Posts tonen met het label Groninger Folklore. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Groninger Folklore. Alle posts tonen

dinsdag 29 december 2015

Old & Nij: Groninger tradities rondom de jaarwisseling

In dit artikel duik in de geschiedenis van het Oud & Nieuw vieren, en ben ik op zoek naar Groninger tradities omstreeks de jaarwisseling. Lees snel verder!

De jaarwisseling is van oudsher namelijk een tijd van tradities. Dat is ook niet gek: het achterlaten van een oud jaar en het begin van een nieuw jaar is nou eenmaal een bijzondere en haast mythische gebeurtenis. Het nieuwe jaar is als een blanco bladzijde die nog beschreven moet worden, en jij hebt de pen in de hand. De start van zo’n schone lei vervult ons vaak met frisse moed en hoop (vandaar goede voornemens) (die jammer genoeg vaak na een week alweer zijn vervlogen in de sleur van alledag) (maar laten we het daar maar niet over hebben) (we kennen het allemaal). 

Vuurwerk! (foto: Bukz)

De constructie van het nieuwe jaar

Over het algemeen kijken mensen overal ter wereld uit naar het nieuwe jaar. Sinds 1575 begint in Nederland het nieuwe jaar officieel op 1 januari. Daarvoor was de datum van het nieuwe jaar variabel. Vaak begon het nieuwe jaar wanneer de lente aanbrak, dus als de natuur weer tot leven kwam en de dagen weer langer werden. Dit kon uiteenlopen van de zonnewende (21 december) tot Maria Boodschap (25 maart). Bij de Romeinen begon het nieuwe jaar op 1 maart. Dit veranderde toen Julius Caesar in 44 v.Chr. de juliaanse kalender invoerde. Vanaf die tijd was Nieuwjaar op 1 januari. 

In ‘ons’ gebied, dat wil zeggen: het gebied van de Germanen, bestond de oud en nieuwviering uit een groot feest dat wel twaalf dagen duurde. Dit ‘Yulefeest’ begon op 25 december (kerst) en duurde tot 6 januari (Driekoningen). Rond de achtste dag, 1 januari dus, bereikte het feest een hoogtepunt. Dat gold ook voor de hoeveelheid dieren die geofferd werden, de mate waarin gegeten en gedronken werd en het aantal vuren dat aangestoken werd. 

Ondertussen kwam Caesar’s ‘officiële Nieuwjaar’ van 1 januari niet echt van de grond. Het was de katholieke kerk die dit tegenwerkte. De kerk vond dat het nieuwe jaar maar op een christelijke feestdag gevierd moest worden. Tot en met het einde van de Middeleeuwen bestond er grote verwarring over de precieze datum van het nieuwe jaar. Daar maakte de Franse koning Charles IX in 1563 een einde aan. Hij koos voor de juliaanse editie van 1 januari. Een aantal jaren later, in 1575, werd deze regel ook in de Lage Landen ingevoerd door onze Spaanse landvoogd Requesens.

Caesar

Een landelijk nieuw jaar betekende niet dat de jaarwisseling nu overal in Nederland op hetzelfde moment plaatsvond. Ik weet nog dat ik in mijn eerste jaar als geschiedenisstudente met verbazing zat te luisteren naar mijn docent die vertelde dat er in Nederland tot het einde van de negentiende eeuw verschillende tijden werden gehanteerd. Vroeger bepaalden kerkklokken het uur van de dag, waarvoor de zonnewijzer bij de kerk als basis diende. Dat leverde een verschil van ruim tien minuten op tussen het oosten en het westen van Nederland. Toentertijd deed dat er weinig toe, omdat mensen zelf vaak geen horloge gebruikten (of op hun telefoon konden kijken). Er werd weinig gereisd en de reistijden waren toch al lang. Iedereen keek toch op dezelfde torenklok dus die hoefde niet per se op tijd te lopen. Met de komst van spoorwegen en van de radio moest uiteindelijk wel een uniforme tijd ingevoerd worden. 

Goed, vanaf toen vieren alle Nederlanders dus op 1 januari om 0:00u het begin van een nieuw jaar. In Nederland kennen we een aantal grote, algemene tradities zoals het afsteken van vuurwerk, elkaar de beste wensen overbrengen, het eten van oliebollen en achteroverslaan van champagne. En wat dacht je van de oudejaarsconferences, de nieuwjaarsvisites, het nieuwjaarduiken, etc. etc. … 

Een feest vol tradities dus, de jaarwisseling.

Meid met oliebollen, door Albert Cuyp, 1652 (Dordrechts Museum)

De jaarwisseling in Groningen

Op regionaal niveau zijn er vaak nog meer leuke en lokale tradities te vinden. Zo ook in Groningen. Omdat we wel van een feestje houden, begon ons nieuwjaarsfeest al op tijd: tussen Kerst en Oudjaarsdag. In die week trokken de zogenaamde Nieuwjaarszangers, mannen met harde stemmen, al zingend langs de boerderijen in de buurt. Nieuwjaarszangers waren al sinds de zestiende eeuw actief. Ik heb ergens gelezen dat zij dikwijls bejaard waren en vaak ook godsdienstig.  Elke zanger had vaak een eigen terrein en hij trakteerde met name de ‘dikke’ boer op een mooi lied. Wel in de hoop daarvoor iets terug te krijgen, natuurlijk. Dat gebeurde in de vorm van geld.

In Johs. Onnekes’ boek Zeden, Gewoonten en Gebruiken in de Provincie Groningen uit 1884 wordt er gerept over ‘snikjongens’. Snikjongens zijn volgens Onnekes ‘‘jagertjes der schuiten en barges’’, oftewel, jongemannen die op de schuit werkten. Deze jongens liepen dan in kleine groepjes de dorpen en bliezen op een hoorn. Hiermee hoopten ze een ‘’nieuwjaarsgift op te blazen’’. Al in 1884 noteert Onnekes dat deze snikjongens ‘’met hun getoeter’’ vrijwel zijn verdwenen, omdat de schuiten plaats hebben gemaakt voor stoomboten. Alleen in de stad Groningen werden ze rond die tijd nog wel eens gespot. 

Niet alleen de Nieuwjaarszangers en de snikjongens deden de ronde met Oud & Nieuw. Nee, het Nieuwjaarslopen of ‘Neijoarsloopen’ was veel breder dan dat. Ook plaatselijke jongeren gingen langs de deuren. Kinderen zongen liederen en de wat oudere jeugd bracht nieuwjaarswensen over. Ook in ruil voor iets, natuurlijk. (waarom zou je anders iemand een gelukkig nieuwjaar willen wensen?)  Kinderen gingen akkoord met iets lekkers en pubers wilden een borrel (dat is niet veel veranderd). 

Veul zegen ien t nijjoar
zet de zeupies mor kloar
n rollechie der bie
dat is goud veur mie.

Arme mensen kwamen ook langs voor een bijdrage. Er bestond in die tijd veel winterwerkloosheid op het platteland. Voornamelijk ‘‘dagloonersvrouwen’’ gingen op pad en waren voorzien van linnen of katoenen zakjes (vaak gewoon kussenslopen) waar de giften in opgeborgen konden worden. Deze bezoekjes van jeugd en armelui hadden nogal wat weg van bedelarij en waren een doorn in het oog van de overheid. Uiteindelijk werden er in de negentiende eeuw plaatselijke commissies gevormd die de uitdeling van voedsel liefdadigheidsgelden en regelden. 

Natuurlijk wilden veel mensen elkaar ook gewoon een gelukkig nieuwjaar wensen zonder tegenprestatie. Men ging gezamenlijk naar de kerk en kwam bij elkaar op bezoek. Ook stuurden mensen elkaar kaartjes, met ‘veul haail en zegen’ voor het volgende jaar. Iemand een nieuwjaarswens overbrengen werd ‘het Nieuwjaar afwinnen’ genoemd.  

Buskruit had Europa in de veertiende eeuw bereikt. Een paar eeuwen later was men verzot geraakt op vuurwerk en werd het maar al te graag overal gebruikt. In de achttiende eeuw stonden er al boetes op het particulier bezit van vuurwerk. Er was niet altijd betaalbaar buskruit of vuurwerk voor handen. Godzijdank verscheen er vanaf 1892 industrieel calcium carbide op de markt: carbid. Dit bleek een goedkope vervanging. Tevens kwamen in dezelfde tijd melkbussen in omloop. Bingo! Wegvliegende deksels! Carbidschieten is nog steeds een hele normale bezigheid waar ik vandaan kom. Het heeft weinig esthetische waarde, maar geeft gelukkig wel een beste knal. In mijn gedachtegang was carbid schieten iets landelijks, maar ik kwam erachter dat het alleen op het noordelijke, oostelijke en zuidelijke platteland wordt gedaan. Op zich ook wel logisch, want daar is ruimte genoeg om lawaai te maken en deksels weg te laten vliegen. Maar goed, mochten mensen vroeger noch aan buskruit noch aan carbid kunnen komen, was er een andere oplossing: gewoon lekker een geweer afvuren, met je pistool in de lucht schieten. Waarom niet, geeft ook een knal.

Carbidschieten (foto: Jjdez)

Wat bij het traditioneel vieren van feestdagen áltijd belangrijk is, en dus ook in Groningen, is eten en drinken. De bekendste versnaperingen met Oud & Nieuw zijn kniepertjes en rolletjes. Kniepertjes zijn flinterdunne, harde, zoete wafeltjes. Behalve in Groningen worden ze ook in Drenthe (knieperties, iezerkoekies), Twente (knieperkes) en de Achterhoek gegeten. Veel families hebben hun eigen recept – zo wordt er af en toe kaneel, vanille of zelfs citroenjenever toegevoegd. Zakjes met kniepertjes worden vaak verkocht door scholen, voetbalverenigingen, vrouwenclubs en dergelijke, al zijn ze soms ook in de supermarkt te vinden. Ik zag ze een paar weken terug voor het eerst liggen bij de Albert Heijn in de stad Groningen onder de naam ‘Knijpertjes’. 

De kniepertjes eten we op 31 december, omdat het oude jaar zich volledig heeft ontvouwen. Op 1 januari eten we rolletjes: deze opgerolde kniepertjes symboliseren het nieuwe jaar dat nog onbekend is. Rolletjes zijn wat bekender dan de kniepertjes, omdat die ook commercieel geproduceerd worden. We kennen allemaal wel de grote paarse dozen die in de winkels zijn te vinden: de Vegter’s Rolletjes van banketfabriek Jac. Vegter te B.V., gevestigd te Martenshoek (Hoogezand-Sappemeer). Het bedrijf bestaat sinds 1874 en heeft de rolletjes een beetje tot Gronings erfgoed gemaakt. 

Kniepertjes (foto: Algont)

In mijn familie bakken we elk jaar rolletjes. Heel traditioneel verzamelen mijn moeder, tante, nichtjes en ik ons voor de jaarwisseling bij mijn oma en toveren het kniepertjesijzer tevoorschijn. Toch is beslag voor rolletjes een beetje anders dan dat voor kniepertjes: het is vloeibaarder, omdat het meteen na het bakken nog gerold moet kunnen worden. Dat resulteert vaak in rode, verbrande vingertoppen. Maar het resultaat mag er zeker zijn!

Zelfgebakken rolletjes door m'n familie!

Ons kniepertjes- rolletjes en spekdikkenijzer.

Hoewel de kniepertjes en rolletjes wel een bekend fenomeen in héél Groningen zijn, geldt dat zeker niet voor de spekdikken. Ik was jarenlang in de veronderstelling dat alle Groningers rond de jaarwisseling snoepten van dit lekkernij, maar toen ik een keer Oud & Nieuw vierde in het noorden van Groningen bleek dat niet zo te zijn. Na wat onderzoek blijken spekdikken vooral voor te komen in Westerwolde en het Reiderland (ook in het Duitse Ost-Friesland). Dat is jammer voor de rest van de provincie, want spekdikken zijn een geliefde snack in mijn geboortestreek. Vanwege hun dikke consistentie zijn ze uitermate geschikt als bodem voor alle nieuwjaarsborrels. 

De belangrijkste bestanddelen van de spekdikken zijn roggemeel, eieren en stroop. Het deeg moet de avond van tevoren gemaakt worden en een nacht staan (niet zo geheime truc). Ze worden in hetzelfde knijpijzer of wafelijzer gebakken als de kniepertjes. Er worden een stukje vet spek en twee tot vier stukjes droge worst meegebakken. Thuis gebeurt het jammer genoeg bijna niet meer, ook de spekdikken worden met name gebakken bij verenigingen en verkocht op jaarmarkten en kerstmarkten. 

Spekdikken (foto: Tamojan)

Kniepertjes, rolletjes en spekdikken zijn de bekendste voorbeelden van eetbare tradities die te maken hebben met de Groninger jaarwisseling. Vroeger bestonden er nog meer. Zo vertelde mijn moeder me eens dat ze een familie kende die op 1 januari altijd stamppot snijbonen at. Na wat research bleek dit geen uitzondering te zijn, het eten van stamppot snijbonen was best een wijdverbreid gebruik in Groningen. De snijbonen waren de in het zout gelegde bonen van de afgelopen oogst. Op de eerste dag van het nieuwe jaar mocht het vat namelijk pas geopend worden. De stamppot werd gegeten met gerookt spek en rookworst. Stamppot snijbonen was natuurlijk een handig anti-katergerecht. Nu ken ik niemand meer die dit doet; de inmaakmethode stamt natuurlijk van vóór het wecken en invriezen van groenten. Daarnaast: heb je nog wel plek voor zo’n zware maaltijd na een dag vol nieuwjaarsvisites?

Spekdikken als bodem voor de drank en stamppot snijbonen als anti-katermaaltijd - die Groningers konden er wat van, mensen!  Op de boerderij begon het feest op 1 januari al vroeg. Na het verzorgen van het vee mocht het personeel gezamenlijk koffie drinken met de boerenfamilie. De boer nam dan een grote teug brandewijn met rozijnen, en gaf de kop met de brandewijn vervolgens door volgens de hiërarchie op de boerderij. 

En na de brandewijn volgde honingdrank, en bier en … 

Het is duidelijk dat Groningers met veel vertier het nieuwe jaar inluidden! Laten we deze tradities in ere houden. Veul haail en zegen! 

Bronnen
Brouwer, R. Groningen en Ommelanden in grootvaders tijd. Den Haag: Kruseman, 1976.
Onnekes, Johs. Zeden, gewoonten en gebruiken in de provincie Groningen. Culemborg: Blom & Olivierse, 1886.
Schreiber, F. Groningse volksgebruiken het hele jaar rond. Ede: Verba, 2005. 

dinsdag 1 december 2015

Sunterkloas: het Sinterklaasfeest in Groningen

Ooit was er eens een héle lieve man. Hij heette Nicolaas van Myra. Myra lag in Klein-Azië, het huidige Turkije. Dat hoorde toen bij het Romeinse Rijk. Nicolaas werd bisschop van Myra en heeft in zijn tijd heel veel goede dingen gedaan. Er zijn drie bekende legendes die hem tot een kindervriend maken. 

Zo gaat het verhaal dat een herbergier eens drie scholieren heeft vermoord, maar dat de kinderen door Nicolaas weer tot leven werden gewekt. In het tweede verhaal vergeet een moeder haar kind in een heet bad en behoedde Nicolaas het kind van verbranding. Het derde verhaal is misschien het bekendst: de legende van de drie arme meisjes die dankzij Nicolaas konden trouwen. Ze hadden een bruidsschat nodig om met hun grote liefde te kunnen trouwen, maar dat kon niet omdat ze arm waren. Dat kwam Nicolaas ter ore, en omdat hij uit een welvarende familie kwam, gooide hij ’s nachts drie zakjes met giften door het raam naar binnen.

Sinterklaasintocht bij de Ossenmarkt, Groningen, 1959 (foto: Hans Zant)

Het Sinterklaasfeest door de eeuwen heen: van bisschopsverering tot boeman tot kindervriend

Nicolaas stierf 6 december 342 of 352. Er is verder vrij weinig over hem bekend. In principe werd hij in de vroege Middeleeuwen enkel geëerd in het zuidoosten van Europa. Toen hij in de dertiende eeuw zijn naamdag werd vastgesteld, groeide ook zijn populariteit. Al snel werd hij tot beschermheilige van kinderen gemaakt. In december werd het kinderbisschopsspel gespeeld: op 6 december werd een kinderbisschop met aanhang verkozen die van voedsel en geschenken werden voorzien. Andere kinderen kregen geld en een vrije dag van school. In Nederland liepen kinderen verkleed door de straten en kregen bisschopsgeld van voorbijgangers. 

Al in de vijftiende eeuw werd er geld in kinderschoenen gedaan. De opbrengst ging naar de armen. Uit archiefstukken blijkt dat vanaf 1427 in de Sint-Nicolaaskerk in Utrecht schoenen werden gezet op 5 december. De welgestelde Utrechters legden wat in de schoenen en de opbrengst kon dan de volgende dag onder de armen worden verdeeld.

Schoen zetten, Groningen, 1958 (foto: Hans Zant)

In de zeventiende eeuw konden protestantse bezwaren geen einde maken aan het Sinterklaasfeest. In tegendeel, het feest werd –voornamelijk onder de rijkeren – steeds groter gevierd. Kinderen konden nu ook thuis hun schoentje zetten. Dit deed me denken aan een schilderij van Jan Steen dat ik laatst in het Rijksmuseum heb gezien. Het schilderij heet ‘Het Sint-Nicolaasfeest’ en werd tussen 1665 en 1668 geschilderd. Op het doek is te zien hoe een chaotisch huishouden de vooravond van het traditionele Sinterklaasfeest viert (de vooravond is dus de 5e december). Deze vooravond zou later pakjesavond genoemd worden. De jongste dochter van het gezin houdt blij een pop in haar handen; haar oudere broer huilt want zijn schoen is leeg gebleven. Tot niet heel lang geleden werd er enkel op 5 december een schoen gezet; momenteel kunnen kinderen vanaf Sinterklaas’ intocht hun schoentje al zetten. 

In de loop der jaren is de religieuze verering veranderd in een volksfeest. Sinterklaas werd nu gevierd met markten, waar vulgair gedrag en met name openbaar dronkenschap geen zeldzame verschijningen waren. Ook werd Sint Nicolaas nu regelmatig afgebeeld als boeman waar kinderen bang voor moesten zijn. Dat kennen we nu nog wel een beetje in de zin van ‘wie zoet is krijgt lekkers, wie stout is krijgt de roe’. Toch keerde men zich in de achttiende eeuw tegen dit beeld en moest Sint Nicolaas weer een heilige zijn die kinderen op een vriendelijke manier gehoorzaamheid aanleerde. In de negentiende eeuw werd Sint Nicolaas ook onderdeel van het onderwijs en veranderde hij in een daadwerkelijk ‘persoon’: tot die tijd deed hij enkel in zijn onzichtbare gedaante een cadeautje in de schoen. 

De moderne Sinterklaasviering 

Het moderne volksfeest zoals we dat nu kennen is voor een groot deel gebaseerd op boekjes van onderwijzer Jan Schenkman (1806-1863). Schenkman introduceerde de elementen ‘stoomboot’, ‘paard’, ‘Spanje’ en ‘Zwarte Piet’. Ook schreef hij ons aller favoriete ‘Zie ginds komt de stoomboot’.

Sinterklaas vaart Groningen binnen, Oosterhamrikkade, nabij Zaagmuldersbrug, Groningen, 22-11-1958 (foto: Hans Zant)


De invulling van pakjesavond werd ook veranderd. Zoals gezegd werd die avond tot redelijk recent gebruikt om een schoen te zetten, maar nu wordt dat vaak al gedaan op de zaterdag van Sinterklaas’ intocht. Een pakjesavond was voor de Tweede Wereldoorlog niet heel gebruikelijk; dit had te maken met de crisisjaren. De toenemende welvaart na 1945 zorgde ervoor dat Sinterklaas jutezakken met geschenken kwam brengen. Daarnaast was het niet echt een kinderfeest meer: ook volwassen vieren het en geven elkaar cadeautjes. Heden ten dage wordt pakjesavond vooral gevierd met Sinterklaasgedichten en -surprises. Hoewel het Sinterklaasfeest in een gematigde en gevarieerde wijze gevierd wordt door heel Europa, is pakjesavond typisch Nederlands fenomeen. 

Zonder liedjes en pepernoten geen Sinterklaas

Geen Sinterklaasfeest zonder Sinterklaasliedjes. Deze worden met name gezongen bij de intocht, bij het schoen zetten en aan het begin van pakjesavond. De oudste liederen stammen uit de zestiende eeuw; dit waren vaak heiligenliederen. In de zeventiende en achttiende eeuw zong men liedjes die de Sint als huwelijksmaker afschilderden. Pas in de negentiende eeuw werden er een aantal bestaande volksliedjes over Sinterklaas geschreven, vaak kinderdeuntjes zoals ‘Sinterklaasje bonne bonne bonne’.

En een Sinterklaasfeest zonder snoepgoed is natuurlijk ook niet in te denken. Speculaas, chocoladeletters, banketletters, borstplaat, marsepein… En strooigoed als schuimpjes, taai-taai en natuurlijk de geliefde kruid- of pepernoten. Kruidnootjes worden al sinds de middeleeuwen met Sinterklaas gegeten. Die werden gemaakt met speciale specerijen, die eerst werden meegenomen door de kruisvaarders en later door de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC). In traditionele kruidnoten werd witte peper gebruikt (pepernoten). De vorm van een kruidnoot lijkt op die van een muntje en verwijst naar het strooien van geld, net zoals Sint Nicolaas ook al deed bij de drie meisjes die wilden trouwen. Zo is het strooigoed ontstaan. 

Sinds kort is in de wintermaanden in veel steden, waaronder Groningen, de Pepernotenfabriek van Van Delft te vinden – die pepernoten naar authentiek zeventiende-eeuws recept verkoopt.

‘Sunterkloas’ in Groningen

Nu we toch bij Groningen zijn aangekomen, laten we dan gelijk doorgaan met een kijkje in de Groninger tradities rondom het Sinterklaasfeest. Natuurlijk zijn er veel overeenkomsten met de landelijke viering, maar hier en daar zijn verschillen te bemerken. 

‘Opzetten’

In Groningen werd er gesproken over een schoen ‘opzetten’, met de bedoeling dat de Sint er wat leuks of lekkers in achter zou laten. Maar er werden niet alleen schoenen opgezet, ook mandjes of borden. Op die borden werden dan brood, hooi en mous (boerenkool) gelegd, voor het paard. Dat werd nabij de open haard geplaatst. Kinderen zongen er dan het volgende liedje bij:

Sunterkloas dij goie bloud,
geef mie n puutje sukkergoud,
nait te veul en nait te min,
smiet mie t mor tou schosstain in

De volgende ochtend lagen er allerlei lekkernijen op het bord, zoals een suikerbeest of een ‘stoerkerel’ (broodje in de vorm van een mannetje). Ook las ik iets over een ‘swoan ien t nust’ – maar wat dat is weet ik niet precies. U misschien wel? Soms lag er een speculaas op het bord. Die kon de vorm van een Sinterklaas hebben, maar ook van een paard of een haan. De haan-speculaas was best dik en kostte daarom wat meer. Een ‘stoter’ was 12.5 cent. Dat was destijds best veel, daar komt dan ook de volgend Groningse uitspraak vandaan: ‘hai stapt as n stoterze hoan’.

Schoen zetten bij de kachel, Groningen, 1958 (foto; Hans Zant)

Af en toe vond een kind een zakje zout en een plak koolraap op zijn bord. Dat betekende dat het kind te oud was om ‘op te zetten’. En, zo noteert Fré Schreiber, werd het kind dus ‘ofzoltjet’. 

Swaarde Pait, as t nait vrust,
breng mie din n swoan ien t nust,
gooi t mor op mien widde bord,
en om mie gain puutje zolt.

Een mooie Groninger traditie is dat boerendienstboden ook op mochten zetten. Zij plaatsten dan een halfmudsmaat (50 liter) op de dorsvloer, waar hooi en koolbladeren in gelegd werden voor het paard. De Sint (of de boerenfamilie) plaatste dan een fles jenever of brandewijn, appels en ‘olle wieven’ (oude wijvenkoek). Dat waren dus heel andere cadeaus dan de kinderen kregen (gelukkig maar). 

Sunterkloas, goa joen gaang,
mit joen boerenklompen aan.
breng n stukje sukkergoud
Sunterkoas, goa joen gaang
mit joen boerenklompen aan
Sunterkloaske, goie bloud!

Sinterklaaslopen

Sinterklaaslopen is een volksfeest uit Zoutkamp dat op een zaterdag rondom 5 december wordt gevierd. Zowel mannen en vrouwen gaan ’s avonds verkleed door de straten. Eerder droegen ze veelal witte lakens als een spook, met een zwarte hoed op en een ketting aan het been. Nu zijn de kostuums meer een knipoog naar recente gebeurtenissen in het dorp. Sowieso dragen ze ‘schebèlskoppen’ (maskers). De Sinterklaaslopers gaan huizen binnen waar licht brandt. De mensen thuis stellen vragen om erachter te komen wie de masker-dragende persoon is. Die probeert onherkenbaar te blijven, pas als men raadt wie het is, gaat het masker af. Dan is het tijd voor een neutje.

Het feest in Zoutkamp kent grote overeenkomsten met het Sinterklaaslopen op de Waddeneilanden, zoals Klozum op Schiermonnikoog en Klaasohm op Borkum. 

Sinterklaasintocht, Groningen, 1950 (foto: Hans Zant)

Sint Nicolaas als patroonheilige van Groninger kerkjes

Over Zoutkamp gesproken, we blijven nog even in maritiem Groningen. Sint Nicolaas was namelijk niet alleen beschermheilige van kinderen, maar ook van zeelui. Als een boot ten onder dreigde te gaan, en zeelieden dreigden te verdrinken, riep men Sint Nicolaas aan. De goedheiligman verscheen dan en bracht de zee tot bedaren. Daarom is Sint Nicolaas ook patroonheilige van havensteden zoals Amsterdam. Het is misschien ook een verwijzing naar waarom de Sint een stoomschip heeft. 

Veel kerkjes in vissersplaatsjes zijn gewijd aan deze maritieme heilige. Heel vroeger lagen de Groninger dorpjes Oldenzijl en Oosternieland aan de kust en dus speelde de zee een grote rol in het dagelijks leven van de inwoners. Beide dorpjes hebben een Sint-Nicolaaskerk. Je kunt er ook een Nicolaaswandeling maken, misschien een goed idee als al die pepernoten en chocoladeletters er weer af gelopen moeten worden (haha). Klik hier voor meer informatie. 

Sint-Nikoloas, dat is n boas,
veur kinder en veur mensen.
Wie verlangen noar Nikloas
noar hom is aal ons wensen.

Overigens is Sint Nicolaas ook beschermheilige van een hele reeks andere bevolkingsgroepen, waaronder apothekers, boogschutters, ongehuwde vrouwen, kooplieden, slagers, studenten en geliefden. Ook beschermt hij de uitoefenaars van wat twijfelachtige beroepen zoals prostituees, dieven, moordenaars en piraten.

Ontvangst van Sinterklaas door college van B&W op het hoofdcommissariaat van politie, Groningen, 1959 (foto: Hans Zant)

Liedjes

In de Groninger Archieven zijn twee boekjes met vergeten Sinterklaasliedjes te vinden, die beide zijn geschreven door Groninger dichters. Het eerste boekje heet ‘5 Twee en Driestemmige Sint Nicolaasliedjes’ en werd in 1895 uitgegeven. De liedjes waren geschreven door onderwijzer Jan Eppo Boneschanscher. Hij werd geboren in Oostwold nabij Midwolda en werd later hoofd van de lagere school in Zuurdijk. Het andere boekje was van Jan Jacob Anthonie Goeverneur’s hand en was genaamd ‘J.J.A. Goeverneurs Laatste Sint Nicolaas. Nieuwe prettige versjes, vertelseltjes en liedjes’. 

Deze werd ook in de negentiende eeuw geschreven. Beide liedboekjes bevatten duidelijke opvoedkundige elementen. Ook wordt er gewezen op armoede en de minder bedeelde mensen in onze samenleving. Dat heeft een link naar de oorsprong van het feest – en bovendien is het een factor die we nu soms vergeten in onze Sinterklaasviering. Voor meer informatie over deze boekjes en deze liedjes, klik hier.

Sinterklaas op bezoek, Groningen, 1951 (foto: Hans Zant)

We zijn in de loop van dit verhaal al enkele Groningse volksliedjes tegen gekomen. Vaak zijn ze op de melodie van bestaande Nederlandse Sinterklaasliedjes en niet veel langer dan vier regels. Waar Groningse kinderen ook erg goed in waren, was de kunst van het scheldliedjes verzinnen. Deze scheldtaimkes werden gezongen door de wat oudere kinderen die niet meer in de goede Sint geloofden. Natuurlijk zijn we daar allemaal heel benieuwd naar, dus hier zijn een paar:

Sunterkloas dij goie man,
Lopt op kop tegen t schiethoes an.

Of:

Sunterkloas kin nait meer komen,
want hai is aal joaren dood,
hai ligt in de kerk van Romen,
mit zien baaide billen bloot.
Blijkbaar is het achterwerk van de Sint een populair onderwerp in de Groninger taal. Volgens Fré Schreiber bestaat ook de volgende uitdrukking: ‘Dij kouk is zo dreug as Sunterkloas zien kont.’

Sinterklaas op school, Oosterpoort, Groningen, 1960 (foto: Hans Zant)
---
Om dit verhaal op een nette en vrolijke manier af te sluiten, was ik op zoek naar een fatsoenlijk Gronings liedje. Dat bleek een moeilijker opdracht dan ik in eerste instantie had gedacht. Op het laatst heb ik het maar opgegeven, dus hier is nog één (ook niet geheel beschaafd) Gronings liedje: 

Sunterkloas, dij haailege man,
trekt zien beste stappers an,
Komt der mit van Amsterdam,
van Amsterdam noar Spanje,
appeltjes van Oraanje,
neuten van muskoaten,
smit e over stroaten,
lutje kinder kriegen wat
groten kriegen n schop veur t gat.

Wat zijn uw herinneringen, of die van uw (groot)ouders aan Sunterkloas? En kent u nog meer Groningse liedjes? 

Aan al mijn lezers alvast een fijne 5 december toegewenst!

Bronnen
De verhalen van Groningen. ''Vergeten Sinterklaasliedjes van Groningse dichters.'' http://www.deverhalenvangroningen.nl/alle-verhalen/vergeten-sinterklaasliedjes-van-groningse-dichters
Dijken, van, A. en F. Schreiber. Midwintertied: n Bouk vol verhoalen en informoatsie over feesten en tied van Suntermeerten (11 november) tot Lichtmis (2 feberwoarie). Bedum: de Haan, 2012.
Landmerken. ''Oldenzijl/Oosternieland.'' http://www.landmerken.nl/locaties/oldenzijl-oosternieland/het-verhaal-van-oldenzijl-oosternieland/
Schreiber, F. Groningse volksgebruiken het hele jaar rond. Ede: Verba, 2005.

dinsdag 10 november 2015

Suntermeerten: Sint Maartenviering in Groningen

k Stoa veur joen deur 
En t is duuster
Mit mien lanteern
En ik luuster.
Komt der nog ain?
Ik kin niks zain;
Aans goa k weer vot
Ien t duuster.

Dit was het eerste (en volgens mij ook enige) Groningse Sint Maarten-liedje dat ik heb geleerd op de basisschool. Ik was een fervent Sint Maarten-loper, want op die manier kon ik mijn bijzonder povere zangkunsten ten gehore brengen en daarmee ook nog snoepjes verdienen. Wat wil een kind nog meer! Daarnaast woonden we nogal achteraf en de bewoners van de huizen en boerderijen die ik aandeed waren maar al te blij überhaupt een Sint Maarten-loper te zien, dus kregen mijn vriendinnetjes en ik vaak boterhamzakjes gevuld met verschillende soorten snoep en mandarijnen. 

Natuurlijk waait het altijd verschrikkelijk hard op 11 november. Aangezien ik nooit fan ben geweest van vuur was ik erg blij met mijn elektrisch verlichte lampion. Ik begreep er niets van als mijn ouders vertelden dat zij vroeger liepen met lampjes van kaarslicht: dat kon toch niet erg brandveilig zijn? Enfin, het mooiste moment brak aan als ik dan thuiskwam na het Sint Maartenlopen: dan werden alle verdiensten uitgestald op de keukentafel en in groepjes gelegd: spekjes bij spekjes, Haribo bij Haribo en Snickers bij Snickers. Jammer genoeg lag alles na het Sint Maarten feest nog lange tijd in de kast, want eigenlijk lustte ik helemaal geen snoepjes (en chocola was ik ook niet echt gek op). Maar ach, Sint Maarten ging om het gevoel van beloning na geleverd werk – en om de complimentjes die ik in ontvangst mocht nemen voor de mooie doch vals gezongen liedjes en de redelijk onhandig in elkaar geknutselde lampion. 

Suntermeerten, Nieuwe Boteringestraat, 11 november 1955 (foto: Hans Zant)

Omdat ik altijd uitkeek naar Sint Maarten (het betekende voor mij tevens het begin van de gezellige Sinterklaas-Kerst-Oud&Nieuw-tijd), ben ik er op één of andere manier altijd van uitgegaan dat het een landelijk feest was. Groot was mijn verbazing dan ook, toen, jaren later, iemand uit een ander deel van Nederland mij vragend aankeek terwijl ik een verhaal over Sint Maarten vertelde. 

Blijkbaar is Sint Maarten een redelijk lokale feestdag, dat overal ook nog eens op een andere manier gevierd wordt en soms zelfs op een andere datum. In Groningen, Noord-Holland en Limburg is de Sint Maartenviering het meest actueel en veelvoorkomend. In andere streken van Nederland komt het in mindere mate voor. En niet alleen in Nederland: ook delen van België, Duitsland, Oostenrijk en Hongarije kennen het feest – al is de viering in elke regio weer totaal anders. Zo heeft de feestdag in Duitsland niet alleen te maken met de heilige Martinus maar ook met Maarten Luther en pepernoten (?) en in België is Sint Maarten een kruising tussen Sinterklaas en een Romeinse soldaat en heeft hij soms een Zwarte Piet bij zich (??). 

Daar ga ik hier verder niet op in, ik zal me proberen te focussen op Suntermeerten in Groningen. Maar eerst: wat vieren we nou eigenlijk met Sint Maarten? 

Daar is eigenlijk geen eenduidig antwoord op te geven: er zijn meerdere mogelijkheden, vaak afhankelijk van waar en hoe het feest gevierd wordt. Ik denk dat dit de algemene aanname is: 11 november is de naamdag van Sint Maarten en op die dag eren wij deze heilige Maarten. Ruim 1600 jaar geleden woonde in een stadje in Frankrijk een bisschop genaamd Martinus. Hij was erg geliefd omdat hij een hele vriendelijke man was die veel over had voor zijn medemens. Als arme mensen op zijn deur klopten, in het donker en in de kou, dan kregen ze altijd wat te eten. Bovendien was hij ook een fameuze dierenliefhebber.

Martinus deed veel betreffende armenzorg en was nooit te beroerd om zijn handen uit de mouwen te steken om anderen te helpen. Martinus merkte dat veel armen en zieken niets wisten van God en Jezus en besloot hier verandering in te brengen. Hij galoppeerde op zijn paard van dorp naar dorp om deze blijde boodschap over te brengen. Op een koude winterdag kwam hij op één van zijn tochten een man tegen. De man lag op de grond, bijna dood van de kou en honger. Martinus greep zijn zwaard en sloeg zijn wollen mantel in twee stukken. Hij gaf de arme man een stuk mantel en wat eten en drinken. 

Suntermeerten, Groningen, 11 november 1935 (foto: Hans Zant)

Elk jaar worden Martinus’ goede daden herdacht. Door op een koude novemberavond langs de deuren te gaan en om eten te vragen, weerspiegelen Sint Maartenlopers de armelui in Martinus’ tijd. Ze hopen dan dat de bewoners zet zo goed zijn als Martinus was. Dat dit niet altijd zo is mag duidelijk zijn – speciaal voor die personen werden er in Groningen dan de volgende liedjes gezongen: 

Hier woont bakker Slokop
dij vret ales zulf op.

Maar het kan nog een tikkeltje meedogenlozer:

Sint-Martinus bokkepoot,
sloag dat olde wief toch dood
want ze wil ons niks geven,
loat ze din nait laanger leven. 

Toch is dit ‘we-bedelen-om-Martinus-te-eren’-verhaal redelijk recent en is het ontwikkeld uit een mengelmoes van tradities. Er wordt flink gespeculeerd over de ontstaansgeschiedenis van het Sint Maartenfeest. Eén groep wetenschappers stelt dat het huidige Sint Maartenfeest zijn oorsprong vindt in een heidens Midwinterfeest: een offerfeest om de goden te danken voor de oogst. Of om boze geesten te verjagen.

Een andere groep wetenschappers denkt dat het gaat om een verbastering van Allerheiligen en Allerzielen: op die twee dagen herdenken katholieken en anglicanen hun doden, door lichtjes te branden. In Winschoten zijn deze dagen onlangs nog gevierd met de Aldrillenmarkt. Maar hoe zit dat precies, want Allerheiligen en Allerzielen vinden echter plaats op 1 en 2 november en niet op 11 november. Op 1 november 1582 kwam paus Gregorius XIII er achter dat zijn kalender niet klopte (het hele schrikkeldag-gebeuren) en dat kalender eigenlijk tien dagen achterliep. Toen was het ineens 11 november en zo werden de lichtjes van Allerheiligen ineens de lichtjes van Sint Maarten. Zie daar de verklaring voor de lampionnen en de grote Sint Maartensvuren. Een andere groep wetenschappers vindt dit weer nonsens en zij stellen dat Sint Maarten een puur kerkelijk feest is en altijd zo is geweest. 

Hoe het ook zij – in Nederland, en ik heb het nu met name over Groningen, is het oorspronkelijke feest ontwikkeld naar een feest verbonden met lichtjes en bedelen. Doordat Sint Maartenlopen dus eigenlijk te maken heeft met arm zijn, kwam het vroeger geregeld voor dat ‘rijke’ ouders hun kinderen verboden mee te doen. Pas in de jaren twintig en dertig van de twintigste eeuw werd bedacht dat Sint Maarten een bijzondere, eigen traditie is die behouden moest worden.

Suntermeerten, Korreweg, Groningen, 11 november 1958 (foto: Hans Zant)

In Groningen gingen kinderen af en toe ook wel eens met een rommelpot langs de deuren in plaats van met een lampion. Een rommelpot is een aardewerken potje of kommetje bespannen met een varkensblaas, waar men met een stuk riet overheen bewoog om er zodoende een eentonig geluid uit te krijgen. Die begeleidde hen dan tijdens het zingen. Toch werd over de rommelpot over het algemeen gebruikt tijdens het Groningse Paasfeest en niet zozeer met Sint Maarten – men koos op 11 november liever voor de lampion. 

Vroeger waren de lampionnen nog niet van karton en vloei- of vliegerpapier, maar werden die op een ingenieuze manier gemaakt uit suikerbieten. De suikerbiet werd uitgehold en er werden figuurtjes uitgestoken en -gesneden. Daar kwam dan een kaarsje in te staan. De gelijkenis met de jack-o’-lantern uit Ierland is treffend: dit is de uitgeholde pompoen met een eng gezicht, die we van Halloween kennen. Een Sint Maartenlichtje wordt in het Groningen een ‘tuutje’ genoemd.

Jongen met een lampion gemaakt uit suikerbiet, Groningen, 11 november 1935 (foto: Hans Zant) 

In zijn boek ‘De Kinderwereld’ uit 1853 herinnert Marten Douwes Teenstra zich dat er op het Hoogeland grote Sint Maartensvuren werden aangestoken. Bij die vuren werd door de jongeren ‘‘lustig gedronken en gezongen, gevrijd en gevochten’’. Jammer genoeg werd er door al deze bezigheden totaal niet omgekeken naar de vuren zelf, zodat die hun eigen gang gingen en de strodaken van de omliggende huizen in lichterlaaie zetten. 

Sint Maarten is ook verbonden met ganzen. Er zijn verschillende verhalen waarom, maar allen komen erop neer dat Martinus niets van die beesten moest hebben (wat wel een beetje afbreuk doet aan zijn imago van dierenliefhebber natuurlijk). Het is in Duitsland, Oostenrijk en Hongarije nog traditie om op 11 november gans te eten. De oogst was van het land, het vee weer op stal. Daarmee was het tijd om vetgemeste dieren te slachten. Daarbij hoorden de slachtfeesten: party’s veel eten en nog meer drank. Sowieso volgden veel mensen een cyclus waarbij er vanaf 11 november gevast werd tot Maria Lichtmis, dus konden ze het er nog even goed van nemen. 

In de loop van de tijd gingen de slachtfeesten samenvallen met de herdenking van de heilige Martinus, en zo vonden er op of rond die datum vaak Sint-Maartensveemarkten plaats. In Groningen at men vooral vetgemeste ganzen als Sint-Maartensvoedsel. Daarnaast at men ook vaak spekpannenkoeken van boekweitmeel en was het gebruikelijk het ganzenbordspel te spelen op 11 november. In Westerwolde deed er met Sint Maarten nog lang een liedje in de rondte:

Er kwam n gaans uut Sassen
Uut Sassen kwam een gaans
Hij was zo wel gewassen,
Gewassen was die gaans. 

De opbrengt van Suntermeerten, Groningen, 11 november 1935 (foto: Hans Zant)

Ondanks alle deze tradities en liedjes lijkt het Sint Maartenfeest op sommige plekken in Nederland te gaan verdwijnen. Er komen steeds minder kinderen aan de deur. Maar niet in Groningen: uit een onderzoek van Buurtlink uit 2014 bleek dat meer dan 82 procent van de Groningers zegt dat er in hun buurt Sint Maarten wordt gevierd. Wij Groningers hebben ook weinig andere keus natuurlijk: onze bekendste kerk en toren zijn immers naar de heilige Martinus genoemd! 


Oké, nog eentje dan:

Sunt Martinus Bisschop,
Mit zien roege muts op,
Mit zien laange stevels aan,
Doar komt Sunt Martinus aan.
Geft t ook wat, n sînt of wat,
n Appel of n peer?
Kom ik haile joar nait weer.
t Haile joar duurt zo laank,
Is mien keerske al ôfgebraand.

Wat zijn uw herinneringen of die van uw (groot)ouders aan Suntermeerten?

Bronnen
Wereld Feesten Almanak. ‘‘Sint Maarten.’’ Beleven, http://www.beleven.org/feest/sint_maarten.
Faber, W. Sint Maarten / Suntermeerten: 150 liedjes. Bedum: Profiel, 1989.
Schreiber, F. Groningse volksgebruiken het hele jaar rond. Ede: Verba, 2005.

donderdag 9 juli 2015

Kijk uit voor de Borries!

Laatst moest ik eens op een avond in het Groningse dorpje Rottum zijn. Na een enigszins gênante rit voorin een klein en verder leeg busje dat van Middelstum naar Uithuizen pendelde, werd ik er bij de halte ‘t Lage Eind’ uitgegooid. Vanaf daar is het nog zo’n kilometer lopen tot het dorp. Het was al donker en aangezien ik me niet in het drukste gebied ter wereld bevond, betekent donker ook echt donker. Eerder, in de bus, had ik, met een ongekende vooruitziende blik, al een zaklamp-app gedownload voor mijn telefoon. Die bleek ik inderdaad nodig te hebben. Het was stil en ik hoorde niets dan mijn eigen voetstappen en het ritselende gras. Ik voelde dat ik sneller ging lopen. Normaliter ben ik niet bang voor het donker; ik ben student, uiteraard loop ik wel vaker door het duister over straat. Maar in de stad zijn er altijd ménsen, nu was ik helemaal alleen. Daarnaast wist ik dat het Groningerland veel spookverhalen kent. Dit zijn getuigenissen van mensen die ooit de meest rare schepsels hebben gezien; verhalen over allerlei enge wezens die zich op het platteland schuilhouden. Eén ding hebben ze gemeen: ze komen in het donker tevoorschijn. 

Toen er rechts van mij opeens enkele struiken en bomen opdoemden sprong ik van schrik een gat in de lucht. Ik keek schichtig opzij. Ik vervloekte mezelf dat ik van tevoren had gelezen over de borries (de Groningse benaming voor een helhond), die ooit is gespot is in Rottum. De borries had zich verstopt achter een groepje struiken, zijn enorme, gloeiende ogen het enige licht in de duisternis. Ik stond even in tweestrijd, maar in een vlaag van heldhaftigheid (of totale verstandsverbijstering) boog ik me voorover, duwde met trillende handen een aantal takken opzij en tuurde in de bossen. Ik wachtte even op een moment suprême, maar er gebeurde niets. Ik werd niet aangestaard door een paar woestkijkende ogen en ik werd ook niet aangevallen en opgegeten. Snel liep ik door. En wat was ik opgelucht toen ik voor de terugweg een lift aangeboden kreeg…  

Een borries is dus de Groningse benaming voor een helhond, of spookhond. Dit is een grote, zwarte hond, met een krullende vacht en een buitenproportioneel grote kop, waarin zijn grote ogen gloeien als kolen. In Groningen dolen borries gewoonlijk rondom wierden, hun poten onhandig voortbewegend. K. ter Laan, in zijn Groninger Overleveringen uit 1930, waarschuwt ons: ‘‘[…] veur ’n borries mòie oppaazn. Dat is ’n hond dij spoukt. ’s Nachts komt e joe tegen, ie wòrren der kèl van. Ze binnen der bie duustern, en ze binnen der bie moanschienweer. Geluud heur ie nooit. As de moan schient, kìn je ’t vot aan twij dingen zain […] De borries het ’n hail biezunder soort van gaang; hai verzet zien baaide linkerpooten touglieks, en din weer zien baaide rechterpoten touglieks; hai zuit hinneweer. Aan zien staart kìnje ’t ook vot wel zain.’t Is ’n hail dikke, roege staart, dij stekt e staail achteroet. Aander honden hebben staart aaltied ’n beetje schaif mit ’n boogje der in. Mor ’t alleriezelkste is, as ’t duuster is. Want hai het ogen as dòbbelaaiers*, en ’t vuur vlogt ter oet. Aaltied löpt e op ainzoame steden, benoam bie òl borgen. Ie mouten niks doun, en gain woord zeggen; din het e gain macht over joe.
*Dòbbeldaaiers zijn kleine sauskommetjes, die vroeger voor aardappels gebruikt werden.

Het gaat hier natuurlijk om een mythisch wezen. De helhond komt wereldwijd in volksverhalen voor. Het zien van de grote zwarte hond is in het volksgeloof een omen; een ongunstig voorteken. De helhond is de brenger van naderend onheil, of, nog een tikkeltje dramatischer, de dood. Bij het zien van de hond wist men dat er iemand in de naaste omgeving binnenkort het loodje zou leggen; bij het horen blaffen ervan was de dood al nabij; bij het horen rinkelen van de kettingen die de hond bij zich droeg was je zelf al zo goed als dood. Fré Schreiber noemt inderdaad dat de Groningse borries een ‘‘grimmige hond met gloeiende kettingen’’ is. 

'De dood' op een Rottumse grafsteen

Niet alleen in Groningen maakt de helhond nog deel uit van volksverhalen, ook in Twente en Noord-Brabant wordt er nog over dat enge zwarte beest verteld. Buiten Nederland komt de helhondvoor in onder meer de Griekse, Germaanse en Azteekse mythologie, en Britse en Noorse volksverhalen. Maar ook in de hedendaagse populaire cultuur is er nog plaats voor de helhond: zo is er de Grim uit Harry Potter, en de hond die Sherlock Holmes en Dr. Watson zien in The Hound of (the) Baskerville(s). 

Terug naar Groningen. Volgens de volksverhalen is de hond gezien van Niehove tot Garmerwolde en Bourtange tot Grootegast. En dus ook in Rottum, waar ik de desbetreffende avond angstige blikken over mijn schouder bleef werpen maar uiteindelijk geen borries heb gezien. Volgens de overlevering is daar eens rond middernacht een ‘vurige ijzeren wagen’ gezien, bespannen met vier of zes van die helhonden! K. ter Laan vertelt dat er in de polder bij Termunten ook een borries is verschenen: ‘‘[…], ’n roege swaarde. Dij is tusschen twaalm en ain aan ’n snieder* verschenen, dij te laank in haarbaarg zat. Keerl is ter aan doodgoan van schrik.
*Een snieder is een kleermaker.

In een schoolmeesterrapport uit 1828 schrijft L. Hoeksema uit Zuurdijk dat op de ten zuiden gelegen wierde Ewer ‘‘een zoogenaamde Borries gezien werd; zulk een Borries was, volgens het hier aangehegte denkbeeld een zeker vadsig en goedaardig soort van helsch gedrogt.’’ Het is vreemd dat de traditionele rol van omen in Ewer niet van toepassing is: de ‘vadsige’ borries wordt hier blijkbaar als goedaardig gezien. Hoeksema vertelt dat op enkele andere wierden in de buurt ook een borries is gezien, zoals op de Leenster wierde, en die van Elens, Houw en Menneweer. Deze borries waren wel beladen met gloeiende ketens en dus ‘‘een meer grimmig dan moedig gedrochtensoort’’. Niet zelden werd de borries vergezeld door een veulen zonder kop en een aantal dansende juffers. Samen moeten ze er een enorm feest van hebben gemaakt. 

Maar het mooiste verhaaltje, vind ik, komt uit de omgeving Delfzijl en is rond 1933 opgeschreven. Op een avond liepen Klaas, ‘een roukeloze kerel’, en zijn vrienden Eltje en Jaan van Oterdum naar Geefsweer. Ze hielden van kaartspelen en jenever drinken, en waren die avond dan ook redelijk beschonken. Net buiten Oterdum ‘is doar ’n roege swaarde hond aal bie heur laangs schoven’. De hond werd, volgens het verhaal, steeds ‘dikker’ (groter). In een bui van stoerdoenerij, die ongetwijfeld het gevolg was van die laatste glazen jenever, riep Klaas: ‘‘Hai zel sloag hemmen al is het de Duvel ook!’’ Hij had met een stok in zijn hand gelopen, maar toen hij die op wou heffen om de immer groter wordende hond te slaan, lukte dat niet. Hij kon zijn arm niet meer bewegen. Toen hadden ze het door en zei Eltje: ‘‘Tegen de Boze kunnen we niet vechten. Men moet nooit boze machten oproepen.’’ De hond werd kleiner en het gevaar week. 
Het is duidelijk, mensen: kijk uit voor de borries!

'De dood' op een Rottumse grafsteen

Bronnen
Huizenga-Onnekes, E.J. (J.A. Fijn van Draat). Heksen- en duivelsverhalen in het Groningerland. Winschoten: J.D. van der Veen N.V., 1992.
Laan, K., ter. Groninger Overleveringen (deel 1 en 2). Groningen: Erven B. van der Kamp, 1928.
Renswoude, O., van. ‘‘De Borries.’’ Taaldacht, gepubliceerd 29-09-2010. Geraadpleegd 10-06-2015, http://taaldacht.nl/2010/09/29/de-borries/.
Schreiber, F. Groninger Almanak. Ede: Verba, 2008.

maandag 22 juni 2015

't Riepster Licht

De aula van het Academiegebouw, het hoofdgebouw van mijn universiteit (de RUG), bevat prachtige gebrandschilderde ramen. Ze zijn ontworpen door Johan Dijkstra, een kunstenaar die samen met Jan Alting de Groninger kunstgroep ‘de Ploeg’ oprichtte. De ramen laten het geestelijke en wetenschappelijke leven in Stad en Ommeland zien. Zo kun je bijvoorbeeld Aletta Jacobs ontdekken, maar ook een verbeelding van Groningen’s bekendste sage: de legende van het Riepster Licht.

Beide foto's zijn van de gebrandschilderde ramen van het Academiegebouw. Het raam op de linkerfoto is hetzelfde als middelste raam op de rechterfoto. Je ziet een verbeelding van het Riepster Licht: twaalf wijze mannen en Jezus in een bootje. Lees er hieronder meer over.

Grote kans dat je wel eens van het ‘Riepster Licht’ hebt gehoord. Dat had ik ook wel, maar wat het nou precies inhield… Dat was een tweede. Het is echter zo’n belangrijk volksverhaal in ‘onze’ folklore, dat het me leuk leek er wat over te vertellen. Dat is moeilijker gezegd dan gedaan, want er bestaan vele variaties op dit verhaal. Dat is logisch met dit soort oude verhalen: vaak zijn ze eeuwenlang mondeling overgeleverd, en elke verteller verandert wel een aantal elementen. Toen deze volksverhalen dan uiteindelijk op schrift werden gesteld, werden die door de jaren heen natuurlijk ook nog eens bewerkt door hun schrijvers. Zo ook de legende van het Riepster Licht. Hoewel de kern van het verhaal gelijk bleef, veranderden bijvoorbeeld regelmatig de namen van de hoofdrolspelers. Dus welke versie kies ik? Ik ga voor wat ik denk dat de bekendste is: de christelijke versie met Karel de Grote.

Het Riepster Licht

Er was eens een koning en die heette Karel de Grote. Hij leefde in de vroege middeleeuwen en was een machtig heerser die over zoveel mogelijk gebieden de baas wilde zijn. Hij had zijn oog laten vallen op het gebied dat Friesland heette. Daar viel Groningen destijds ook onder. Het kostte het hem veel moeite de Friezen te onderwerpen, maar na een lange strijd moesten de Friezen zich toch gewonnen geven. Karel voerde gelijk nieuwe regels in. Zo moesten de Friezen zich gaan bekeren naar het christendom. Dat ging niet zo makkelijk want de Friezen hadden hun eigen goden lief. Daarnaast beval Karel ook dat de Friese wetten op schrift werden gesteld, en dat deze vermengd moesten worden met nieuwe, christelijke wetten. Daar waren de Friezen erg verbolgen over, want zij vonden hun wetten te heilig om op te schrijven. De Friese wetten zijn namelijk jarenlang mondeling overgeleverd, vaak in de vorm van mooie spreuken. Toch wees Karel twaalf wijze mannen aan die de wetten op moesten schrijven, in het Latijn. Zij weigerden en riepen: ‘We willen geen nieuwe wetten over Christus, want wij hebben ons eigen geloof al. En wij kunnen het ook niet over ons hart verkrijgen om onze heilige wetten op schrift te stellen!’

Karel werd boos en gaf hen drie keuzes. Ze mochten ervoor kiezen om onthoofd te worden, om levend begraven te worden, of om op een stuurloos schip te worden gezet. De wijze mannen kozen voor het laatste. Bij Zeerijp lag het schip klaar. Zeerijp ligt nu landinwaarts, maar lag vroeger nog aan zee. Zonder anker, roer, riemen, masten en zeilen werden ze het water in geduwd. De zee was wild en al snel was er geen land meer in zicht. De mannen dreven steeds verder weg en er stak een sterke storm op. Ze baden hun goden om hulp, maar er gebeurde niets. Ieder moment zou het schip kunnen omslaan en dan was het gedaan. Toen zei de oudste man: ‘Onze goden hebben ons verlaten. Laten we als laatste redmiddel bidden naar Jezus Christus, en kijken of hij ons wel wil verlossen uit deze nood.’ De mannen sloegen hun handen ineen, knielden op het natte hout van het schip en prevelden hun gebeden, kijkend naar de donkere hemel. En opeens stond daar een dertiende man op het achtersteven van het schip. Het was alsof hij licht gaf. Hij had een kromhout in zijn hand en daarmee bestuurde hij het schip. De dertiende man vaarde hen veilig de haven van Zeerijp weer in. Hij sprong als eerste aan wal en gooide zijn kromhout in het zand. Toen verdween hij. Plots begon het kromhout te branden en ontstond er een groot vuur. Sindsdien ontvlamde elke avond het licht van het kromhout aan de haven: dit werd het Zeerijpster Licht, oftewel het Riepster Licht, genoemd. Het licht was een baken voor schepelingen, zodat zij wisten waar de haven was. 

Eeuwenlang brandde het Riepster Licht om zeelui de goede weg te wijzen. Maar tijden veranderden. De haven van Zeerijp verzandde en Zeerijp lag op een gegeven moment niet langer aan het water. Het licht van het kromhout doofde. Niet lang daarna kwam er een ander licht voor in de plaats, een licht met een geelrode gloed. Dit licht was door de duivel ontstoken. Schepelingen dachten dat het een baken was en voeren de voormalige haven in, waar ze strandden en vergingen. Zo zijn er talloze zeelieden omgekomen door dit duivelslicht. 

Tot het begin van de vorige eeuw zijn er nog mensen geweest die vertelden het licht te hebben gezien. Jazeker - op donkere, stille avonden brandt het Riepster Licht nog. Maar wees voorzichtig…

Deze versie is duidelijk een christelijke sage. Het vertelt over het falen van de oude goden en de goedhartigheid en behulpzaamheid van Jezus. Daarmee is het een handig verhaal om mensen te laten bekeren tot het christendom. Veel schrijvers zijn het er echter over eens dat deze versie een gechristianiseerde vorm is van een al veel oudere sage. Daar is wel wat voor te zeggen, want deze christelijke versie bevat enkele historische onvolkomendheden: Karel de Grote leefde aan het eind van de achtste en aan het begin van de negende eeuw, maar Zeerijp ontstond hoogstwaarschijnlijk pas in de tiende eeuw. Daarnaast staat ook geheel niet vast dat Zeerijp ooit een haven heeft gehad.

Schrijvers als K. ter Laan noemen dit verhaal van Riepster Licht dan ook een verbastering van een mythe van heidense, Germaanse oorsprong. De onbekende dertiende man was volgens ter Laan Forseti, de zoon van de Germaanse lichtgod Baldur. Hij bracht de twaalf mannen veilig terug naar land en zij leerden van hem het heidense recht. K. ter Laan, en met hem anderen, stelt dus dat het hier in feite gaat om een oud-Friese rechtssage. Deze oud-Friese rechtssage werd dus later gechristianiseerd en waarschijnlijk in de zeventiende eeuw pas aan Zeerijp gekoppeld. Dit was het werk van de laatste pastoor en eerste dominee van Zeerijp: Gerardus Alberti. In A.J. van der Aa’s Aardrijkskundig Woordenboek uit 1851 duidt van der Aa aan dat het licht gezien kan worden bij de Woldweg; deze weg bestaat nog steeds. 

De groep mensen in de verte loopt over de Woldweg bij Zeerijp.

Hoe het ook zij – het Riepster Licht was eeuwenlang een begrip in Noord-Groningen. Al die tijd waren er daadwerkelijk mensen die claimden het licht te hebben gezien. W. de Blécourt, R.A. Koman, J. van der Kooi en T. Meder wijzen daarvoor naar ‘‘optredende dwaallichtjes (blauwachtige vlammetjes ontstaan door verbrandend moerasgas, algemeen als iets bovennatuurlijks beschouwd). Die dwaallichtjes worden in Groningen meestal hiplichtjes genoemd.’’ 

Waar geloof jij in? Is het Riepster Licht een wetenschappelijk verklaarbaar natuurverschijnsel? Is het een baken van het christelijk geloof? Of is ’t het licht van de duivel? Dat is de pracht van deze eeuwenoude legende: het roept meer vraagtekens op dan het antwoorden geeft op onze vragen over het verleden. 

De kerk van Zeerijp; de losstaande toren staat waarschijnlijk op de plek waar ooit eens een vuurtoren heeft gestaan.

Bronnen
Aa, A.J., van der. Aardrijkskundig Woordenboek: deel 13. Gorinchem: Jacobus Noorduyn, 1851.
De Blécourt, W., R.A. Koman, J. van der Kooi en T. Meder. Verhalen van Stad en Streek. Amsterdam: Uitgeverij Bert Bakker, 2010. 
Laan, K., ter. Groninger volksleven: Beschrijvende folklore. Groningen: P. Noordhoff N.V., 1959.

zaterdag 30 mei 2015

Belofte maakt schuld: een eeuwenoud verhaaltje uit Krewerd

In het plaatsje Krewerd stond ooit een prachtig huis. In de tweede helft van de dertiende eeuw woonde hier de rijke Tyadeke met haar zoon Menco. Ze waren met zijn tweeën omdat Menco’s vader was overleden na een mislukt rondje paardrijden. Op een dag werd zoon Menco plotseling erg ziek. Zijn moeder bad voor zijn genezing. Het zag er niet goed uit. Maar Tyadeke bad en bad en bad en beloofde heilig dat als Menco nog zou genezen, zij een kapel zou laten bouwen in Krewerd. Die was er namelijk nog niet. Ja, knikte ze, ze zou een kapel stichten op eigen grond, van haar eigen geld. En ze zou ook nog het jaarsalaris voor de priester betalen. En wonder boven wonder, Menco knapte op en herstelde volledig. Hij was weer gezond.

Maar de kapel werd niet gebouwd. Tyadeke ‘vergat’ haar belofte, of schoof haar plichten steeds verder voor zich uit. Ze had zichzelf inmiddels een ander, ietwat dringender doel gesteld: om Menco aan de vrouw krijgen. Hij was al bijna dood geweest, vrouw- en kinderloos, dus om dit de volgende keer te voorkomen was het hoog tijd voor huwelijk en kinderen. Mind you, Menco was toen waarschijnlijk nog maar in zijn vroege tienerjaren. Dat deed er niet toe bij Tyadeke. Ze had de desbetreffende vrouw al op het oog: de jonge, edele Tete. 


Bloesem in Krewerd, een klein en achteraf-gelegen dorpje in het noordoosten van Groningen, enkel te bereiken door twee kleine slingerweggetjes.

Tete woonde met haar moeder in Loppersum. Zij was een mooie en slimme dame van goede afkomst. Ook Tete was ziek geweest. Haar vader Geiko was deken en had de heilige belofte gedaan dat als Tete zou genezen, zij in het klooster zou gaan. Toen Tete genas ging Geiko ging dood. Geiko’s weduwe, en dus Tete’s moeder, Thialdis, had er geen zin in om haar jonge dochter naar het klooster te sturen. Ook deze belofte werd dus niet nagekomen, net als de kapel in Krewerd. 

Tot geluk van beide moeders, die, laten we eerlijk zijn, beide wel een beetje als boosaardige en bemoeizuchtige tuthola’s overkomen, werden Menco en Tete echt verliefd. Al snel was Tete zwanger. Maar het noodlot sloeg toe. Menco werd weer ziek en stierf dit keer. Hun kindje werd te vroeg geboren en stierf ook. Tete keerde intens verdrietig terug naar het huis van haar moeder. Ze stierf van verdriet, maar niet voordat zij op haar sterfbed haar vader’s erfenis schonk aan klooster Bloemhof (inderdaad, dat klooster van abt Emo). 


Een mereltje in Krewerd

Tyadeke en Thialdis stonden na deze tragedie als kemphanen tegenover elkaar. Thialdis was boos op klooster Bloemhof en claimde dat de erfenis nu aan haar toeviel. Ook meende ze aanspraak te maken op de erfenis van Menco. Er brak een heftig conflict uit over de erfrechten. De twee vrouwen waren zó vijandig dat hun leven werd beheerst door haat. Hierdoor kwam Tyadeke tot inkeer en besloot alsnog de kapel te bouwen. Precies zoals ze al die jaren geleden had beloofd: op haar eigen grond, van haar eigen geld. Op deze wijze lostte ze haar oude gelofte in en kon ook zij zonder gewetensbezwaren sterven. God had haar vergeven.  

Is dit verhaal nou een boel lariekoek? Aan de ene kant, natuurlijk is dit een eeuwenoud verhaal, en de feitelijke waarheid is dan altijd iets waar over getwijfeld kan worden. Aan de andere kant, het staat te lezen in het Kroniek van Klooster Bloemhof, en is wel rond dezelfde tijd opgeschreven. Het doel van de tekst is wel heel duidelijk: God laat niet met zich spotten en zorgt ervoor dat gedane beloftes gehouden dienen te worden. Belofte maakt schuld.


De kerk van Krewerd, gesticht door Tyadeke. Een groot gebouw voor een dorpje met een kleine 100 inwoners.

Bronnen
- Kroniek van het Klooster Bloemhof. ‘‘Over de kapel van Krewerd en hoe zij werd gesticht.’’ https://books.google.nl/books?id=rx6P48yex4oC&printsec=frontcover&dq=kroniek+klooster+bloemhof&hl=en&sa=X&ei=m1JBVbTgDI7tO7WigaAE&ved=0CCQQ6AEwAA#v=onepage&q=kroniek%20klooster%20bloemhof&f=false 
- Sillius. ‘‘Grunneger Bladzieden.’’ http://www.sillius.nl/groningana/
- Stichting Dorpsbelangen ‘de Drie Maren’. ‘‘De Mariakerk in Krewerd.’’ http://www.holwierde.net/geschiedenis/de-mariakerk-in-krewerd-een-ommelander-kleinood/
- Stichting Oude Groninger Kerken. ‘‘Krewerd: Kerk Krewerd.’’ https://www.groningerkerken.nl/kerken/print_kerk.php?id=16

woensdag 6 mei 2015

De witte juffers van Groningen

‘‘Dou ik ’n joar of vieftien was, woonde ik veur lutjemaaid op ’n ploats ien Tweihoezen. Doar mòs ik ’s mörns ien duustern altied schoapmelken. Ze harren mie verteld dat doar altied twei widde juffers deur ’t laand laipen van Tweihoezer Weg noar Dekkersweg. Op ’n mörn zag ik ze ook. Ik wer toch zó kel en veurdat ik ter op verdòcht was, zat ik op kop ien sloot. Ik bin der weer oetkomen, mor ’t schoapetouw heb ik ter bie verspeuld. Dou ’t licht wer, ben ik ter weer hèngoan, mor dou was ter niks te zain.’’
- Vertelt in Spijk, rond 1900. Opgeschreven door E.J. Huizenga-Onnekes, bewerkt door J.A. Fijn van Draat. Heksen- en duivelsverhalen in Groningerland, 1992, blz. 198.

Dit is een voorbeeld van één van de vele verhalen over witte juffers die in het Groningerland werden verteld. Er doen de gekste verhalen in de ronde. Witte juffers worden ook wel witte wieven, witte wijven of witte vrouwen genoemd. Het is een mythisch wezen, dat veelvuldig wordt aangetroffen in het volksgeloof. In heel westelijk Europa zijn er vormen van de witte vrouwen te vinden. Niet alleen in de Germaanse gebieden, maar ook in Romaanse en Keltische culturen. Natuurlijk verschillen per regio haar karaktereigenschappen en de verhalen die aan haar verbonden zijn, maar een overeenkomst is er zeker.

Witte vrouwen

Het is moeilijk informatie te vinden over het ontstaan van het volksgeloof omtrent witte vrouwen. In Nederland vindt het zijn oorsprong hoogstwaarschijnlijk in de Germaanse tijd. Witte vrouwen konden de toekomt voorspellen, en genoten daarom een hoge status. Het ‘witte’ is oud-Germaans voor ‘wijze’: het waren dus wijze vrouwen. Uit die wijze vrouwen werden priesteressen gekozen en na het overlijden van deze priesteressen bleef men hen eren bij hun graven. Er werd gelooft dat de priesteressen opstonden uit hun graf en daar ronddoolden, als een soort spoken in witte jurken. Dit waren hun doodskleden (in het Gronings: henneklaid). Maar nogmaals, de verhalen verschillen enorm en zijn slechts speculaties. Niets is zeker want er is helaas erg weinig informatie overgeleverd. Dit komt vooral door de komst van het christendom. Gedurende de kerstening werd de bevolking bang gemaakt voor alles wat pre-christelijk en dus heidens was: duivels, spoken, en noem maar op. Met heidense rituelen werd veelal afgerekend. De geschiedenis van witte vrouwen werd verdraaid en de eens zo aanbeden priesteressen werden nu afgezet als kwaadaardige heksen. In de verhalen die we nu kennen zijn ze dan ook boze figuren die de gewone sterveling verleiden en laten verdwijnen.

In Nederland komende witte vrouwen vooral voor in de oostelijke, nedersaksische provincies (Gelderland, Overijssel en Drenthe). Daar worden ze witte wieven genoemd. Ook in Groningen bestaan er tal van plaatsen waar ze gespot zijn, maar daar heten ze witte juffers. De verhalen zijn vaak jarenlang mond op mond doorgeven, totdat ze werden opgeschreven door o.a. M. Teenstra, E.J. Huizenga-Onnekes en K. ter Laan. Zoals gezegd, de aard van de witte vrouwen verschilt per regio. Alleen al tussen de oost-Nederlandse en Groningse witte vrouwen is een grote verscheidenheid aan karakteristieken te ontdekken. In het oosten van het land en Drenthe wonen zij vooral in hunebedden, moerassen en grafheuvels. Daar ligt ook hun goud verstopt. In Groningen wordt vermeld dat zij zich vooral ophouden bij wierden, kruiswegen, bruggen en kerkhoven.

Witte juffers in Groningen

Want mij vooral opviel is dat de Groningse witte juffers vaak als ‘niet kwaad’ worden bestempeld, wat in tegenstelling is tot vrijwel alle andere verhalen betreffende witte vrouwen. In Groningen doen ze je niets, maar komen ook niet in de buurt. J. Tilbusscher spreekt aan het begin van de twintigste eeuw een oud Hogelandster vrouwtje en zij vertelt hem dat de witte juffers lang geen lelijke dames zijn. En ze zijn ook gek op kerels. In andere verhalen lees ik meer over wat de juffers nou precies doen. Ze komen rond middernacht tevoorschijn, en dan dansen en springen ze wild in het rond. De wat rustigere of oudere juffers wandelen vaak in groepjes dezelfde route. In Woltersum liep er eentje met een mandje appels, samen een ridder zonder hoofd. Andere witte juffers bewaakten een schat in een heuveltje aan de noordoostkant van het Marumer bos. In Garmerwolde stonden ze in het maanlicht ‘bombuizies’ te bakken, met de pan in de hand. Bij Rottum is het helemaal gezellig want daar zaten de juffers samen aan een tafeltje in het gras thee te drinken.

Toch is het niet allemaal picknicken en dansen: er gaan ook verhalen van witte juffers met bebloede zakdoeken en bevlekte gewaden, die ‘het hoar roeg op de kop hebben’. In Zuurdijk spant er eentje de kroon: zij draagt een bebloede zweep in haar rechterhand, en een brandende toorts in de andere. Het zijn slinkse dames. Met dartele pasjes verleiden ze nog wel eens een man (want ja, die trappen daar natuurlijk wel in) en die verdwijnen dan in het niets.

Witte juffers waren veelvoorkomende mythische figuren en werden regelmatig genoemd in spookverhalen. Bijna elk Gronings dorp had wel een vaste witte juffer waarvan men wist dat die er ’s nachts rondspookte. Men was met die verhalen opgegroeid en hechtte er daarom niet veel waarde meer aan. In 1828 vraagt de Commissie voor Onderwijs de hoofdonderwijzer van Zuurdijk of hij enkele in dat dorp heersende bijgelovigheden kan noemen. De onderwijzer antwoord dat er in Zuurdijk geen sporen zijn van spook- of heksengeloof, maar voegt er achteloos aan toe dat er op een heuvel ten noorden van het dorp wel elke nacht twee juffers staan te dansen. Nou, ik zou het wel vreemd vinden als ik in het donker twee in het wit gehulde dames helemaal uit hun plaat zie gaan op een heuvel in the middle of nowhere…

Slechts éénmaal is het gebeurd dat iemand een witte juffer heeft horen spreken, hier in Groningen. Het was een zwoele zomernacht en een man was aan het werk bij het appelhof van een grote boerderij in Westerbroek. Overdag was het namelijk te heet om te werken. Plots zag hij een stoet witte juffers langszweven. Het had een bijzonder sereen, haast magisch schouwspel kunnen zijn, ware het niet dat er één witte juffer op een nogal knullige manier achter de groep aanhobbelde. Ze bleef maar over haar eigen jurk struikelen, een gênant gezicht dat danig afbreuk deed aan het betoverende moment. De man voelde geen angst en liep op de miserabel-uitziende juffer af. Toen hoorde hij haar duidelijk spreken. De man schrok want hij wist dat het heel uniek was om een witte juffer te horen praten. Ze sprak slechts één zin. Ze greep woest naar de onderkant van haar jurk en krijste: ‘‘Mien henneklaid is mie te laank!’’ Ja, deze juffer sprak in het Gronings. De man stond versteld en wist niets te zeggen. De volgende nacht was het weer raak. De juffer kwam weer als laatste en luid tierend langs gestruikeld. De man pakte een grote schaar en knipte uit medelijden een stuk van haar jurk af. Ze wierp hem een stralende glimlach toe en zwierde toen met haar mede-juffers uit het zicht. De man werd er de rest van zijn leven voor beloond met geluk, rijkdom en vrede.

Vandaag de dag worden de witte juffers niet veel meer gespot. De verhalen verdwijnen langzaamaan uit de dorpsmond, en als het niet voor het uitstekende werk van enkele folkloristen was geweest, dan waren we ze nu kwijt. Maar de verhalen zijn verzameld in enkele boeken en gewoon door te bladeren als je iets te lachen wilt hebben, of als je wilt weten of jouw dorp ook een witte juffer had die de boel op stelten zette. En als je de dames echt zelf wil zien, dan moet je een keer in de nacht of in de vroege ochtend richting een wierde of kerkhof lopen als het mistig is. Als de mist laag over de grond hangt, dan kun je ze in de verte zien. De mistflarden lijken te dansen. Ik ben gewend dat deze mysterieuze mistbanken ‘witte wieven’ heten; maar vanaf nu zal ik ze ‘witte juffers’ noemen. Ken je ze ook?

Bronnen
Boekholt, P. Th.F. M., en J. Kooi (red). Spiegel van Groningen: over de schoolmeesterrapporten van 1828. Assen: Van Gorcum & Comp, 1996.
Huizenga-Onnekes, E.J. (J.A. Fijn van Draat). Heksen- en duivelsverhalen in het Groningerland. Winschoten: J.D. van der Veen N.V., 1992.
Laan, K., ter. Groninger volksleven: verhalende folklore. Groningen: P. Noordhoff N.V., 1959.
Schreiber, F. Groninger Almanak. Ede: Verba, 2008.