zo blij dat jongeren nog een poppy dragen. Lest we forget.”

Lest we forget. Opdat we nooit vergeten. Het bleef me bij. Ook afgelopen oktober moest ik er weer aan denken. Het toeval wil dat ik, eenmaal terug in Nederland, opeens foto’s toegestuurd kreeg van een plek genaamd ‘Timbertown’. Ik had er nog nooit van gehoord. Na een snelle Google zag ik tot mijn verbazing de onverwachte link: Eerste Wereldoorlog, Engeland, Groningen. Klaarblijkelijk moet Timbertown een bekend begrip zijn in Stad – maar dat was het niet voor mij. 

Timbertown, 1915

In augustus 1914 besloot Winston Churchill de Eerste Royal Navy Brigade, bestaande uit mannen die van oorsprong mariniers waren, uit te zenden naar Antwerpen. Daar moesten zij, samen met het Belgische leger, de stad verdedigen tegen de Duitse opmars. De Duitse kanonnen maakten een oorverdovend lawaai. De Engelse troepen bleken onvoldoende opgeleid en onvoldoende uitgerust tegen het gedonder van de Duitsers. In oktober 1914 werd geprobeerd de bataljons terug te trekken naar Oostende, maar dit mislukte. Om krijgsgevangenschap in Duitsland te ontlopen, werd besloten uit te wijken naar het neutrale Nederland.

Zo’n 1500 Britse manschappen werden geïnterneerd in Groningen. Zij kwamen terecht in houten barakken, onder de Groningers al snel bekend als het Engelse Kamp. Dit kamp was gelegen aan de Hereweg, achter de toenmalige gevangenis, tegenwoordig is dit de Van Mesdagkliniek. Vanwege die houten barakken noemden de Engelsen dit kamp ‘Timbertown’.

Timbertown, 1915

Timbertown, 1916

Daar was het geen dolle boel. De Engelsen mochten het kamp niet verlaten om terug naar huis te gaan (het kamp werd bewaakt door Nederlandse militairen), maar mochten verder ook niets doen. Op het kamp werd een strak schema aangehouden. De ochtenden waren voor de dagelijkse militaire routine, er werd gewoon doorgezet met het doen van marsen en oefeningen. In de middag kon er gesport of gestudeerd worden. ’s Avonds mochten er verschillende groepjes militairen de stad in, die zich van ellende niet altijd goed wisten te gedragen. Dit bleek al snel weinig positieve gevolgen voor het moraal te hebben. Dat bestuurders besloten daarop het kamp op zondagen toegankelijk te maken voor de Groningse burgers, in het kader van inburgering en integratie, maar dit maakte de situatie er niet beter op. De Engelse soldaten voelden zich bekeken als dieren in een dierentuin. Er zat weinig anders op dan naar de fles te grijpen en zich in te laten met de dames van lichte zeden, die ook gewoon op zondag werkten. 

Timbertown, 1915

Er was verandering nodig om deze demoralisatie en verveling tegen te gaan. Gelukkig werd er al snel wat gedaan aan de sociale isolatie; zo werden er werkplaatsen gecreëerd waar een groot aantal militairen een baantje kon krijgen, idealiter het beroep dat zij in hun normale leven ook beoefenden.

Anderen werden op vrijwillige basis ingezet bij bedrijven in de omgeving, van de Veenkoloniën tot Ulrum aan toe. Enkele militairen konden zelfs gaan studeren aan Academie Minerva, of focusten zich juist op het ontwikkelen van hun sportieve capaciteiten. Er werden muziek-, toneel- en zelfs cabaretclubs opgericht. Met name de Timbertown Follies waren populair. Zij gingen zelfs op tournee door Nederland en haalden enorm veel geld op voor het goede doel. Daarnaast werden sommige Britse militairen verliefd op die mooie, blonde Nederlandse dames. Dat leidde vaak tot scharrelderij, maar ook tot huwelijken – en, na de oorlog, tot een boel gebroken harten. 

'Harriers run', Timbertown, 1915

The Royal Naval Brigade Athletic Club, Timbertown, 1915

Toch was het leven in het kamp zwaar en zeker niet kleurrijk. Verdriet, heimwee, gemis. Gevoelens van nutteloosheid, moeheid en depressie. Ondanks de Nederlandse bewaking werd er meerdere keren succesvol in geslaagd om te ontsnappen. Later werden er regelingen getroffen tussen de Nederlandse en Britse regering die zulke ontsnappingen niet meer nodig maakten. Bepaalde bezoekersregelingen zorgden ervoor dat de militairen jaarlijks enkele weken terug mochten naar Engeland. 

Op 11 november 1918 werd er een wapenstilstand gesloten en enkele dagen later vertrokken de eerste 900 manschappen uit het kamp. Op dat moment waren er ook al 300 militairen op verlof in Engeland. De manschappen die buiten het kamp werkten, zoals bij de Noord Nederlandsche Machinefabriek te Winschoten, vertrokken wat later. Tijdens het vierjarig verblijf in het Engelse kamp, zijn er negen mannen overleden. Zij liggen op de Zuiderbegraafplaats in Groningen. Per 1 januari 1919 was het Engelse Kamp, of Timbertown, officieel opgeheven. 

The Royal Naval Brigade, Timbertown, 1915

En zo komen de Eerste Wereldoorlog, Engelse militairen en Groningen bij elkaar. Wat een verhaal hè? Gelukkig is er de afgelopen jaren, door het werk van een aantal enthousiastelingen, wat meer welverdiende aandacht besteed aan het lief en leed van Timbertown. 

Ik schrijf dit terwijl er buiten sneeuw ligt en het in heel Noord Nederland al dagen ijzelt. Code Rood? Voor de meeste noorderlingen betekent dit feest. Geen school, geen werk. Social media ontploft van de filmpjes met ijs- en sneeuwpret. De straten van Groningen zijn veranderd in schaatsbanen en studentenverenigingen spelen curling met bierkratten. Iedereen maakt er het beste van. Terwijl ik vanmiddag door de binnenstad glibberde, moest ik ineens denken aan de dappere mannen van Timbertown. Hoe was het daar, als het zo vroor en er een dikke laag sneeuw lag? Waren die barakken wel bestand tegen de kou? Was men extra verdrietig, omdat er geen geliefde was om warm te houden? En geen kinderen om een sneeuwpop mee te maken? 

Getuige de foto’s maakten de Engelsen er ook altijd maar het beste van. Dat moeten we altijd maar doen: er het beste van maken. En dat moeten we niet vergeten, net als de mannen van Timbertown. Lest we forget.

Schaatsen op het tennisveld, Timbertown, 1917


Timbertown, 1914

Bronnen
Sanders, L. “Het Engelse Kamp: hoe de Eerste Wereldoorlog naar Groningen kwam.” Geschiedenis Beleven. Via http://www.geschiedenisbeleven.nl/hoe-de-eerste-wereldoorlog-naar-groningen-kwam/. 
Schlimbach, J. “De matrozen van Timbertown.” Dagblad van het Noorden, 18-05-2013. 
Wielinga, M. “Het verhaal over de internering van Britse militairen tijdens de Eerste Wereldoorlog 1914-1918.” Wereldoorlog 14-18. Via http://wereldoorlog1418.nl/engelsekamp/samenvatting/index.htm.

Voor meer informatie, kijk op: http://wereldoorlog1418.nl/engelsekamp/index.html.

donderdag 29 oktober 2015

Verdwenen dorpen, deel 7: Bellingeweer

In mijn serie ‘Verdwenen dorpen van de Ommelanden’ ben ik op zoek naar bijzondere plaatsjes in de Groninger Ommelanden die hun status als 'dorp' ergens in de geschiedenis zijn verloren. Die dorpjes kunnen zijn verdwenen door ontvolking, oprukkende industrie of overstromingen - maar ook doordat een nabijgelegen grotere plaats het voormalige dorpje heeft opgeslokt en tot gehucht of (woon)wijk heeft gemaakt. Het plaatsje van vandaag is er eentje uit die laatste categorie: Bellingeweer is nu een woonwijk van Winsum, maar was ooit een zelfstandig dorpje. 

Ik fiets door de woonwijk Bellingeweer in Winsum. Bellingeweer is eigenlijk een verdwenen dorp, want ooit was het zelfstandig en lag het op een wierde in het platteland. Die wierde werd trouwens al rond de jaartelling opgeworpen en is nog steeds vaag te zien in het landschap. Het nabijgelegen dorp Winsum heeft zich door de jaren heen flink uitgebreid, zodoende Bellingeweer opgeslokt en tot onderdeel van Winsum gemaakt. Ik ben vandaag op zoek naar een overblijfsel dat verwijst naar dit verdwenen dorp Bellingeweer. 

Laatst kwam ik met de bus door Winsum en viel me op dat er bij Bellingeweer iets ommuurd was. Er staken grote, donkere bomen boven de oud uitziende muren uit. Mijn nieuwsgierigheid was gewekt en al snel vond ik uit dat het om een historische begraafplaats ging. Dus duurde het niet lang voordat ik besloot op de fiets te stappen en zelf een kijkje te nemen.

Dat doe ik nu dus. De begraafplaats ligt verscholen achter een rij mooie huizen. Langzaam fiets ik er langs om ergens een ingang te ontdekken. Ik vind een smal paadje dat tussen twee huizen door loopt en tot het hek van de ommuring leidt. Bij gebrek aan een fietsenrek of iets dergelijks zet ik mijn fiets tegen de netjes bijgehouden heg van de buren aan, in de hoop dat de eigenaar het niet doorheeft. 

Na een korte worsteling met het hek loop ik het voormalige kerkhof op (hoe is het mogelijk dat het áltijd en óveral hetzelfde is met hekken en mij). Er staat namelijk geen kerk meer. Toen Bellingeweer steeds meer bij Winsum ging horen werd het kerkje afgebroken, in 1824. Die kerk was toen nog geen twee eeuwen oud want die werd pas in 1641 gebouwd. 


Het ontbreekt me nogal aan bronnen betreffende Bellingeweer. Toch kunnen we even kort de geschiedenis induiken. Daarbij springt één element gelijk in het oog: dat de geschiedenis van het dorp en de parochie nauw verbonden is met de familie Tamminga die de plaatselijke borg bewoonde. 
De Tammingaborg, of het ‘Huis (te) Bellingeweer’ stond iets ten zuidoosten van de begraafplaats die ik nu bezoek. Het was een borg met een dubbele gracht en zonder al te veel versiersels. Het is heel goed mogelijk dat de Tamminga’s verantwoordelijk zijn voor de stichting van de parochie Bellingeweer. Een parochie kan in het leven geroepen als er voldoende middelen en goederen zijn. Die worden vaak geschonken door een kerkelijke organisatie of op initiatief van een groep inwoners. In dit geval wordt er vanuit gegaan dat een enkel geslacht (de Tamminga’s) alle goederen hebben geschonken. Daardoor was de parochie een ‘eigen kerk’ van de stichter. 

De eerste Tamminga van Bellingeweer die in de archieven te vinden is, is ene Allert. Hij leefde in de zestiende eeuw en was geen vergevingsgezinde man. Het toenmalige kerkje van Bellingeweer kende een pastoor met een kleptomanische neigingen. Toen de pastoor op een dag werd betrapt terwijl hij een kelk onder zijn gewaad probeerde te verstoppen, liet Allert hem onthoofden – wat misschien wel een beetje een overdreven straf is voor diefstal.


Rond de tijd dat de pastoor zijn hoofd verloor, brak ook de Tachtigjarige Oorlog uit. Allert was fan van de Spanjaarden en moest niets hebben van de Oranjegezinde protestanten. Boze geuzen ruïneerden in 1581 Allert’s huis en de door zijn familie gebouwde kerk en pastorie. Blijkbaar heeft de kerk ruim zestig jaar, tot 1641, in puin gelegen, want die werd pas heropgebouwd door Allert’s zoon Onno. Onno’s grafsteen ligt nog steeds in Bellingeweer.

Allert en Onno hadden, zoals zoveel bewoners van Groninger borgen, een reeks interessante opvolgers met gekke namen en nog gekkere acties. Zo komen we iemand tegen met de voornaam ‘Schotto’, en ene ‘Lamoraal van der Noot van Risoir’ (hoe verzin je het). Enkele generaties later verschijnt er een Clara Feyoena ten tonele. Op haar zeventiende schreef ze een bundel gedichten die in de herfst van 1746 verscheen, in die tijd een bijzondere gebeurtenis voor een jonge vrouw. De bundel heette ‘Bellingeweerder Uitspanningen’. 


Clara’s vader heette Pier Willem. P.W. was overtuigd aanhanger van de Oranjepartij. Toen Willem IV in 1747 als stadhouder werd aangesteld, versierde hij zijn Tammingaborg en organiseerde allerlei festiviteiten. In die tijd werd de borg ook nog eens verbouwd. Op een gegeven moment werd hij zelfs lid van de Staten-Generaal in Den Haag. 

Pier Willem’s zoon Frans Onno stierf ongehuwd. Sappig detail: Frans stierf dan misschien ongehuwd, maar niet kinderloos: hij zou naar verluidt een kind hebben verwekt bij een ‘daglonersche’ met de naam Geertruid Fuck van Sijtzema. Lees de naam nog eens goed: Geertruid FUCK van Sijtzema – tja, dan kunnen we Frans Onno maar weinig kwalijk nemen natuurlijk (grapje hoor). 


Frans’ erfgenamen boden het huis al snel te koop aan nadat Frans het loodje had gelegd. Er kwam een zeeman te wonen samen met zijn vrouw. Het ging niet om een bijzonder gelukkig echtpaar: de zeeman had ernstige verkwistingsproblemen wat betreft geld- en goederen. Hij perste zelfs zijn eigen vrouw af. Die riep de hulp in van de hoge justitiekamer en die besloot dat het huis weer verkocht moest worden. De broer van de zeeman werd de nieuwe eigenaar. Hij was incasseerder van belastingen. Toen hij en zijn vrouw kwamen te overlijden in 1819 en 1820, werd de borg op afbraak verkocht. 

Naast dat de grote geldschieters van de kerk en pastorie nu allemaal dood waren, was Bellingeweer inmiddels bijna onderdeel van het oprukkende Winsum geworden. In 1824 werd daarom door kerkvoogden en notabelen besloten de boel in Bellingeweer maar af te breken. 

Op de plek wat ooit het borgterrein was, staan nu woonblokken. Er is dus eigenlijk nog maar weinig van te zien van het voormalige terrein. Dat is jammer, want de Tammingaborg speelde een belangrijke rol in het voormalige dorp Bellingeweer. Gelukkig is er nog wel het ommuurde kerkhof een eindje verderop: een overblijfsel van het ooit zelfstandige dorpje. Er liggen heel wat oude graven die doen denken aan de tijd dat alles in Bellingeweer nog heel anders was. Ik zie eeuwenoude stenen met familiewapens en grafsymboliek. Er staan haantjes afgebeeld, en vlindertjes en zelfs herten. Bomen, klavertjes en ankers en bijlen. Ik vraag me af wie deze mensen zijn geweest: woonden ze in de huizen die in dit oude straatje staan/stonden, de straat die nog steeds Bellingeweer heet? Kenden ze de Tamminga’s? Waren ze de bakkers, kleermakers en smeden van Bellingeweer? Gingen ze elke zondag vroom naar het kerkje dat later met de grond gelijk zou worden gemaakt? 



Ik sluit (met enige moeite) het hekje van Bellingeweer en laat het kerkhof achter me. Voor ik weet ben ik zo midden in het drukke centrum van Winsum. Wat vreemd te bedenken dat ik net van een verdwenen dorpje ben gekomen, dat ooit zo alleen op het platteland lag… 

Bronnen
Alma, R. (red.) Winsum 1057-2007. Winsum: Stichting historische uitgaven Winsum-Obergum, 2007.
Formsma W.J., R.A. Luitjens-Dijkveld Stol en A. Pat. De Ommelander Borgen en Steenhuizen. Assen: Van Gorcum, 1987.

zaterdag 17 oktober 2015

Van Lauwerszee tot Dollard tou, deel 2: de Westpolder

In deze serie fiets ik langs de Groninger zeedijk van het Lauwersmeer naar de Dollard. Ik ontdek op die manier de Groninger kustlijn en stuit daarbij op mooie plaatsjes en interessante verhalen. Kortom: Van Lauwerszee tot Dollard tou! 

Vanaf Lauwersoog fiets ik in oostelijke richting over de Kustweg. Aan mijn rechterhand bevindt zich het Lauwersmeergebied, aan mijn linkerhand de dijk. Achter de dijk strekken zich kwelders uit zover als het oog rijkt. De wind waait er hard en er krijsen meeuwen. Het is even flink trappen om vooruit te komen. Plots buigt de dijk naar het noordoosten en maakt het Lauwersmeergebied plaats voor een weids lapjesland van akkerbouw. Dit is de Westpolder.  

De polder ligt op de grens van de Waddenzee en de voormalige Lauwerszee en werd aangelegd tussen 1873 en 1876. Het initiatief om het buitendijkse gebied ten noorden van Vierhuizen in te polderen kwam vanuit een aantal lokale boeren die recht hadden op de kweldergronden. Maar er leek wel een vloek te rusten op de inpoldering en bedijking van het gebied… 

De Westpolder

Een jaar na aanvang van de werkzaamheden bleek al dat de dijk, die deels klaar was, niet bestand was tegen het water. In het voorjaar van 1874 sloeg het woeste water toe en verzwolg een groot deel van de dijk. En niet alleen de dijk verdween in de golven – ook dertien polderwerkers van wie de onderkomens niet voldoende versterkt waren. Vreemd genoeg is dit een redelijk onbekende ramp, zeker in tegenstelling tot die van drie jaar later. 

Enfin, na dat ongelukkige voorjaar van 1874 kwam het project niet echt goed meer op de rails. Er ontstonden grote financiële problemen omdat polderwerkers staakten en betere onderkomens eisten (geef ze eens ongelijk), en omdat de dijk nogmaals beschadigd werd tijdens een herfststorm in datzelfde jaar. Er kwam een achterstand in het werk en de kosten bleven maar stijgen. Uiteindelijk werd door de boeren besloten de aannemer uit te kopen en in zee te gaan met een andere aannemer. Daarmee ging het beter en uiteindelijk kwam de Westpolder gereed in 1875. 

Er verrezen enkele enorme boerenhoeven. De hoog uitgevallen lasten wogen zwaar op de schouders van de boeren en er moest dus snel veel geld verdiend worden. 

Één van die grote boerenhoeven: Klein-Midhuizen (foto: Hans Zant)

Maar helaas – enkele jaren na de voltooiing van de inpoldering hadden de weergoden het wederom voorzien op de Westpolder. In de nacht van 30 op 31 januari 1877 werd de polder getroffen door een stormvloed. De hele dag was het slecht weer geweest en sloeg er zeewater over de dijk. En toen brak ’s nachts de dijk op twee plekken, waardoor in korte tijd de halve polder vol water stond. De grote boerderijen overstroomden, pannen vlogen van het dak en arbeidershuisjes stortten ineen. Sommige veehouders verloren al hun schapen en varkens in de golven. 

Veertien mensen vonden de dood. Op het kerkhof van de kerk van Vierhuizen staat een monumentje ter nagedachtenis aan de dertien doden die in Vierhuizen zijn gevallen tijdens die overstroming van de Westpolder in 1877. Zij liggen in een gezamenlijk graf ergens onder de grond. Er kwam ook een veertienjarig meisje om, zij was uit te logeren in Vierhuizen en ligt begraven in Houwerzijl.

Maar daar houdt het niet op. Terwijl er gelijk met de herstelwerkzaamheden was begonnen in februari 1877, was het met Pasen weer raak. Een vloed zette de gehele polder wederom onder water en hoewel er geen slachtoffers vieren, zorgde de verzilting van de grond de jaren erop voor slechte oogsten. De herstelkosten moesten de inwoners zelf betalen. Maar de noeste Groningers wisten zich te handhaven en kwamen er weer bovenop.

Monument te Vierhuizen, ter nagedachtenis aan de slachtoffers van de overstroming van 1877. Maar waarom niet voor de polderwerkers uit 1874?

Ik zei al: er leek wel een vloek te rusten op de Westpolder. In 1994 werd op de oude Lauwerszeedijk een monument onthuld als herinnering aan de trieste geschiedenis van de polder.

Gelukkig zijn de dijken anno 2015 een stuk sterker. Ik fiets door een prachtig landschap. Er lopen enkele rechte wegen door de velden, maar verder is er bijna niets. 

De Westpolder wordt gedomineerd door zeven grote boerderijen die in lijn van zuidwest naar noordoost midden in de polder staan. Hier woonden de rijke boerengeslachten zoals we die kennen in de Groninger geschiedenis. Leden van enkele van deze families, zoals Mansholt, Louwes en Zijlma, bekleedden hoge bestuursfuncties. De boerderijen hebben allemaal een eigen naam. In 1875 werden de boerderijen Nieuw Midhuizen, Manneplaats en Torum gebouwd, in 1876 Nieuw Onrust, Nieuw Zeeburg en Fletum en in 1901 Klein Warkemaheerd. 

Midhuizen (foto: Hans Zant)

Klein-Midhuizen (foto: Hans Zant)

Wat opvallend is, is dat Torum en Fletum genoemd zijn naar voormalige dorpjes in het verdronken Reiderland bij de Dollard – aan de andere kant van de provincie dus. Torum is waarschijnlijk de bekendste boerderij: het werd gebouwd door Derk Roelof Mansholt, grootvader van Sicco Mansholt. Sicco is geboren op Torum. Iedereen die wat weet van het Europees landbouwbeleid of die Frank Westerman’s briljante Graanrepubliek heeft gelezen, zal wel bekend zijn met Sicco Mansholt. Van 1945-1958 was hij minister van Landbouw, van 1958-1972 Europees commissaris belast met landbouw en in 1972-1973 voorzitter van de Europese commissie. 

Mansholt was de geestelijke vader van het Europees gemeenschappelijk landbouwbeleid. Subsidiëring van de landbouw zou van boeren arbeiders maken waarmee boeren deel konden nemen aan de delen van de burgerlijke cultuur die voor arbeiders openstonden, zoals vakanties. Het kwam er op neer dat de staat alle grond tegen een redelijke prijs van de boeren zou opkopen, en dat de boeren daarop pachter zouden worden, waardoor de staat zou kunnen bepalen wat en hoeveel er verbouwd zou gaan worden. In de periode na zijn tijd als Eurocommissaris kreeg Mansholt spijt van de invoering van de landbouwsubsidies en schaalvergroting. Maar zijn pogingen om deze ongedaan te maken mislukten.

Wat een levensverhaal hè. Nou, die man komt dus van de boerderij Torum. Vanaf Torum is het niet ver meer naar het dorpje Vierhuizen. Vierhuizen is een klein, verstild dorpje temidden van weilanden. Je zou haast niet merken dat het er ligt; auto’s razen er snel aan langs op weg naar Zoutkamp of Lauwersoog. Er is één weg waarmee je aan de ene kant het dorp inkomt en aan de andere kant er weer uitgaat, afgezien enkele doodlopende zijweggetjes en een smal kerkepad richting Zoutkamp. Vroeger, toen de Westpolder nog niet bestond, lag Vierhuizen aan zee. Er wordt wel eens verteld dat het dorp een heus zeeroversnest is geweest… Voor meer over Vierhuizen, lees dan mijn artikel ‘Een avond in Vierhuizen’ van 17 mei 2015.

Vierhuizen


Vierhuizen

Ik verlaat Vierhuizen in noordoostelijke richting en passeer daarbij gehuchten als Menneweer, Midhuizen en Westerhorn. In de verte zie ik de herkenbare kerktoren van Hornhuizen. Volgende keer stap ik daar weer op! 

Bronnen
Weerden, J.S., van. De Westpolder: de geschiedenis van een Waddenpolder en zijn ingelanden. Waterschap Westpolder, 1960.
Westerman, F. De Graanrepubliek. Amsterdam: Atlas, 1999.
www.marnegebied.nl 

dinsdag 6 oktober 2015

Verdwenen dorpen, deel 6: Ladysmith

In mijn serie ‘Verdwenen dorpen van de Ommelanden’ ben ik op zoek naar lang vergeten dorpjes in de Groninger Ommelanden. Vandaag bevind ik me iets ten noorden van Delfzijl, waar ooit een gehucht met de bijzondere naam 'Ladysmith' lag. Ik vind dit persoonlijk één van de meest bijzondere verhalen die ik tot nu toe ben gekomen in mijn reisjes door de Groninger Ommelanden. 

Ladysmith, Zuid-Afrika, 1847-1902

Er was eens een mooi Spaans meisje genaamd Juana María de los Dolores de Léon. Ze was een weeskind van adellijke afkomst en woonde in de stad Badajoz. In 1812, toen ze veertien jaar was, werd haar stad voor de vierde keer bezet door de troepen van Napoleon. Gelukkig wisten de Britse en Portugese troepen hier, zij het op een bloedige manier, een eind maken. De Franse troepen begonnen toen maar met het plunderen van de stad. Juana zocht, samen met haar zusje, bescherming bij een aantal Britse officieren die net buiten de stadsmuren verbleven. Daar ontmoette Juana majoor Harry Smith. Het was liefde op het eerste gezicht en ze trouwden enkele dagen (!) later. 

In plaats van bij zijn familie in Engeland te gaan wonen, besloot Juana dat zij haar Harry niet zo lang kon missen. Ze vergezelde hem op vrijwel al zijn militaire expedities. Dit was ongewoon voor een vrouw in die tijd: ze heeft heel wat ontberingen en zware situaties mee moeten maken. In 1847 vertrokken de geliefden naar Zuid-Afrika, waar de intussen geridderde Sir Harry gouverneur van de Kaapkolonie werd. Ook was hij een hoge commissaris voor de koningin en opgeklommen tot Luitenant-Generaal. Maar het was zijn vrouw die de show stal. Juana heette inmiddels Lady Smith en de nederzetting Windsor in de provincie KwaZulu-Natal werd in 1850 omgedoopt tot Ladysmith. De nederzetting groeide uit tot een flinke stad. 

Ladysmith in Zuid-Afrika

Jaren later, in het jaar 1900, toen Harry en Juana beide al overleden waren, werd Ladysmith het toneel van de Tweede Boerenoorlog. 

Even wat achtergrondinformatie: in de negentiende eeuw waren de afstammelingen van Nederlandse kolonisten (Boeren) naar het noorden van Zuid-Afrika gemigreerd om te ontkomen aan de Britse heerschappij in het zuiden (bij de Kaapkolonie). Deze Nederlandstalige Boeren stichtten daar in het noorden een aantal Boerenrepublieken waarvan er uiteindelijk twee grote over bleven: Transvaal en de Oranje Vrijstaat. De Britten wilden heel Zuid-Afrika veroveren en kropen steeds noordelijker. Na een aantal schermutselingen bereikte de spanning een hoogtepunt en brak er een oorlog uit.

De Tweede Boerenoorlog was dus een oorlog tussen de Boeren van Transvaal en de Oranje Vrijstaat enerzijds, en het Britse Rijk anderzijds. De stad Ladysmith was voor de Britten het centrale punt voor operaties in de regio Natal. De troepen van de Boeren omcirkelden de stad en bezetten Ladysmith van begin november 1899 tot het einde van februari 1900. Ongeveer 3000 Britse soldaten lieten het leven tijdens de Boeren bezetting. 

Uiteindelijk resulteerde de oorlog wel in een overwinning voor het Verenigd Koninkrijk – al kostte dit zoveel inspanningen en geld dat de overwinning dezelfde uitwerking had als een nederlaag. De laatste Boeren (met de prachtige naam ‘de bittereinders’) gaven zich over in mei 1902 en de oorlog eindigde met het Verdrag van Vereeniging. Het Verdrag van Vereeniging luidde het einde in van de onafhankelijke Boerenrepublieken. De strijd had het leven gekost aan 7000 Boeren, ongeveer 28000 Boerenvrouwen en -kinderen in Britse concentratiekampen, circa 20.000 mensen van inheemse afkomst en 22.000 Britse soldaten. 

Ladysmith, Nederland, 1901-1974

Tijdens de Tweede Boerenoorlog leefden veel Nederlanders mee met de Boeren in Zuid-Afrika. Zo ook aannemer Janske Bruggemann, die de Boeren met hart en ziel steunde. Janske bouwde in 1901, nabij Uitwierde ten noorden van Delfzijl, een buurtschapje met zeven huizen. Deze huisjes waren grotendeels bedoeld voor kleigravers en stonden bijna tegen de Waddendijk aan gebouwd. Janske doopte het buurtschapje Ladysmith, een naam die verwees naar de Boerenbelegering van Ladysmith in Zuid-Afrika. 

Links in de hoek Ladysmith, daaronder Uitwierde en Biessum en rechtsboven Delfzijl (foto: Hans Zant)

In een boek over Uitwierde, stammend uit 1987, herinnert een hoogbejaarde voormalig inwoner van Ladysmith zich deze Janske als iemand die ontzettend tekeer kon gaan over de Britse troepen en hun aanvoerder Chamberlain. Janske is droevig aan zijn eind gekomen; hij is verdronken in de gracht van een nabijgelegen boerderij. 

Toen Janske begon met het bouwen van Ladysmith, heette het streekje ‘Naterij’. Nu anno 2015 Ladysmith weer is verdwenen, wordt het streekje weer ‘Naterij’ genoemd. Het streekje ontleende zijn naam aan een oud perceel, dat reeds in de Franse tijd werd genoemd. Toen behoorde het toe aan ene Trien of Trijntje Naat. Het perceel en het huis dat erop stond waren dan ook bekend als ‘Trinaat’ of ‘de Naterij’. Het heeft dienst gedaan als herberg en omdat het huis tamelijk groot is, verhuurden de bewoners soms ook kamers. 

De Naterij (foto: Hans Zant)

Het perceel ‘de Naterij’ werd in 1901 dus plots vergezeld door een aantal nieuwe huisjes en ‘Ladysmith’ genoemd. Aangezien deze naam een tikkeltje te exotisch was voor de gemiddelde Groninger, werd het gehuchtje wat minder poëtisch ‘Laddiesmit’ genoemd. Een eindje verderop werden aan de dijk nog vier van hetzelfde soort huurhuisjes gebouwd. Die vier huisjes werden in de volksmond de ‘hoeskes onner diek’ genoemd. De huur voor de nieuwe huisjes was destijds één gulden vijftig per dag. Eens kwam het voor dat een bewoonster –een weduwe met zeven kinderen – niet de huur op kon brengen en zonder pardon het huis uit werd gezet.

Foto: Hans Zant

Foto: Hans Zant

Het gehucht Ladysmith en de ‘hoeskes onner diek’ werden vanaf 1966 tot en met 1974 met de grond gelijkgemaakt vanwege de aanleg van de Hogelandsterweg en de verhoging en verbreding van de zeedijk. Een deel van de oude dijk is nu nog steeds te zien. 

In 1976 werd bedacht dat het nu lege gebied van Ladysmith, samen met het naastgelegen gebied Voolhok, een landschapspark met kinderspeelplaats moest worden. Voolhok is een ingepolderd stukje Eemsdelta tussen de oude zeedijk en de nieuwe Deltadijk waar bijzondere planten- en diersoorten te vinden zijn. In dat landschapspark zijn enkele ruïnes te vinden. Dit zijn geen echte overblijfselen van de huisjes van Ladysmith, maar opgemetselde muurtjes die een onderdeel vormen van het kunstproject dat in 1976 werd gerealiseerd door beeldend kunstenaar Peter van Haagen. 

Jammer genoeg zijn anno 2015 het landschapspark, de speelplaats en het kunstproject erg overwoekerd en is er nog maar weinig van te zien. Wat een ironie; het monument voor het verdwenen dorp Ladysmith brokkelt nu zelf af. Het wordt een beetje een spookachtige plek, bedenk ik me als ik langs het verwilderde stukje natuur loop. Afgezien het verderop gelegen gemaal dat de naam Ladysmith draagt en ervoor zorgt dat de Delfzijlsters droge voeten houden, is er straks niets meer wat ons aan Ladysmith doet herinneren. 

De 'ruïnes' van Ladysmith

Ladysmith

De overblijfselen van de oude dijk is duidelijk te zien achter de huidige dijk

En zo komt dit bizarre verhaal tot een einde. Het is het verhaal van een jong Spaans meisje dat verliefd werd op een Engelse officier, haar naam gaf aan de nederzetting Ladysmith in Zuid-Afrika, dat vervolgens achtergrond werd van een gruwelijke oorlog. Het is ook het verhaal van Janske Bruggemann, een fanatieke Boeren-sympathisant uit Delfzijl, en het verhaal van de arme kleigravers van ‘Laddiesmit’.  

Het zonnetje glinstert in het felblauwe water. Ik sta op de dijk bij Ladysmith en denk aan Juana. Het dappere veertienjarige meisje had tijdens die vreselijke Franse bezetting en plunderingen nooit kunnen bedenken dat haar naam aan een stad in Zuid-Afrika gegeven zou worden. En niet alleen in Zuid-Afrika, maar ze gaf haar naam ook aan plaatsen in Australië, Canada en Wisconsin. En natuurlijk aan de allermooiste plek: in het noorden van de provincie Groningen.

Bronnen
Doorn, F. van, en P. Hermans. Fietsen rond de wereld in Nederland. Houten: Spectrum, 2013.
https://www.natuurmonumenten.nl/natuurgebied/biessumerbos/route/wandelroute-biessumerbos-en-voolhok-groningen
http://www.staatineemsdelta.nl/2536/ladysmith
http://www.voko-lichen.nl/voolhok_ladysmith/voolhok_ladysmith.html

zondag 27 september 2015

Van Lauwerszee tot Dollard tou, deel 1: het Lauwersmeer

Vandaag lees je hier het eerste gedeelte van een nieuwe serie verhalen! In deze serie fiets ik langs de Groninger zeedijk van het Lauwersmeer naar de Dollard. Ik ontdek op die manier de Groninger kustlijn en stuit daarbij op mooie plaatsjes en interessante verhalen. Kortom: Van Lauwerszee tot Dollard tou! In dit eerste gedeelte blijf ik echter nog even hangen rondom het startpunt van mijn route: het Lauwersmeer. 

Het waait altijd hard bij de haven van Lauwersoog. De vlaggen van de restaurants en bedrijven staan strak, en het water klotst wild tegen de dijk aan. Ik proef zout op mijn lippen. Het is fijn om hier te staan, met mijn fiets aan de hand, uitkijkend over de talloze kleurige vissersbootjes. De haven heeft plek voor wel 150 vissersschepen, die uit Zoutkamp, Urk, Termunterzijl, Noord-Holland, en zelfs Duitsland en Denemarken komen. Die kunnen hier vissen op oesters, schelvissen en platvissen, zoals tong, tarbot en schol. Ik heb goede herinneringen aan Lauwersoog. Toen ik klein was betekende een bezoekje aan Lauwersoog namelijk een dagje op avontuur in de duinen van Schiermonnikoog. In de verte is het Waddeneiland al te zien. Dit keer echter verlaat de veerboot de haven zonder mij. Lauwersoog is voor mij vandaag het startpunt van een ander avontuur: mijn fietstocht langs de Groninger zeedijk. Ik fiets vanaf de Friese grens naar de grens met Duitsland en doe onderweg de meest noordelijk gelegen plaatsjes van onze provincie aan. Met andere woorden: ik ga van Lauwerszee tot Dollard tou.


Lauwersoog


Lauwersoog

Terwijl ik de veerboot steeds kleiner zie worden, realiseer ik me dat ik behalve die boot maar heel weinig weet over het Lauwersmeergebied in het algemeen. Normaal gesproken spring ik de bus of auto uit, zo aan boord, zonder eens goed om me heen te kijken. Daar moet verandering in komen, dus besluit ik eerst de Lauwersmeerroute te fietsen. In ongeveer 40 kilometer fiets je om het meer heen, over bewegwijzerde fietspaden. Wegens de weersomstandigheden besluit ik de route tegen de klok in te fietsen: dus van Lauwersoog Friesland in, en dan via Zoutkamp weer terug naar Lauwersoog. Voor de rest van dit verhaal zal ik, zoals een echte Groningse betaamt, het gedeelte in Friesland maar even overslaan (grapje hoor, dit heeft met de lengte van deze tekst te maken) (want eerlijk is eerlijk: noordoost-Friesland is prachtig – bezoek vooral Paesens, Moddergat en Anjum). 

Toch is een klein stukje Friesland nodig. Bij Surhuisterveen ontspringt een beekje, dat verderop al snel een rechtgetrokken sloot wordt. Dit watertje heet de Lauwers. Op een gegeven moment komt dit water samen met de Oude Vaart, en zo krijgt de Lauwers de breedte van een rivier. Deze rivier vormt voor een gedeelte de natuurlijke grens tussen Groningen en Friesland. De Lauwers is van oudsher een belangrijk water omdat het niet alleen een geografische grens vormt, maar ook een taalkundige en culturele grens. Vandaar, waarschijnlijk, dat het gehele gebied later ook Lauwersland is genoemd: want als je alleen zou kijken naar de breedte van de wateren die uitmonden in het Lauwersmeer, het vaarverkeer en de economische activiteiten, zou de naam ‘Reitdieperland’ veel logischer zijn geweest. Vergeleken met het Reitdiep mag de Lauwers dan maar een klein stroompje water zijn, maar de culturele en historische waarde ligt bijzonder hoog. 

De Lauwers mondde vroeger uit in de Lauwerszee, een baai helemaal aan de noordkust van Nederland die deel uitmaakte van de Waddenzee. De Lauwerszee was ontstaan in de Middeleeuwen en zorgde voor visserij en handel. Echter overstroomden de omliggende gebieden nog wel eens, en werd er al vanaf de zeventiende eeuw nagedacht over indijking en afsluiting van de Lauwerszee. Het bleef slechts bij plannen. Pas na de Watersnoodramp van 1953 werden de plannen een nieuw en serieuzer leven ingeblazen. Bestuurders vonden afsluiting in eerste instantie een te dure optie, en daarom werd ervoor gekozen de dijken enkel te versterken en te verhogen. Met name vanuit de Friese kant van de grens kwam er veel verzet tegen deze beslissing. Met de leus ‘De Lauwerssé moat ticht!’ verzamelde het actiecomité 135.000 handtekeningen en organiseerde het grote manifestaties. De regering ging uiteindelijk overstag, maar stuitte toen weer op onvrede onder de Groningers. Groningers, en met name Zoutkampers, waren juist helemaal niet blij met de afsluiting. Die betekende namelijk dat de Zoutkamper haven en garnalenvloot naar Lauwersoog moesten verhuizen. Toch ging de afsluiting door. 


De afsluiting

Na de afsluiting was er voor het eerst geen invloed meer van eb en vloed. De nu 9000-hectare grote zand- en slikvlakte lijkt op de Waddenzee als die eb is. Voormalige kwelders, langs de randen van het meer, zijn nu landbouwgronden geworden. Grote delen van de droogstaande zeebodems zijn de eerste decennia aan hun lot overgelaten zodat er veel natuur kon ontstaan. Inmiddels is het water van het Lauwersmeer zoet geworden, waarmee de natuur ook is veranderd. Sinds 2003 is het Lauwersmeergebied een nationaal park.  


Lauwersmeergebied

Enfin, terug naar mijn fietstocht. Het Groningse gedeelte van de Lauwersmeerroute dat ik fiets, bevindt zich dus, zoals ik al schreef, tussen Zoutkamp en Lauwersoog. Misschien lijkt dat maar een klein stukje, toch is er genoeg te beleven. Wanneer ik vanuit Friesland het vaderland weer in fiets (oké nog één Friesland-grapje), ben ik eigenlijk gelijk in Zoutkamp. Zoutkamp ligt nog net in Groningen, maar dus op de grens met Friesland. Bij Zoutkamp komen het Reitdiep, de Lauwers en het Hunsingokanaal bij elkaar, en stromen vervolgens door het Lauwersmeer in. Nu is het dorp een toeristische trekpleister met haar mooie haven, vele restaurants en het zeer aan te raden visserijmuseum – maar vroeger had het dorp hele andere functies: tijdens de Tachtigjarige Oorlog diende het als verdedigingsbolwerk en later als belangrijk vissersdorp. Zoutkamp lag namelijk op een uiterst strategische plek; tot de uitgraving van het Eemskanaal in 1876 was dit de enige toegang tot de stad Groningen vanaf zee. In 1576 werd de schans ‘Soltcampe’ gebouwd, waar het Spaanse garnizoen legerde. Tijdens de Slag om Zoutkamp in oktober 1589 werd dit Spaanse bolwerk veroverd door de geuzen. Er kwamen vooral soldaten te leven, maar er woonde ook een predikant en er was een garnizoenskerkje. De geuzen trokken vanaf hier de Ommelanden in om de katholiekgezinde inwoners een lesje te leren.

In de eeuwen daaropvolgend verwerd Zoutkamp tot een echt vissersdorp. De garnalenvisserij was veruit de belangrijkste sector. In de jaren ’60 werd de Lauwerszee afgesloten en de haven verplaatst naar Lauwersoog, hetgeen betekende dat de karakteristieke garnalenkotters verdwenen uit de haven van Zoutkamp. Toen koningin Juliana naar de afsluiting van de Lauwerszee kwam kijken, hing in Zoutkamp de vlag halfstok. De garnalen werden van oudsher gepeld door huisvrouwen in Zoutkamp, maar na het thuispelverbod van 1990 verschoof dit werk naar andere landen. Ik hoorde van iemand die bij Zoutkamp in de buurt woont dat al het pellen nu gebeurt in Marokko. Dat vond ik erg vreemd om te horen. Marokko? Ik vroeg hoe dit in z’n werk ging. Ongepelde garnalen worden vanuit Zoutkamp naar Spanje gereden, en daar overgeladen in boten naar Marokko. Gepelde garnalen worden dan weer terug vervoerd naar Zoutkamp, waar de laatste bewerkingen plaatsvinden.
Ik ben vaker in Zoutkamp geweest, maar ik blijf het een fijne plek vinden om te komen. Er staan kraampjes die vis en, natuurlijk, garnalen verkopen en er is ook een kraampje aan de haven dat allerlei soorten ijs verkoopt. Het is warm, dus kies ik twee bolletjes ijs uit en eet het op terwijl ik naar de bootjes in het Reitdiep kijk. 


Zoutkamp

Vanuit Zoutkamp fiets ik niemandsland in: er zijn alleen grote hoeveelheden water, vogels, en riet. En straaljagers. De F16’s komen uit Leeuwarden en oefenen vaak boven het Lauwersmeer- en Waddengebied. Het blijft een machtig gezicht, van die zwarte gevaartes daar hoog in de lucht. Geheel in deze militaire stijl kom ik aan bij Marnewaard, een militair oefenterrein. Onderdeel van dit oefenterrein is het dorp Marnehuizen; het grootste militaire oefendorp van Europa. Niet alleen Nederlandse militairen trainen hier, maar het oefendorp wordt ook door buitenlandse strijdkrachten en antiterreureenheden gehuurd. De Willem Lodewijk van Nassaukazerne biedt plaats aan de eenheden die van deze oefenfaciliteiten gebruik maken.

In de jaren ’80 werden de eerste plannen gemaakt voor het ontwikkelen van een ‘ruïnedorp’. In de jaren ’90, naar aanleiding van de Joegoslavische Burgeroorlog, stelde defensie dat militairen moesten kunnen trainen in stadsgevechten. Het dorp telt sindsdien 122 gebouwen, waaronder een aantal huizen, winkels, bank, supermarkt, een gemeentehuis, een tankstation, een aantal loodsen en een ondergronds rioolstelsel. Het dorp Marnehuizen is niet toegankelijk voor de gewone burger, maar het gebied Marnewaard wel.


Toevallig was ik al eens in Marnewaard, ik was toen toeschouwer bij de Nederlandse Club Kampioenschappen wielrennen die daar gehouden werden. Het centrum van alle activiteiten was de Willem Lodewijk van Nassaukazerne. Dat kwam goed uit, want veel nieuwsgierige omwonenden hadden zo eindelijk eens de kans om de boel van dichtbij te zien (het oefendorp Marnehuizen helaas niet). Ik was geen omwonende, maar wel nieuwsgierig, dus ook ik liep een rondje door de gedeeltes van de kazerne die open waren. Ik zag geen militairen, maar wel legerkleurige hemdjes die aan de waslijntjes hingen te wapperen. Het was tenminste iets. De kazerne zelf is overigens een blok beton dat me deed denken aan een Van de Valk-hotel. Toch zal het er niet zo geriefelijk zijn, gok ik.

De kazerne ziet er nu heel anders uit. Er staan geen juichende toeschouwers aan de kant, er fietsen geen wielrenners in felgekleurde pakjes, er racen geen volgauto’s over de weg. Het is er uitgestorven. Dit keer zijn de slagbomen naar beneden. 

Ik fiets verder langs wateren met gekke namen: Jaap Deensgat, Vlinderbalg, Nieuwe Robbengat. Er is van alles te zien en te doen voor de natuurliefhebber, met name voor de vogelaar. De meer sportieve toeristen kunnen hier op het Lauwersmeer goed zeilen en surfen. Ik ben noch een vogelaar noch sportief, maar ook ik kan genieten van het Lauwersmeergebied. In de verte ruik ik de geur van vis. Voor ik het weet ben ik bijna weer terug bij mijn beginpunt.


Lauwersmeergebied

Volgende keer begin ik écht met mijn tocht langs de Groninger zeedijk: dan verlaat ik Lauwersoog en fiets ik in oostelijke richting, door de Westpolder. Ik ben benieuwd wat er allemaal op mijn pad gaat komen. 


Lauwersmeergebied

Bronnen
Boiten, P. (ed) Lauwersland: Verguld hart van het wad. Leeuwarden: Friese Pers/Noordboek, 2011.
http://www.np-lauwersmeer.nl/documents/home.xml?lang=nl
http://www.staatsbosbeheer.nl/natuurgebieden/lauwersmeer

donderdag 17 september 2015

Verdwenen dorpen, deel 5: Menkeweer

In mijn serie ‘Verdwenen dorpen van de Ommelanden’ ben ik op zoek naar lang vergeten dorpjes in de Groninger Ommelanden. Vaak zijn de overgebleven historische kerkhoven het enige bewijs dat er op deze eenzame plekken ooit een dorp heeft gestaan. De artikelen in deze serie verschijnen eens in de paar weken, en zullen afgewisseld worden met andere verhalen. Dit keer ben ik in Menkeweer.

PIIIIEEEEP! Mijn fietsremmen gieren het uit. Ik moet vol in de ankers omdat ik al bijna voorbij mijn doel van vandaag ben gefietst – gelukkig zag ik net op tijd het naambordje. Blijverrast door het bestaan van een daadwerkelijke aanwijzing dat ik op de goede weg ben, parkeer ik mijn fiets tegen een hekje. Op het moderne bordje staat ‘Menkeweer Hist. Begraafplaats’ met een handig pijltje dat de weg wijst. Ik moet via een smal bruggetje het slootje oversteken. Terwijl ik naar het desbetreffende bruggetje en het slootje sta te kijken komen er twee schooljongens langs fietsen. ‘‘HEE! SPRING ER MAAR IN!’’ Eén van de jongens gebaart naar de sloot, de ander ligt over zijn stuur van het lachen. Als ze de bocht om zijn waag ik me over het bruggetje. Ik houd me goed vast aan de railing want ik heb geen zin de jongens gelijk te laten krijgen. 



Aan de andere kant gekomen blijk ik op het erf van een grote boerderij te staan. Ik bagger door het gras en het zand tot ik bij de wierde aankom. Wederom staar ik verbaasd naar het gloednieuw uitziende hekje, waar met zwierige letters ‘Menkeweer’ in geschreven staat. Deze mate van recent onderhoud heb ik tot dusver nog bijna niet gezien. Ik duw het hekje open en loop de begraafplaats op. In het groene gras en onder de hoge bomen vind ik enkel liggende stenen. De meesten zijn rijkversierd met symbolen en familiewapens. Er zijn de gebruikelijke doodshoofden en zandlopers, maar ik zie ook bloemetjes, een grote vogel en zelfs een kroontje afgebeeld staan. 



Ik ben hier vlakbij Onderdendam. Wat nu een dorp is, was een paar eeuwen terug niet meer dan een buurtje. Onderdendam kreeg pas in 1840 een eigen kerk. Daarvoor werd er door de Onderdendamsters in Onderwierum en Menkeweer gekerkt. Menkeweer, wat ten noorden van Onderdendam ligt, is een wierde die rond de jaartelling werd opgeworpen. De naam ‘Menekingwerve’ werd echter pas voor het eerst in 1329 genoemd. In de Middeleeuwen werd er een kerk gebouwd, maar wanneer precies is onbekend. Omdat er blijkbaar in de zestiende eeuw al niet meer genoeg lidmaten waren om Menkeweer als een zelfstandige kerkelijke gemeente te behouden, werd het kerspel gecombineerd met Stitswerd (1594-1651) en later met Westerwijtwerd (1692-1828). In 1738 telde het kerspel Menkeweer slechts 34 lidmaten. 

In 1651 kwam er een koster naar Menkeweer. Hij woonde eerst in het kostershuis, totdat de grote boerderij naast de kerk verbouwd was tot een ‘weem’ (een pastorie). Toen de koster daar zijn intrek in nam, verwerd de kosterij tot een meesterswoning met een naastgelegen school. Veel leerlingen kende de school niet. Er was ook een diaconie (een armenhuis behorend tot de kerk) waarlangs het kerkepad naar Stitswerd liep. 



De weem, of pastorie, is de boerderij over diens erf ik ben gestoken om tot het kerkhofje te komen. De kerk staat er niet meer, dus de boerderij is nu gewoon een boerderij. Alle andere gebouwen zijn nu woonhuizen geworden. In 1828 was Onderdendam inmiddels zo ‘groot’ geworden dat er behoefte kwam aan een eigen kerk. De hervormde gemeente Onderdendam werd nog gevormd in datzelfde jaar, maar de kerk was pas klaar in 1840. Tot die tijd moesten de lidmaten van Onderdendam naar Onderwierum. Menkeweer werd overbodig en de kerk werd afgebroken. 

Het kerkhof bleef nog in gebruik tot 1903. De oudste grafsteen die er nu nog ligt stamt uit 1806; er lag ooit ook eentje uit 1781, maar die is verdwenen. Bijna was het kerkhof er niet meer. In de jaren vijftig wilde de kerkelijke gemeente Onderdendam ervan af; maar dat werd voorkomen door het waterschap Hunsingo. Zij kochtten het begraafplaatsje voor het symbolische bedrag van één gulden. Waarom een waterschap geïnteresseerd was in een oud kerkhof? Omdat ene meneer Adriaan Jan van Roijen er begraven ligt. Hij was notaris, Eerste Kamer-lid en voorzitter van het waterschap Hunsingo. Het waterschap vond dat van Roijen’s graf niet zomaar geruimd kon worden. Gelukkig maar, want het kerkhof is in 1961, 1987 en 2003 gerestaureerd, en in 2006 werd het bruggetje aangelegd. In 1970 werd het aangewezen als rijksmonument. 



Het is zinderend warm als ik over het kerkhofje loop. Ik wandel van graf tot graf en probeer wat namen en data te ontcijferen. Zo kom ik langs Kornelis Derks Kuiper, die wagenmaker en –geheel in lijn met zijn achternaam– kuiper was, en op zijn negentigste nog per schaats van Onderdendam naar Groningen zoefde. Een jaar later, in 1827, werd hij in Menkeweer begraven. Na een tijdje op het houten bankje in de schaduw te hebben gezeten, loop ik terug door het gras, balanceer over het bruggetje en spring weer op mijn fiets. 

Bronnen
Graaf, E., de. ''KDK, de schaatsende kuiper uit Menkeweer.'' GraafWerk. Geplaatst 17-02-2014. http://erikdegraaf.blogspot.nl/2014/02/kdk-de-schaatsende-kuiper.html
Hempenius, A.L. ''Menkeweer.'' Nienoord. Geplaatst 07-12-2011. http://www.nienoord.org/menkeweer.html
Lutjeboer, J. ''Menkeweer.'' Zo As T Was: Historische Vereniging gemeente Bedum. http://www.zoastwas.nl/dorpen-en-gehuchten/menkeweer.
Schaïk, R., van., G. Collenteur en A. de Valk. Onder vele torens: een geschiedenis van de gemeente Bedum. Bedum: Profiel, 2002.

p.s. Blijf up-to-date wat betreft mijn blog! Kijk snel op mijn nieuwe Facebookpagina en druk op de 'vind-ik-leuk'-knop: www.facebook.com/sannemeijeronderweg 

woensdag 9 september 2015

Peddelen over de Paddepoelsterweg

Vandaag schrijf ik een blog over slechts één weggetje: de Paddepoelsterweg. Die weg loopt van Zernike in de stad Groningen tot het gehucht Wierum in de Ommelanden. Langs die kleine vijf kilometer liggen vele bijzondere plekken en onverwachte verhalen: van kloosters en borgen en wierden en kastelen. Ik begin in Selwerd. 

Selwerd is oorspronkelijk de naam voor een gebied ten noorden van de stad Groningen. Tegenwoordig kennen we Selwerd als een wijk van de stad; toch is de wijk Selwerd maar een gedeelte van dat hele Selwerd-gebied. Het lag tussen de Paddepoelsterweg, de oude rivier de Hunze (dat later het Selwerderdiepje is gaan heten), het gebied Borgham en de stad Groningen. Het valt nu deels onder de gemeente Groningen, en deels onder de gemeente Winsum. 

In het jaar 858 wordt er al gesproken van Selwerd; gebied behoorde toen toe aan de Sint Maartenskerk van Utrecht. Ene Ludgerius was de lokale leenheer. Driehonder jaar later valt het gebied onder de Abdij van Ruinen (in Drenthe). De Abdij stichtte in Selwerd een Benedictijner nonnenklooster, met de mooie naam ‘Maria Virgo’, dat er tot 1584 heeft gestaan. 


Laan naar 't (voormalige) Klooster

Het hele gebied viel onder de Bisschop van Utrecht. Die liet de zaken van het dagelijks leven in Selwerd regelen door een prefect. In dertiende eeuw wordt er een kasteel gesticht nabij het klooster. Het kasteel heette verrassend genoeg ‘Kasteel Selwerd’. Hier woonden de prefecten. Alhoewel, kasteel… Veel historici denken dat het meer ging om een versterkt woonhuis met een dubbele gracht eromheen. In 1283 noemde prefect Egbert van Groningen zichzelf ‘heer van Selwerd’. De macht van Egbert’s prefecten-familie breidde uit van Selwerd naar de stad Groningen, met een reeks oorlogen en opstanden als gevolg. 


Pas op voor koeien die de Paddepoelsterweg oversteken!

Egbert kreeg een reeks kleurrijke opvolgers. In 1338 stierf het geslacht uit en ging het kasteel naar wat verder verwijderde familieleden. Dat het niet allemaal lieverdjes waren, is wel af te leiden uit het feit dat meerdere bewoners van het kasteel door onthoofding aan hun eind zijn gekomen. Zo ook Rudolf Prediker, die, in tegenstelling tot wat zijn naam doet vermoeden, geen vrome man was. Hij plunderde met grote regelmaat schepen die over het Reitdiep voeren: het gaf hem de naam ‘Piraat van het Reitdiep’. Het behoeft geen uitleg dat kasteel Selwerd en haar bewoners intens werden gehaat. In 1361 kocht de stad Groningen het kasteel op en sloopte het tot de grond. De stenen werden gebruikt om de stadsmuur te bouwen. 

Het Van Starkenborghkanaal is dwars door het terrein van het voormalige klooster gegraven, maar het terrein waar ooit het kasteel heeft gestaan is nog in tact – en goed te zien. Het glooiende grasveld ligt naast de begraafplaats Selwerderhof en tussen het Van Starkenborghkanaal en de Paddepoelsterweg. Dit terrein heet nu, heel vrolijk, ‘de Huppels’. Dus huppel ik naar een moderne uitkijktoren die is geplaatst om de kasteelgronden te kunnen overzien. Die uitkijktoren is te bereiken over het voormalige kleipad ‘Laan naar het Klooster’. Langs dit pad zijn grote roestige handen te zien met gedichtjes erop over het klooster en het kasteel. 


Roestige handen met gedichtjes over het woelige verleden van dit terrein


Uitkijktoren


Het voormalige klooster- en kasteelterrein

Ik vervolg de Paddepoelsterweg noordwaarts en steek middels een bruggetje het van Starkenborghkanaal over. Plots zie ik dan aan mijn rechterhand een eenzame boerderij staan. Er wapperen vlaggen en er staat een bordje van Stichting Groninger Landschap. Dit is Harssens. Harssens was een buurtschapje en bestond al in het jaar 1000. Het had toen een eigen kerk, waarvan alleen de luidklok nog over is; die hangt in de kerktoren van Adorp. Hier stond ooit ook een steenhuis, en later een borg, genaamd Harssensbosch. Die werd afgebroken in 1742. 


Harssens


Het eenzame boerderijtje is het enige wat nog over is van Harssensbosch

Dit voormalige borgterrein is nog goed in het landschap te herkennen, zoals op onderstaande luchtfoto is te zien. De borg kende vele bewoners met exotische namen, zoals Aytardus, Syabbe, Bywe, Azeghe en Truken. Het boerderijtje dat er nu nog is, ligt waarschijnlijk op de plek van het voormalige schathuis. Een schathuis is een Groningse benaming voor een soort veestal bij een groot huis. Het terrein en de boerderij zijn flink gerestaureerd en doen nu respectievelijk dienst als natuurgebied en recreatieplek. Het terrein is ook belangrijk als weidevogelreservaat. Het gebied werd in 2013 afgezet met grenspalen van de ‘Heerlijkheid Harssens’. Een heerlijkheid is een middeleeuwse bestuursvorm. Met het plaatsen van de paaltjes hoopt de Stichting Heerlijkheid Harssens dat het belangrijke cultuurhistorische gebied weer zichtbaar wordt. 


Het terrein van de voormalige borg is nog goed te herkennen in het landschap


Harssens

Ik fiets via de immer slingerende Paddepoelsterweg verder, tot ik bij het Reitdiep aankom. Ik geniet ondertussen van de groene en blauwe kleuren. Bij het gehucht Wierum houdt de Paddepoelsterweg op. Hier bevinden zich een boerderij, twee huizen en een kerkhof. Wierum was in de veertiende eeuw een parochie. Eeuwen later werd Wierum gecombineerd met het nabijgelegen Dorkwerd. De eerste predikant die beide plaatsen onder zijn hoede had, in 1612, was een meneer met een sci-fi achternaam: Marcus Marsmannus. Een latere predikant was Georgius Vechnerus, een man met verhaal. Hij werd geboren in Goldberg, Polen, en was hofprediker in Heidelberg, Duitsland. Toen dit in katholieke handen kwam, vluchtte hij naar Nederland. Hier werd hij predikant in Wierum en Dorkwerd, van 1623 tot zijn dood. De kerk in Wierum werd overbodig en gesloopt in de winter van 1829. De klokkenstoel en klok werden over het ijs van het Reitdiep naar Dorkwerd gebracht.


Wierum


Het kerkhofje van Wierum
Aan de overkant van het Reitdiep, de westzijde dus, ligt het gehucht Wierumerschouw. Een schouw is de naam voor een kleine boot, die werd gebruikt als voetveer. Nu is er een brug. Vroeger heette het hier Wasingehuis. Eerst was het gehucht eigendom van het Klooster van Aduard en later van de stad Groningen. In 1769 verkocht de stad deze gronden en het recht om de scholle te bedienen. Dit was nu ten laste van de provincie. Die hadden daar geen zin in, en zodoende kwam er in 1887 een draaibrug. 
Het water van het Reitdiep glinstert in de zon. Prachtige vergezichten, als van een schilderij, strekken zo ver het oog kan zien. Hier, op dit mooie plekje, houdt de Paddepoelsterweg op. Ik kan kiezen: óf ik ga het bruggetje over en fiets richting Oostum, óf ik fiets de Wierumerschouwsterweg op richting Adorp. Keuzes, keuzes. Gelukkig alleen maar leuke. 


Bronnen
Historische Kring Ubbenga. ‘‘Harssensbosch.’’ Borgen. Geraadpleegd 13-07-2015. http://www.ubbega.nl/borgen/index.asp?ac=harssens
Staat in Groningen. ‘‘Kasteel Selwerd.’’ Kunst en Architectuur in de Stad. Geraadpleegd 12-07-2015. http://www.staatingroningen.nl/referentie/470/890/kasteel-selwerd 
Stichting Het Groninger Landschap. ‘‘Harssensbosch.’’ Bezoekerscentra. Geraadpleegd 14-07-2015. http://www.groningerlandschap.nl/eropuit/bezoekerscentra/reitdiep/harssensbosch 
Wijkwebsite Paddepoel. ‘‘Historie Stad Groningen – Selwerd.’’ Gepubliceerd 08-01-2011. Geraadpleegd 12-07-2015. http://paddepoel.info/leuk-ja/historie/1480-historie-selwerd.html