zondag 17 mei 2015

Een avond in Vierhuizen

Op een schemerige zomeravond bevind ik me op een smal kerkepad tussen Zoutkamp en Vierhuizen, de horizon afspeurend naar een spook in de vorm van een ruiter met zwaard. Ik heb jammer genoeg geen geluk, de ruiter laat zich niet zien. De kans was ook klein, want volgens de overlevering rijdt de ruiter hier vaak alleen op Oudejaarsavond. Maar ja, het was het proberen waard natuurlijk.

Dit kerkepad tussen Zoutkamp en Vierhuizen bestaat al heel lang. Zoutkamp kreeg pas in 1836 een kerk, dus tot die tijd moesten de gelovige Zoutkampers naar de kerk in Vierhuizen. Zij begaven zich richting hun godshuis via een smal paadje dat door de landerijen liep. Dat paadje ligt er nu nog steeds, en gaat zelfs dwars over een boerenerf. Op die desbetreffende op-zoek-naar-de-ruiter-avond fiets ik over het kerkepaadje en twijfel ik even of ik wel goed zit; ik kan toch niet zomaar over die boer z’n erf peddelen? Maar blijkbaar is dit geen probleem. Het paadje voert me langs twee grote boerderijen, Panser en Beusum, die er vele eeuwen terug ook al stonden. Toen waren het hoogstwaarschijnlijk  borgen. Zoals alle borgen in het Groningerland kenden ook deze twee excentrieke eigenaren. Het waren bekende achternamen uit de Groninger geschiedenis; ik kom de van Lewe’s tegen, en ook de van Ewsum’s, en de familie Coenders. En de prijs voor de mooiste achternaam gaat naar de van In- en Kniphuisen’s van Asinga.

Vierhuizen

Vierhuizen is een klein, verstild dorpje temidden van weilanden. Je zou haast niet merken dat het er ligt; auto’s razen er snel aan langs op weg naar Zoutkamp of Lauwersoog. Er is één weg waarmee je aan de ene kant het dorp inkomt en aan de andere kant er weer uitgaat, met wat doodlopende zijweggetjes. Afgezien het kerkepad natuurlijk, maar dat is alleen voor wandelaars of fietsers begaanbaar (alhoewel, als je geen talent hebt voor recht sturen dan streep ‘fietsers’ maar weg, het paadje is écht heel smal en ik vreesde bij het bruggetje even voor mijn droge kleren). Midden in het dorp staat de kerk, met ernaast een prachtige pastorie dat nu een fantastische B&B is, genaamd d’Olle Pastorie. Tegenover de pastorie verkoopt een mevrouw handgemaakte schaapjes met écht wol van de schapen van haar zoon. Er zijn bruine en witte en grote en kleine. Het zijn passende souvenirs voor een dorpje dat omringt is met schapen en daarom gaan er natuurlijk drie mee naar huis. 

B&B en Sauna: D'Olle Pastorie

De handgemaakte schaapjes

Onderaan de regenboog is in Vierhuizen geen pot met goud te vinden, maar wel een hoop schapen

De kerk van Vierhuizen is een beetje een celebrity. Het is in bezit van Stichting Oude Groninger Kerken en deed in 2006 mee aan het AVRO-programma ‘De Restauratie’, dat gesponsord werd door de BankGiro Loterij. Het kerkgebouw verkeerde destijds in werkelijk deplorabele staat. De kerk van Vierhuizen werd uit de genomineerde restauratieprojecten gekozen en kreeg 900.000 euro om de boel op te knappen. Nu is ’ie netjes wit gepleisterd en kijkt stralend uit over het omliggende dorp. Het kerkhof is minstens zo interessant. Zo spot ik een nog erg gaaf uitziende grafzerk met het jaartal 1696 erop, en grafzerken met de meest indrukwekkende wapens. Ook is er een grafzerk volledig bedekt met tekst. De overledene vertelt op die zerk het verhaal hoe hij aan zijn eigenaardige dood is gekomen. Dat is wel een beetje een vreemde gewaarwording, want de in 1787 overleden man lijkt je zodoende direct toe te spreken vanuit het graf. Klaas Jans had al jaren last van een liesbreuk en besloot op een februaridag over het Reitdiep richting Groningen te schaatsen om naar de breukenmeester te gaan. Die kon hem niet helpen en toen moest hij weer terug, door de kou. Eenmaal thuis aangekomen – afgepeigerd door de pijn en door de barre weersomstandigheden – stierf hij.

De kerk van Vierhuizen

Verderop op het kerkhof staat een monumentje ter nagedachtenis aan de dertien doden die in Vierhuizen zijn gevallen tijdens de overstroming van de Westpolder in 1877. Zij liggen in een gezamenlijk graf ergens onder de grond. Er kwam ook een veertienjarig meisje om, zij was uit te logeren in Vierhuizen en ligt begraven in Houwerzijl. De Westpolder ligt ten noordwesten van Vierhuizen en werd aangelegd tussen de jaren 1873 en 1876. In 1874 kwamen er ook al dertien jongens om bij een stormvloed. Vier jaar daarna dus nogmaals. De hele dag was het slecht weer geweest en sloeg er zeewater over de dijk. En toen brak ’s nachts de dijk op twee plekken, waardoor in korte tijd de halve polder vol water stond. Boerderijen overstroomden, pannen vlogen van het dak en arbeidershuisjes stortten ineen. Sommige veehouders verloren al hun schapen en varkens in de golven. De verzilting van de grond zorgde de jaren erop voor slechte oogsten. De herstelkosten moesten de inwoners zelf betalen. Maar de noeste Groningers kwamen er weer bovenop. 

Het monument bij het massagraf, te vinden op het kerkhof van Vierhuizen

Ik loop westwaarts het dorpje uit. Ik kom langs een molen en vlak daarachter houdt het dorpje op. Het weggetje verdwijnt door een dijk in de verte. Op die dijk scharrelen kippen en grazen schapen. Ik wandel zo een heel stuk en kijk naar de ondergaande avondzon. Wat is het hier mooi, en stil. Zover ik kan zien vlakke stukken land. Ik moet denken aan een verhaal dat ik heb gelezen. Er wordt wel eens verteld dat Vierhuizen, dat ooit aan de zee lag, een heus zeeroversnest is geweest. Of dit waar is wordt ten zeerste betwijfeld, maar hee, het zou toch wel heel stoer zijn. Ik kijk vanaf de dijk nog eens naar het stille dorpje en kan me er geen zeerovers bij voorstellen. Maar we zullen het nooit zeker weten. En dat is dan ook het mooie van geschiedenis.

De dorpsstraat

Blije schaapjes op de dijk

In de verte is de molen van Vierhuizen te zien

Het pad over de dijk verdwijnt in roze en paarse luchten 

Bronnen
- Buursma, A. Kerkepadwandeling Zoutkamp-Vierhuizen. Masterplan Waddenland, Grafische Industrie de Marne, 2010.
- Westra, E. Vierhuizen van buitenaf gezien. Groningen: Eigen uitgave, 1997.
- Kerk Vierhuizen. Restauratie. http://www.kerkvierhuizen.nl/index.asp
- Marnegebied. Overstroming Westpolder 1877. http://www.marnegebied.nl/overstroming-westpolder-1877-marnegebied.html
- Het hele verhaal lezen zoals dat op Klaas Jans’ grafzerk staat? Zie de gedigitaliseerde versie hier: http://erikdegraaf.blogspot.nl/2012/02/de-eerzame-schaatser.html

woensdag 6 mei 2015

De witte juffers van Groningen

‘‘Dou ik ’n joar of vieftien was, woonde ik veur lutjemaaid op ’n ploats ien Tweihoezen. Doar mòs ik ’s mörns ien duustern altied schoapmelken. Ze harren mie verteld dat doar altied twei widde juffers deur ’t laand laipen van Tweihoezer Weg noar Dekkersweg. Op ’n mörn zag ik ze ook. Ik wer toch zó kel en veurdat ik ter op verdòcht was, zat ik op kop ien sloot. Ik bin der weer oetkomen, mor ’t schoapetouw heb ik ter bie verspeuld. Dou ’t licht wer, ben ik ter weer hèngoan, mor dou was ter niks te zain.’’
- Vertelt in Spijk, rond 1900. Opgeschreven door E.J. Huizenga-Onnekes, bewerkt door J.A. Fijn van Draat. Heksen- en duivelsverhalen in Groningerland, 1992, blz. 198.

Dit is een voorbeeld van één van de vele verhalen over witte juffers die in het Groningerland werden verteld. Er doen de gekste verhalen in de ronde. Witte juffers worden ook wel witte wieven, witte wijven of witte vrouwen genoemd. Het is een mythisch wezen, dat veelvuldig wordt aangetroffen in het volksgeloof. In heel westelijk Europa zijn er vormen van de witte vrouwen te vinden. Niet alleen in de Germaanse gebieden, maar ook in Romaanse en Keltische culturen. Natuurlijk verschillen per regio haar karaktereigenschappen en de verhalen die aan haar verbonden zijn, maar een overeenkomst is er zeker.

Witte vrouwen

Het is moeilijk informatie te vinden over het ontstaan van het volksgeloof omtrent witte vrouwen. In Nederland vindt het zijn oorsprong hoogstwaarschijnlijk in de Germaanse tijd. Witte vrouwen konden de toekomt voorspellen, en genoten daarom een hoge status. Het ‘witte’ is oud-Germaans voor ‘wijze’: het waren dus wijze vrouwen. Uit die wijze vrouwen werden priesteressen gekozen en na het overlijden van deze priesteressen bleef men hen eren bij hun graven. Er werd gelooft dat de priesteressen opstonden uit hun graf en daar ronddoolden, als een soort spoken in witte jurken. Dit waren hun doodskleden (in het Gronings: henneklaid). Maar nogmaals, de verhalen verschillen enorm en zijn slechts speculaties. Niets is zeker want er is helaas erg weinig informatie overgeleverd. Dit komt vooral door de komst van het christendom. Gedurende de kerstening werd de bevolking bang gemaakt voor alles wat pre-christelijk en dus heidens was: duivels, spoken, en noem maar op. Met heidense rituelen werd veelal afgerekend. De geschiedenis van witte vrouwen werd verdraaid en de eens zo aanbeden priesteressen werden nu afgezet als kwaadaardige heksen. In de verhalen die we nu kennen zijn ze dan ook boze figuren die de gewone sterveling verleiden en laten verdwijnen.

In Nederland komende witte vrouwen vooral voor in de oostelijke, nedersaksische provincies (Gelderland, Overijssel en Drenthe). Daar worden ze witte wieven genoemd. Ook in Groningen bestaan er tal van plaatsen waar ze gespot zijn, maar daar heten ze witte juffers. De verhalen zijn vaak jarenlang mond op mond doorgeven, totdat ze werden opgeschreven door o.a. M. Teenstra, E.J. Huizenga-Onnekes en K. ter Laan. Zoals gezegd, de aard van de witte vrouwen verschilt per regio. Alleen al tussen de oost-Nederlandse en Groningse witte vrouwen is een grote verscheidenheid aan karakteristieken te ontdekken. In het oosten van het land en Drenthe wonen zij vooral in hunebedden, moerassen en grafheuvels. Daar ligt ook hun goud verstopt. In Groningen wordt vermeld dat zij zich vooral ophouden bij wierden, kruiswegen, bruggen en kerkhoven.

Witte juffers in Groningen

Want mij vooral opviel is dat de Groningse witte juffers vaak als ‘niet kwaad’ worden bestempeld, wat in tegenstelling is tot vrijwel alle andere verhalen betreffende witte vrouwen. In Groningen doen ze je niets, maar komen ook niet in de buurt. J. Tilbusscher spreekt aan het begin van de twintigste eeuw een oud Hogelandster vrouwtje en zij vertelt hem dat de witte juffers lang geen lelijke dames zijn. En ze zijn ook gek op kerels. In andere verhalen lees ik meer over wat de juffers nou precies doen. Ze komen rond middernacht tevoorschijn, en dan dansen en springen ze wild in het rond. De wat rustigere of oudere juffers wandelen vaak in groepjes dezelfde route. In Woltersum liep er eentje met een mandje appels, samen een ridder zonder hoofd. Andere witte juffers bewaakten een schat in een heuveltje aan de noordoostkant van het Marumer bos. In Garmerwolde stonden ze in het maanlicht ‘bombuizies’ te bakken, met de pan in de hand. Bij Rottum is het helemaal gezellig want daar zaten de juffers samen aan een tafeltje in het gras thee te drinken.

Toch is het niet allemaal picknicken en dansen: er gaan ook verhalen van witte juffers met bebloede zakdoeken en bevlekte gewaden, die ‘het hoar roeg op de kop hebben’. In Zuurdijk spant er eentje de kroon: zij draagt een bebloede zweep in haar rechterhand, en een brandende toorts in de andere. Het zijn slinkse dames. Met dartele pasjes verleiden ze nog wel eens een man (want ja, die trappen daar natuurlijk wel in) en die verdwijnen dan in het niets.

Witte juffers waren veelvoorkomende mythische figuren en werden regelmatig genoemd in spookverhalen. Bijna elk Gronings dorp had wel een vaste witte juffer waarvan men wist dat die er ’s nachts rondspookte. Men was met die verhalen opgegroeid en hechtte er daarom niet veel waarde meer aan. In 1828 vraagt de Commissie voor Onderwijs de hoofdonderwijzer van Zuurdijk of hij enkele in dat dorp heersende bijgelovigheden kan noemen. De onderwijzer antwoord dat er in Zuurdijk geen sporen zijn van spook- of heksengeloof, maar voegt er achteloos aan toe dat er op een heuvel ten noorden van het dorp wel elke nacht twee juffers staan te dansen. Nou, ik zou het wel vreemd vinden als ik in het donker twee in het wit gehulde dames helemaal uit hun plaat zie gaan op een heuvel in the middle of nowhere…

Slechts éénmaal is het gebeurd dat iemand een witte juffer heeft horen spreken, hier in Groningen. Het was een zwoele zomernacht en een man was aan het werk bij het appelhof van een grote boerderij in Westerbroek. Overdag was het namelijk te heet om te werken. Plots zag hij een stoet witte juffers langszweven. Het had een bijzonder sereen, haast magisch schouwspel kunnen zijn, ware het niet dat er één witte juffer op een nogal knullige manier achter de groep aanhobbelde. Ze bleef maar over haar eigen jurk struikelen, een gênant gezicht dat danig afbreuk deed aan het betoverende moment. De man voelde geen angst en liep op de miserabel-uitziende juffer af. Toen hoorde hij haar duidelijk spreken. De man schrok want hij wist dat het heel uniek was om een witte juffer te horen praten. Ze sprak slechts één zin. Ze greep woest naar de onderkant van haar jurk en krijste: ‘‘Mien henneklaid is mie te laank!’’ Ja, deze juffer sprak in het Gronings. De man stond versteld en wist niets te zeggen. De volgende nacht was het weer raak. De juffer kwam weer als laatste en luid tierend langs gestruikeld. De man pakte een grote schaar en knipte uit medelijden een stuk van haar jurk af. Ze wierp hem een stralende glimlach toe en zwierde toen met haar mede-juffers uit het zicht. De man werd er de rest van zijn leven voor beloond met geluk, rijkdom en vrede.

Vandaag de dag worden de witte juffers niet veel meer gespot. De verhalen verdwijnen langzaamaan uit de dorpsmond, en als het niet voor het uitstekende werk van enkele folkloristen was geweest, dan waren we ze nu kwijt. Maar de verhalen zijn verzameld in enkele boeken en gewoon door te bladeren als je iets te lachen wilt hebben, of als je wilt weten of jouw dorp ook een witte juffer had die de boel op stelten zette. En als je de dames echt zelf wil zien, dan moet je een keer in de nacht of in de vroege ochtend richting een wierde of kerkhof lopen als het mistig is. Als de mist laag over de grond hangt, dan kun je ze in de verte zien. De mistflarden lijken te dansen. Ik ben gewend dat deze mysterieuze mistbanken ‘witte wieven’ heten; maar vanaf nu zal ik ze ‘witte juffers’ noemen. Ken je ze ook?

Bronnen
Boekholt, P. Th.F. M., en J. Kooi (red). Spiegel van Groningen: over de schoolmeesterrapporten van 1828. Assen: Van Gorcum & Comp, 1996.
Huizenga-Onnekes, E.J. (J.A. Fijn van Draat). Heksen- en duivelsverhalen in het Groningerland. Winschoten: J.D. van der Veen N.V., 1992.
Laan, K., ter. Groninger volksleven: verhalende folklore. Groningen: P. Noordhoff N.V., 1959.
Schreiber, F. Groninger Almanak. Ede: Verba, 2008.

zondag 26 april 2015

Een gedichtje over Lagemeeden

Vorige maand fietste ik op een grijze ochtend naar het gehucht Lagemeeden, en schreef hierover een gedichtje.





Het is stil en koud
een kille dag in maart
Ik fiets door de buitenwijken van de stad
hopend dat de lucht nog opklaart.

De huizen maken plaats voor weilanden
langs het water grijze fabrieken
Dit is het Hoogkerk van de Suikerunie
grotesk, puffend, lawaaierig, nieuwe technieken.

Ik laat de stad eindelijk achter me
en kom terecht in een gehuchtje langs het Hoendiep
Het heet hier ‘de Poffert’
ik moet er nog om lachen nu ik het typ.

Hier moet ik volgens Google Maps ergens rechtsaf
ik kan het eerst niet eens vinden en dat is geen wonder
Het blijkt een smal en slingerend zandpaadje
in de verte een molen, een treinspoor, het is hier heel bijzonder.

Fiets, fiets, fiets
heelhuids kom ik aan in het streekje Lagemeeden
Het is een doodlopende weggetje met wat boerderijen
maar heeft een rijk verleden.

Hier in the middle of nowhere
heeft 500 jaar lang een kapelletje gestaan
In de veertiende eeuw gebouwd door de Aduarder monniken
na de reformatie gebruikt als kerk, maar uiteindelijk verloren gegaan.

Het was een krachtig plekje
want hier vereerde men een relikwie van st. Margiet
Geschonken door de stichter van de kapel, abt Fredericus
helaas overleefde de relikwie de reformatie niet.

In de negentiende eeuw moest de kerk wegens bouwvalligheid worden gesloopt
maar de inwoners gingen goed bezig
Een kilometer verderop werd ’ie weer opgebouwd
in Den Horn waren namelijk meer kerkgangers aanwezig.

Niet alles werd met de grond gelijk gemaakt
het oude kerkhof bleef gespaard
Die ligt nu eenzaam op een wierde tussen hoge bomen
verlaten en vergeten, maar gelukkig wel bewaard.

Het ijzeren hekje piept als ik ’m open duw
en langzaam loop ik langs de grafstenen
Oud, verweerd, begroeid, onleesbaar en omgevallen
maar niet verdwenen.

Kinderen, ouders, grootouders, geliefden,
iedereen heeft een plek
En kan in de verte naar de groene velden kijken
aan uitzicht is hier geen gebrek.

Voorjaarsbloemetjes beginnen te bloeien
krokusjes tegen het grijze steen en het groene mos
Ik loop een rondje en stap weer op mijn fiets
op de terugweg blijf ik aan Lagemeeden denken, het laat me niet meer los.



donderdag 23 april 2015

Re-post: 'Inwoner Wittewierum kwam om bij ramp Titanic'

Afgelopen week stond er een artikel van mijn hand in de Eemslander, een huis-aan-huisblad in de regio Appingedam/Delfzijl. Het betreft een aangepaste versie van een in november 2014 geschreven blogpost over Hendrik Bolhuis, een Groninger aan boord van de Titanic. Lees het volledige artikel terug op mijn blog onder 'Fietstochten door de Ommelanden' of lees de krant-versie hieronder. 


Atlantische Oceaan, voorjaar 1912
Hij keek omhoog. De inktzwarte hemel was bezaaid met glinsterende sterren en had een heldere maan. Het zijn dezelfde sterren als die waar hij als klein jongentje naar staarde, toen hij nog in Wittewierum woonde. Zittend in het weiland, achter de boerderij, kon hij urenlang dromerig naar de lucht kijken. Wat was de wereld toch een mysterie. Nu, jaren later, hield hij zich krampachtig vast aan een stuk hout, ergens in het midden van de Atlantische Oceaan. Hij wist dat hij nooit meer naar Groningen terug zou keren. Het laatste gedeelte van het schip ging onder in het ijskoude, onvergefelijke water en hij wist dat hij ieder moment zou volgen. Een vreemd gevoel van rust overviel hem. De sterren en de maan zijn hetzelfde als die in Wittewierum.

Ambitieus was Hendrik Bolhuis altijd geweest. Hij wist al vroeg dat hij andere dingen wilde dan de gemiddelde jongeman uit Wittewierum. Als hij zijn toekomst voorstelde zag hij geen landarbeider, geen echtgenoot, geen vader. Een wereldreiziger, dat zag hij. Hij droomde over verre landen en grote steden. Maar hij was ook een realist: hij zou hard moeten werken om daar te komen. Hendrik werd geboren op tweede kerstdag 1884, in Wittewierum, een klein plaatsje in het noorden van Groningen. Daar hadden zijn ouders een boerenbedrijf. Een aantal jaar later besloten zij het roer om te gooien en verhuisden naar de stad Groningen. In 1900 woonde de familie in de Steentilstraat, waar zij een kruidenierszaak en slijterij begonnen. Hendrik, toen veertien jaar, woonde tegen die tijd echter al niet meer thuis. Hij werkte bij bakker Wiardi in de Oude Ebbingestraat, en was daar ook op kamers. In 1904 vertrekt hij naar Utrecht, en de volgende zes jaar werkt hij als kok in onder meer Parijs en Monte Carlo. Toen hij in 1910 terugkeerde naar Groningen, waren beide ouders overleden. Er was, afgezien zijn broer Klaas, niets meer wat hem daar hield. Hendrik besloot nu echt de wijde wereld in te trekken en het avontuur aan te gaan.

Via Monte Carlo komt hij in de nazomer van 1911 te werk als kok op de RMS Olympic. Hendrik verdiende prima, waardoor hij regelmatig naar Groningen kon reizen om zijn broer te bezoeken. In maart 1912 staat hij op het punt om naar Klaas te gaan, als hij wordt geronseld door de Italiaanse cateraar Luigi Gatti. Gatti is bezig een keukenbrigade van de RMS Titanic samen te stellen en stelt Hendrik aan als larder chef, wat op zich niet echt een hoge functie is. Toch hoefde Hendrik hier niet lang over na te denken. Werken op het grootste, meest luxe stoomschip ooit – en onzinkbaar ook nog. Dit was waarvan hij altijd al had gedroomd. Hij ging naar New York! 

Zijn familie wist van niets. In Southampton gaf hij zijn koffer in bewaring. In die koffer zaten onder andere brieven van dames uit heel Europa. Hij stond ook wel bekend als ‘Mooie Hennie’ en de vrouwelijke aandacht was zeker niet schaars. De Vlaamse Albertine schreef dat ze op het moment zat te wachten waarop ze eindelijk een reactie zou krijgen op al haar brieven. Ze zou nooit meer wat horen.

Op 10 april 1912 vertrekt de Titanic vanuit Southampton. Op de nacht van 14 op 15 april voltrekt zich de ramp waarbij 1522 mensen om het leven komen, waaronder, op drie na, de gehele keukenbrigade. Dit huurpersoneel bestond grotendeels uit Fransen, betaald door de Italiaan Gatti. Er werd op hen neergekeken, en ze werden door de Britten niet toegelaten op het sloependek. Er gaan verhalen dat de bakkers gewoon doorgingen met brood bakken, om mee te geven aan de vrouwen die in de reddingboten werden gezet. Zij wisten toch al dat hun treurige lot bezegeld was.

Er waren drie Nederlanders aan boord, en alle drie overleefden ze het niet. Als het lichaam van Mooie Hennie al is teruggevonden, is het in ieder geval nooit geïdentificeerd. Klaas, Hendrik’s broer, kwam pas eind juli achter de reden waarom zijn broer nooit op bezoek was geweest, zoals hij had beloofd. Toen pas kwam er een overlijdensadvertentie in de krant te staan. In november ontving hij, als Hendrik’s enige erfgenaam, een Engels spaarboekje met daarop zo’n 260 gulden. Hendrik had aan boord van de Titanic 30 gulden verdiend. Hij werd 27 jaar.

Wittewierum, Nederland, voorjaar 2015 
Ik fiets over een hobbelig weggetje door de weilanden. Er is hier niets meer, afgezien enkele groepjes witbruine koeien. Ik ben er bijna. Over mijn schouder zie ik de lange weg die ik afgelegd heb op zoek naar het geboortehuis van Hendrik Bolhuis. Ik kijk weer voor me. In de verte zie ik de wierde van Wittewierum. Maar daar moet ik niet zijn. Na enig onderzoek heb ik uitgevonden waar precies in Wittewierum Hendrik’s geboortehuis moet hebben gestaan. Hij woonde op een boerderij buiten het dorp, alhoewel dorp sowieso al een groot woord is voor het gehucht Wittewierum. De eenzaam gelegen boerderij waarin Hendrik opgroeide is helaas afgebrand in de jaren 70, en in de jaren erop in verval geraakt. Er rest alleen nog een schuur. Ik wijk af van de weg naar Wittewierum en stuur een zo mogelijk nog kleiner weggetje in. Er doemt bebossing op in de verder lege en uitgestrekte omgeving. Dat is het.

Mijn mond valt open. Ik heb veel vervallen gebouwen gezien, maar dit verdient een heel nieuw woord. Van de boerderij die ooit eens was, staat er inderdaad alleen nog een schuur overeind. Maar ook dat duurt niet lang meer. Het is heel duidelijk wat ooit het erf is geweest: eromheen loopt een recht uitgegraven sloot, als een soort slotgracht. Het erf is nu bijna niet meer te betreden, maar uiterst dicht begroeid. Met moeite kan ik de schuur en een aantal andere stenen overblijfselen ontwaren. Alles is overwoekerd. Ik sta even in tweestrijd. Waag ik me door de begroeiing en ga ik in m’n eentje een vervallen terrein op in the middle of nowhere? Of ben ik verstandig en blijf ik op een afstandje? Ik hoef niet lang na te denken en al snel waag ik me door het hoge, natte gras. Het is al dagen zonnig, maar hier in het donkere bos blijft het vochtig. Binnen de kortste keren zijn mijn schoenen nat, is mijn shirt gescheurd door een bramenstruik en worden mijn benen aangevallen door zowel muggen als brandnetels. Maar dat maakt allemaal niets uit. Het zonnetje probeert door de dichte bladerendeken door te komen, en valt in bundels uiteen op de donkere grond. Het is duidelijk dat hier al jaren niemand is geweest. Dit is ook de dieren in omgeving opgevallen: zo spot ik een konijntje en wordt mijn komst befluit door vele vogels. En dan sta ik oog in oog met een moederhert en haar drie prachtige kindertjes. Moederhert kijkt me bevreemd aan maar rent niet weg. Ik kan zelfs wat bewegen en foto’s maken. Als de hertjes uiteindelijk toch verdwijnen in de hoge begroeiing kan ik niet geloven wat ik net heb gezien. Ik kijk de foto’s terug op het schermpje van mijn camera en als ik weer op kijk, staat het moederhert daar weer. Ze kijkt nog even om de hoek, nieuwsgierig wat ik aan het doen ben. Ik glimlach naar haar. Haar grote, donkerbruine ogen houden me goed in de gaten. Dan draait ze zich om en is ze weg. 

ik weer uit het bos kom, kijk ik omhoog. Het is ’s ochtends, ik kan de maan nog zien. Ik denk aan Hendrik. De sterren en de maan zijn hetzelfde. 
// Sanne Meijer, de Eemslander, 15-04-2015

vrijdag 17 april 2015

Opinie: Goedenavond Appingedam! (en de rest van het Noorden)

Vanaf nu zal ik af en toe ook opiniërende artikelen plaatsen op deze blog, vaak betreffende actualiteiten in/over het Noorden. Vandaag mijn eerste artikel: Goedenavond Appingedam! (en de rest van het Noorden).


In een gesprek bij Pauw op woensdagavond 15 april, over de opvangcentra voor uitgeprocedeerde asielzoekers, deed politiek journalist Ferry Mingelen de volgende uitspraak: ‘‘Je zal altijd zien dat zo'n opvangcentrum dan natuurlijk ergens in Appingedam zit. In zo'n streek waar niemand eigenlijk wil zijn behalve als je asielzoeker bent.’’ Blijkbaar had Mingelen zelf niet door dat hij hiermee een groot aantal mensen flink beledigde. Jeroen Pauw had wel de tegenwoordigheid van geest om zich dit te realiseren en reageerde: ‘‘Goedenavond Appingedam. Daar hoeft Ferry voorlopig niet meer naartoe.’’ Logischerwijs riep dit woeste reacties op. Twitter ontplofte en #appingedam was zelfs een tijdje trending topic in Nederland.

Oké, dit kan een slip of the tongue zijn. Dat gebeurt de besten onder ons wel eens. Zoals dat gaat, kreeg Mingelen de volgende dag de kans zich te revancheren. Helaas voor hem leverde dat een aaneenschakeling van blunders op. In een interview met RTV Noord wordt duidelijk dat Mingelen eigenlijk Ter Apel had bedoeld, maar niet op die naam kwam en simpelweg een andere plaats uit het noorden van Nederland opnoemde. ‘‘In de Randstad kunnen asielzoekers zich iets makkelijker bewegen, of elders opvang vinden. Daarom worden azc’s vaak ver weg geplaatst, zoals in Ter Apel. Dat is het beleid. Dat wilde ik ermee zeggen.’’ Dat Appingedam geen asielzoekerscentrum heeft en ruim een uur rijden van Ter Apel verwijderd ligt, had Mingelen blijkbaar niet over nagedacht. Over één kam scheren gesproken.

Appingedam of Ter Apel daadwerkelijk bezoeken, dat is Mingelen net een stapje te ver. Hoewel hij door zowel PvdA kamerlid Tjeerd van Dekken, burgemeester Pot van Appingedam en burgemeester Kompier van Vlagtwedde is uitgenodigd een kijkje te komen nemen in de door hem aangevallen plaatsen, antwoordt hij tactloos: ‘‘Nou, het is wel ver weg.’’ Een teleurstellend gebrek aan nieuwsgierigheid voor een gelouterd politiek journalist. 

Mingelen doet er nog een (enigszins walgelijk) schepje bovenop door in een radiointerview op NPO1 te stellen dat Appingedam hem juist heel dankbaar zou moeten zijn voor alle gratis publiciteit, want zoveel goede promotie had het stadje nog nooit gehad, volgens hem. Alsof de historische binnenstad van Appingedam, met alle bruggetjes, hangende keukens en middeleeuwse en renaissancistische panden zichzelf niet kan verkopen. Mingelen’s reeks van ongenuanceerde opmerkingen wordt afgesloten met de opmerking dat ‘‘mensen moeten zich niet te snel aangesproken voelen als dat niet de bedoeling is’’ en dat hij de groeten doet aan de inwoners van Appingedam. 

Dit hele gebeuren is slechts een voorbeeld van een veel groter probleem dat zich in Nederland afspeelt: de langzaamaan immer groter wordende kloof tussen ‘het Noorden’ (Groningen, Friesland, Drenthe) en de rest van het land. Onwetendheid is hierbij, mijns insziens, het toverwoord. Mingelen’s gênante versprekingen zijn niets minder dan een reflectie van een denkbeeld dat in de hoofden van veel Nederlanders huist: het Noorden is een haast onontgonnen plek, ver weg, leeg, kil; een buitengebied zonder voorzieningen in haast barre levensomstandigheden. In dit denkkader is de besluitvorming omtrent gaswinning ook te verklaren; er woont toch niemand, waar maken mensen zich druk om? Natuurlijk is niets minder waar, maar hoe de regionale overheden ook proberen, dit bekende plaatje van het Noorden blijft volhardend doorzetten. Ook ik word soms geconfronteerd met bizarre denkbeelden die mensen uit de Randstad hebben over Groningen; de onbekendheid met de regio is schrikbarend. 

Maar dat een weldenkend, onderzoekend persoon – een politiek journalist note bene, niet kritisch genoeg is om zijn stereotype perspectieven op het Noorden te herkennen, biedt een verontrustend toekomstbeeld. Laten we hopen dat deze narrow-minded vooronderstellingen niet hardnekkig door blijven zetten – want dan zal het Noorden steeds verder weg drijven van de rest van Nederland.

zondag 29 maart 2015

''Ons Poaske'': het vieren van Pasen in het Groningerland

Met Pasen vieren christenen de wederopstanding van Jezus. Eigenlijk is dit een christelijke vervanging voor een veel ouder, heidens feest: het voorjaarsfeest ter ere van Ostara, de Germaanse godin van het licht. Dit is nog te zien in de Engelse en de Duitse benaming voor Pasen (respectievelijk ‘Easter’ en ‘Ostern’). Men vierde dat de winter voorbij was. Van dit heidense paasfeest zijn bijvoorbeeld de paasvuren en het eten van eieren overgebleven.

Voorafgaand aan Pasen vindt de ‘de Goede Week’ plaats, met onder meer Palmpasen en Goede Vrijdag. Deze feestdagen werden vroeger in Groningen ook gevierd, al vindt dat nu steeds minder tot niet meer plaats. Elk land, elke regio, elk volk kent zijn eigen tradities en gebruiken wat betreft feestdagen. Dit wordt folklore genoemd: een expressieve vorm van de eigen cultuur. Dit is overal weer anders. Zelfs binnen de provincie Groningen verschillen de volksgebruiken nog weelderig. Toch heb ik geprobeerd overeenkomsten te zoeken om over de Groninger volksgebruiken rondom Pasen te kunnen schrijven. De meeste gebruiken bestaan al niet meer, een aantal nog op enkele plekken, en een handjevol zijn tot op vandaag de dag in gebruik. Laten we afspreken 'onze' tradities in ere te houden!

Paasvuur in Ter Apel, Westerwolde

Palmpasen

Palmpasen (ook wel Palmzondag genoemd) is de zondag voor Pasen. Het is, in de christelijke traditie, de laatste dag van de vastentijd. Op die dag, zo gaat het verhaal, arriveerde Jezus in Jeruzalem en werd hij feestelijk binnengehaald en toegewuifd met palmtakken.

In Groningen liepen kinderen dan met een palmstok. De palmpasenstok bestaat uit twee stokken in de vorm van een kruis en wordt met Palmpasen gemaakt. De componenten van de palmstok hadden allen een symbolische betekenis. Het kruis staat natuurlijk symbool voor het kruis waarop Jezus stierf. Het is versierd met palmtakken, die symbool staan voor de intocht in Jeruzalem. In Groningen zijn dit vaak buxustakken. De krans (soms ook vervangen door een kroon) staat symbool voor het Koninklijke van Jezus. Bovenop de stok zit een haantje van brood, zoals het brood dat Jezus brak en verdeelde bij het laatste avondmaal (Witte Donderdag). Verder wordt de stok versierd met krentjes, eieren en snoepjes.

k Loop mit mien paalmpoaske tak, t is nait swoar, t gait mit gemak,
bovenien vandaig n hoan, loat mie nou mor wieder goan.
Oet zied, oet zied, tou mensen oet zied,
oet zied, oed ziet, roupen ale kiender blied,
zai lopen en zingen en droagen heur tak,
zai lopen en droagen heur kruus met gemak,
zai lopen en zingen en droagen heur tak,
zai lopen en droagen heur kruus met gemak.

Goede Vrijdag

Op Goede Vrijdag herdenken christenen de kruisiging en dood van Jezus. Voor kinderen in de provincie Groningen was het vooral een reden om er een feestelijk dagje van te maken. Zij zongen:

Ons Poaske, ons Poaske en dij komt aan;
Wie hupplen en springen d’r vroolek op aan,
Zet hier ’n stoul, zet doar ’n stoul,
Op ieder stoul ’n kussen,
En is dat kussen nait dik genog, 
Dan bak er ’n pannekouk tusschen;
Och, vrouw, loat ons nait langer stoan,
Wie mouten een deurtje wieder goan.

Vroeger was het voor kinderen in Groningen gebruikelijk om op Goede Vrijdag langs de deuren te gaan. Zij zongen dan bovenstaand versje, en kregen iets te eten. Dit was vaak een pannenkoek of een ei. De kinderen begeleidden zichzelf op de rommelpot, een potje of kommetje bespannen met een varkensblaas, waar zij met een stuk riet overheen bewogen. Het versje kent verschillende varianten, vaak afhankelijk van dorp of regio. Ook is er een gekerstende versie, die gaat over de duivel die verslagen is door de komst van Jezus. Er bestaat zelfs een schunnige variant en die gaat als volgt:

Ons Poaske, ons Poaske, dij komt an,
wie huppen en springen en vrijen der op an,
van vrijen, van vrijen is vrijen genoeg
en zingen de Engelkes smörns zo vroeg.

Op het Hogeland verzamelden de kinderen zich op de ochtend van Goede Vrijdag bij de school van het dorp. Daarna begonnen ze aan hun rondgang langs de deuren. Degene die als eerste aanwezig was, werd het ‘poaskai’ genoemd. Hij mocht voorop lopen. Degene die als laatste op kwam dagen, was ‘aaskejong’ of ‘aaskepoester’. De langslaper kreeg een zak as op zijn rug, waar met groene takken op werd geslagen zodat er aswolken vrijkwamen. Tijdens de optocht zongen de kinderen:

Aaskepoester en Poaskaai bin opstoan,
maggen wel weer noa ber tou goan,
t is mien aai, t blift mien aai,
t is mien golden poaskaai.

Toch was het dragen van deze ‘aaskepuut’ geen straf en werd het zelfs een begeerde rol; want het geld wat tijdens de optocht werd opgehaald, was voor een groot deel bestemd voor de laatkomer. Dit gebruik kent waarschijnlijk een heidense, oud-Germaanse achtergrond: het ‘aaskejong’ of  de ‘aaskepoester’ was een personificatie van de boze wintergeest, die met Pasen verdreven werd.

Maar ook hier zijn vele variaties op. In elk dorp werd de traditie van de langslaper net iets anders gevierd. In Loppersum werd de laatkomer op een plank gezet en door het dorp gedragen, en in Godlinze moest hij geblinddoekt op een zak as slaan die aan een boom hing. In Heveskes, een dorp dat nu al niet meer bestaat (zie mijn blog van 29 december 2014), ging het er nog weer heel anders aan toe. Daar verzamelden de kinderen zich niet bij school, maar bij een witte paal die ergens te midden van een kruispunt stond. Bij aankomst sloegen de kinderen dan met een stok tegen die paal aan en sprongen eromheen. De eerste die aanwezig was heette ook ‘poaskai’, maar het laatste kind dat aankwam werd een ‘stinkai’ genoemd. De groep kinderen ging dan in optocht naar de laatste boerderij van Heveskes, waar ‘poaskai’ een ei van de boerin kreeg. ‘Stinkai’ kreeg een bebroed ei naar zijn of haar hoofd geslingerd. Op de terugweg werd het volgende liedje gezongen:

Tudelomtent, tudelomtent,
Vrouw blieft een poaskecent.
Tudelomtent, tudelomtent,
Vrouw blieft een poaskai.

Het slaan tegen een paal komt waarschijnlijk van het ‘heideslaan’. In de vroege middeleeuwen vernielden christenen, in hun poging de Friezen en de Germanen te bekeren, veel onchristelijke objecten. Een bekend voorbeeld hiervan is Bonifatius, die eigenhandig de (door Germanen aanbeden) Donar-eik omhakte. Hier komt waarschijnlijk het slaan tegen een paal vandaan.

De traditie van de luilak speelde zich in Westerwolde pas met Pinksteren af, met iets meer sadisme. Daar werd de langslaper niet alleen met as bekogeld, maar ook met een bos brandnetels geslagen en werden er brandnetels en ‘honnebloumen’ (paardebloemen) in zijn of haar bed gestopt.

Paasfeest

En dan is het eindelijk Pasen! ’s Ochtends verscheen men bij het ontbijt in nieuwe kleren. Voor meisjes was dit bijvoorbeeld een mooi jurkje, voor jongens waren dit schoenen in plaats van klompen. Dit werd ‘poaskepronk’ genoemd. Vóór Pasen was het namelijk te koud voor deze voorjaarskleding. En hoewel het ook met Pasen nog koud kon zijn, gingen die nieuwe kleren sowieso aan! Ook de ‘poaskepronk’ was dus een soort symbool voor het afscheid nemen van de winter.

Het paasontbijt was heel belangrijk. De mensen aan tafel aten dan héél veel eieren, want die at men eigenlijk alleen met Pasen. Eieren waren in de heidense traditie het zinnebeeld van het nieuwe leven; van vruchtbaarheid. Christenen namen het ei over, omdat ze in de ovale vorm het graf van Jezus zagen, vanwaar hij weer is opgestaan. Hoe dan ook, er kwam een enorme kom met eieren op tafel, waar de mannen van het gezin ieders wel zes van opaten.  Het werd dan haast een wedstrijd wie er het meeste op kon. Niet voor niets komt daar het volgende, prachtige Groningse spreekwoord vandaan: ‘‘Hai het t zo druk as hounder veur Poaske’’ [Hij heeft het zo druk als kippen voor Pasen]. Toch moet het wel gezegd worden dat dit vooral op het platteland plaatsvond, waar mensen zelf kippen hadden. In de Stad was het natuurlijk een ander verhaal. Met name tijdens de crisis was een doosje eieren een bijzonderheid. Men spaarde het hele jaar zegels bij de kruidenier en kreeg er met Pasen dan een doosje eieren voor. 

Eten was, en is nog steeds, belangrijk met Pasen. Hoewel Palmpasen officieel de laatste vastendag is, wordt dit pas echt gevierd met Pasen. Kinderen kregen aan het begin van de vastenperiode hun eigen vastentrommel. Als zij een snoepje kregen, verdween dat in een vastentrommeltje en op zondag mochten ze er dan één uitnemen. De rest moest wachten tot Pasen, na de hoogmis. En wat een feest was het dan, als het trommeltje eindelijk open mocht…

Op Paaszondag kregen de kinderen van het gezin een, vaak door hun moeder gehaakt, netje. Deze was langwerpig met kleine gaatjes en droegen zij om hun nek. Onderin werd een sinaasappel gelegd, een bijzonder stuk fruit in die tijd. De kinderen gingen dan bij hun familie op bezoek en kregen ieders iets lekkers. Er kwamen vooral walnoten en chocolade- en suikereitjes in. 

De walnoten die in het netje zaten, werden ook weer gebruikt bij het noten schieten. Pasen was een tijd waarin veel spelletjes met eieren en noten werden gedaan. Mijn familie speelt bijvoorbeeld nog elk jaar traditiegetrouw een potje noten schieten op Paaszondag. Noten schieten, ook wel riesterken of riegjen genoemd, werd oorspronkelijk gezien als een spel voor volwassenen, maar later nam de jeugd het over. Het wordt vooral nog in de provincie Groningen gespeeld, maar ook in delen van Drenthe en op Terschelling.  
Op een zo vlakke ondergrond wordt een rechte lijn getrokken met een lengte van zo’n drie meter. Dit vond vroeger vaak plaats in de boerenschuur, waarbij soms er een houten plank werd gebruikt als ondergrond. Daarop worden walnoten geplaatst, met een gelijke tussenafstand. Die walnoten worden ingelegd door de deelnemers. Het is de bedoeling de achterste noten, dus die zo ver mogelijk van de werper afliggen, er af te rollen. Dit gebeurt met een glazen kogel. Als een speler inderdaad de achterste noten weet te raken mag hij deze noten oprapen. Als hij noten uit het midden van de rij raakt, zonder ook de achterste te raken, dan moet hij die bijzetten uit zijn voorraad. In de loop van het spel kan de rij noten op de lijn dus steeds korter en langer worden. Degenen die door al zijn noten heen is, is af. Vroeger moest diegene er dan een cent bijleggen. Degene die aan het eind van het potje de meeste noten heeft, is de winnaar. En dat kan er flink fanatiek aan toe gaan… Vandaar het volgende waarschuwende Groningse spreekwoord: ‘‘Je kinnen beder mit neuten schaiten as mit koegels’’ [Je kunt beter met elkaar spelen dan ruzie maken]. 

’s Avonds ging men naar de paasvuren, waarna er geen haast was om naar huis te gaan, want dat zou betekenen dat de mooie Paaszondag ten einde was. Dus zong men het volgende versje:

Op ons Poaske
paast gain hoaske
neuten en aaier
geven genog plezaaier!

Noten schieten! De rij is hier al aanzienlijk korter...

---
Met dank aan dhr. Germs, dhr. Manning, mw. Meijer-Germs, mw. Wagt en mw. Wolters voor het delen van hun herinneringen en verhalen.  

Andere bronnen
Huizinga-Onnekes, E.J. Het menschelijk leven in ’t Groninger land. Assen: van Gorcum & Comp, N.V., 1939.
Ipenburg, P., Groningen: volkskundig leesboek voor lagere scholen. Groningen: P. Noordhoff N.V., 1931.
Schreiber, F. Paasgebruiken in de provincie Groningen en omstreken. Bedum: Profiel, 1990. 

zondag 15 maart 2015

Abt Emo's Groningen

Die ochtend ben ik in Loppersum uit de trein gestapt. Na een kleine tien kilometer fietsen door de weidse weilanden, ben ik bijna in Wittewierum. In de verte tekenen de contouren van een beboste wierde zich af tegen de lage ochtendzon. De heiige lucht zorgt ervoor dat er een mysterieuze sfeer rondom de eenzame wierde hangt. Als ik dichterbij kom zie ik een gracht, een kerktoren, enkele huisjes en een handjevol boerderijen verschijnen. In het dorp Wittewierum wonen ongeveer 60 mensen. Ik zet mijn fiets neer bij één van de hoge, ruisende bomen aan de noordoostelijke kant van de wierde, en loop richting een openstaand smeedijzeren hek. Het is er stil, ik zie of hoor niemand. Voor me zie ik een prachtig kerkje, gelegen op een schitterend, eeuwenoud kerkhof. Het oranje-achtige zonlicht valt door de boomtakken in bundels uiteen op het gras. De grafstenen zijn verzakt, staan schots- en scheef, en zijn versierd met wapens, symbolen en teksten. Ik laat me zakken op het houten picknickbankje dat tussen al deze stille getuigen van de geschiedenis staat. Want geschiedenis heeft Wittewierum wel. Het kleine dorpje kent vele verhalen. Één van die geschiedverhalen is het verhaal van abt Emo, een dertiende-eeuwse geestelijke uit dit gedeelte van Groningen. Vandaag doe ik drie dorpjes in Groningen aan waar Emo zijn voetstappen heeft liggen.

Wittewierum in de verte

Laat ik duidelijk zijn, Emo was een reislustige man en heeft door heel west-Europa voetstappen liggen. Ik schrijf hier echter alleen over drie plaatsjes in Groningen die een rol in Emo’s leven hebben gespeeld: Westeremden, Huizinge en Wittewierum. De geïnteresseerden in ál zijn voetstappen en zijn reis door west-Europa zal ik doorverwijzen naar het prachtige boek Emo’s Reis van D.E.H. de Boer. In dit boek volgt de auteur Emo’s reis naar Rome en reconstrueert op een bijzondere manier het dertiende-eeuwse Europa.  Ook het boek Emo’s Labyrint van Y. Penning is de moeite waard: dit is een historische thriller gebaseerd op Emo’s leven en zijn bijzondere reis.

Terug naar Wittewierum. Ik zit nog steeds op het picknickbankje en staar voor me uit naar de leegte. Het is moeilijk voor te stellen dat hier de eerste Groningse geschiedschrijving vandaan komt. Hier stond namelijk ooit een klooster. Dat klooster heette Bloemhof (Floridus Hortus) en werd aan het begin van de dertiende eeuw gesticht door onze abt Emo. Emo begon destijds ook met het schrijven van een kroniek van de gebeurtenissen in en om het klooster. De gebeurtenissen in de kroniek beginnen in het jaar 1200 en eindigen in 1296. De Kroniek van het klooster Bloemhof te Wittewierum kent in totaal drie auteurs: eerst abt Emo, daarna abt Menko en als laatste een anoniem gebleven abt. Wonder boven wonder heeft deze kroniek de afgelopen acht eeuwen overleefd. Het oudste handschrift is in bezit van de Universiteitsbibliotheek in Groningen. De kroniek is meerdere malen uitgegeven en is gewoon bij de openbare bibliotheek verkrijgbaar. Het vormt een uitmuntende geschiedenisbron en vertelt ons veel over het middeleeuwse Groningen.

Wittewierum

Wittewierum

Ergens onder mijn voeten, in de wierde van Wittewierum, moeten de overblijfselen liggen van abt Emo, de eerste geschiedschrijver van Groningen. Hij werd rond 1170-1175 geboren, ergens in Fivelingo (het noordoostelijke gedeelte van de Ommelanden). Hij stamde uit een hoofdelingengeslacht, een soort Groningse adel. Samen met zijn broer Addo studeerde hij letteren, rechten en theologie in Frankrijk en Engeland. Hij heeft onder meer aan de universiteit van Oxford gestudeerd. Toen ze uiteindelijk terugkeerden in de Ommelanden, vestigden ze zich in het plaatsje Westeremden. Addo werd daar onderwijzer en Emo pastoor.  

Westeremden werd in die tijd ‘Emetha’ genoemd. Dat betekent zoiets als ‘monding van de rivier’. Heel lang geleden stroomde de Fivel daar en was er zelfs een haventje, maar de rivier slibte dicht. In Emo’s tijd werd de haven gedempt. Het woordje ‘wester’ werd ervoor geplakt, om het dorp te onderscheiden van het Oost-Friese Emden (nu in Duitsland). Westeremden is gelegen op een hoge wierde. In de hoofdstraat zijn straatleggers bezig, maar ik mag er met mijn fiets wel langs. De huizen zijn netjes en de straten en tuinen groen. Het is er heerlijk rustig. Tot mijn verbazing kom ik een buurtsuper tegen, maar helaas zijn de medewerkers net begonnen aan hun middagpauze van bijna twee uur. Zo lang kan ik niet wachten. Ik kom bij het kerkje aan, dat aan het Abt Emopad ligt. Ook kwam ik al de Abt Emo-basisschool tegen. De kerk die er nu staat, is niet de kerk waar Emo pastoor was. Dat was hoogstwaarschijnlijk een houten kerkje dat in 1238 in de brand vloog. Daarna is de huidige Andreaskerk gebouwd, in baksteen natuurlijk. Naast de kerk ligt de weem van Westeremden. Een weem was de pastorieboerderij. Het is een prachtig gebouw. Schilder Henk Helmantel besloot het gebouw in de jaren zeventig volledig te restaureren en naar de oude staat terug te brengen. Helmantel woont niet alleen, maar exposeert ook in zijn Weem van Westeremden. Af en toe is het open voor publiek. Vanaf het Abt Emopad gluur ik naar het huis en de tuin, die er beide schitterend bijliggen. Binnenkort ga ik er eens een bezoekje aan brengen, neem ik me voor.

De Weem van Westeremden 

Emo bleef niet lang in Westeremden. Hij vertrok om pastoor te worden in het nabijgelegen Huizinge. Huizinge is één van mijn favoriete dorpjes in de Ommelanden. Ik fiets via een lang pad naar het dorpje, en werd op slag verliefd. Er staan slechts een paar huizen, maar ze zijn erg bijzonder. Ze kleuren van wit naar lichtblauw naar terracotta. De bloemen groeien weelderig, alles is groen. Een oud schooltje doet nu dienst als dorpshuis. Ook is er een soort complex te zien van vier diaconiewoningen, die begin negentiende eeuw gebouwd werden voor weeskinderen en minder gefortuneerde weduwes. Maar het allermooiste is de kerk. Als ik via het weggetje aan kom lopen is er even sprake van gezichtsbedrog: het kerkje lijkt een rond kappelletje te zijn. Dat lijkt zo vanwege de ronde achterkant. De lage, rechthoekige toren staat aan de andere kant. De buitenkant is prachtig versierd, maar ook het interieur is niet mis. Zo is er een vijftiende eeuwse gewelfschildering bewaard gebleven, waar het laatste oordeel wordt afgebeeld. Jezus beslist of mensen naar de hemel of naar de hel gaan. De hel is als de muil van een monster weergegeven. Maria is ook geschilderd, in de vorm van een eenhoorn. Het is zonder meer één van de mooiste romanogotische kerkjes in Groningen. Het gebouw kijkt uit over een grasvlakte, en in de verte zie ik Middelstum. Al dit moois was er nog niet toen Emo hier werkte. Toen stond er nog een houten kerkje. Toch is het huidige gebouw ook al erg oud: het is gebouwd rond 1250. Ik kan iedereen eens aanraden een bezoekje te brengen aan Huizinge. Maar doe het snel, nu het nog is zoals het is. De gebouwen van Huizinge worden bedreigd door de aardbevingen die veroorzaakt worden door de gaswinning. Huizinge vormde het epicentrum voor de zwaarst gemeten aardbeving in Groningen tot nu toe. In 2012 trilde de grond onder Huizinge met een kracht van 3.6 op de schaal van Richter. 

Huizinge

Huizinge

Emo was niet gelukkig in Huizinge. Hij had veel geleerd bij al die prestigieuze universiteiten, maar daar had hij weinig aan als dorpspastoor. Samen met zijn vriend Hendrik, een kerkenbouwer, droomde hij van een eigen klooster. In 1209 bood zich die mogelijkheid aan. Emo had een rijke neef, die ook Emo heette. Emo van Romerswerf, om precies te zijn. Emo van Romerswerf wilde een klooster op zijn land zetten. Hij woonde in de buurt van Krewerd en was een bijzonder moeilijke man, waardoor Hendrik afhaakte. Maar ‘onze’ Emo, zette door. Hij reisde af naar Prémontré, want hij wilde zijn klooster aansluiten bij de Premonstratenzers. De Franse abt zegde toe om als patronaat op te treden. Emo van Romerswerf, de rijke maar soms vervelende neef, was inmiddels overleden. Emo had nu zelf een klooster. 
Het klooster heette het ‘Nijenklooster bij den Damme’. In 1211 schonken de kerkgangers in Wierum (wat nu Wittewierum is) hun houten kerkje aan het klooster. Daar vestigden zich de monniken van Nijenklooster. De nonnen bleven achter. Mannen en vrouwen mochten namelijk niet in één klooster wonen. Dat mannenklooster in Wierum noemde Emo ‘Bloemhof’. De monniken droegen witte pijen, en de naam van het dorpje veranderde daarom in Wittewierum. 

Niet iedereen was blij met de schenking van de kerk van Wierum aan het klooster. De zoon van ene Ernestus Gerlenga was er pastoor, en Ernestus was bang dat zijn zoon zijn baan kwijt zou raken. Hij stapte naar de bisschop van Münster, die de schenking ongedaan wou maken. Abt Emo was diep getroffen door zoveel onrechtvaardigheid van Ernestus en de bisschop. Hij besloot naar Rome te gaan, naar de paus, om daar zijn gelijk te krijgen. Hij reisde te voet, in de winter. Dat was op z’n zachtst gezegd uiterst merkwaardig. Zo’n reis was namelijk niet geheel zonder gevaren; zo moest hij de zware Alpenpas Mont Cenis over, en waren er overal rovende bendes actief. Ik zal er niet verder op ingaan, maar de reis verliep dan ook niet van een leien dakje. Toch kwam Emo in juli 1212 weer aan in Wittewierum, met een brief van paus Innocentius III die hem in het gelijk stelde.  

Helaas miste de brief de overredingskracht om Ernestus, de bisschop en andere tegenstanders er van te overtuigen dan de kerk Emo toebehoort. De kerkpatronen onderhandelen hevig wat te doen. Als de kerk naar het klooster gaat, raakt Ernestus’ zoon zijn baan kwijt. Dus wat gebeurde er? Ernestus’ zoon kreeg een schadevergoeding; een middeleeuwse versie van een werkloosheidsuitkering. Emo is hier niet blij mee. Dit lijkt op simonie: de verkoop van geestelijke ambten. Ondanks zijn bezwaren gaat de deal door en Emo is gedwongen er mee in te stemmen.  

Maar Emo’s geweten bleef de rest van zijn leven aan hem knagen. Simonie… In zijn kroniek probeert hij het goed te praten door te verwijzen naar allerlei uitspraken van andere kerkvaders over dit onderwerp. Maar Emo geloofde dat God alles zag en dat God hem zou straffen. In januari 1219 overstroomden grote delen van Noord-Nederland door de Marcellusvloed, een stormvloed die ruim 35.000 doden ten gevolge had. Emo was ervan overtuigd dat deze ramp zijn schuld was. Hij had de toorn Gods op zich afgeroepen. 


In 1237 overleed hij. Emo wou graag begraven worden in zijn klooster Bloemhof, maar hij wist niet of dat wel zou gebeuren, omdat hij dacht een zondaar te zijn. Maar zijn God was barmhartiger dan hij dacht. Hij werd begraven in de kapittelzaal. 

Onder de volgende kroniek-schrijver, abt Menko, bloeide het klooster op. Bloemhof was, op het St. Bernardusklooster te Aduard na, het grootste in de Ommelanden. Tijdens de Gelderse Oorlogen, aan het begin van de zestiende eeuw, raakte het klooster in verval. In 1514 werd het zelfs in de brand gestoken door een boosaardige hertog. In de jaren erna woonden er nog maar enkele monniken en kwijnde het klooster steeds meer weg. In 1566 werden de restanten ook nog eens in de hens gezet tijdens de Beeldenstorm. Uiteindelijk werd het klooster afgebroken, de stenen verkocht en de gronden verhuurd. Het koorgestoelde en enkele beelden werden naar de Martinikerk in de Stad verplaatst. Er kwam een protestantse kerk voor in de plaats. Die raakte ook weer in verval, en in 1863 verrees de huidige kerk van Wittewierum.

Huidige kerkje van Wittewierum.

Zijn klooster is er misschien niet meer, maar Emo’s ziel waart nog altijd rond in Wittewierum. Tussen die oude grafstenen van lang vergeten mensen, rond het kleine kerkje, en tussen de bomen. Over de plek waar ooit zijn levenswerk stond. En hij fluistert: verloochen nooit uw principes.

Een bankje kijkt uit over de wierde van Wittewierum, waar ooit de kloostergebouwen stonden.


Bronnen
Boer, D., de. Emo’s reis: een historische culturele ontdekkingstocht door Europa in 1212. Leeuwarden: De Friese Pers Boekerij, 2011.
Deijk, A, van. In de voetsporen van Emo en Menko. Bedum: Profiel, 1993.
Penning, Y. De enerverende afloop van Emo’s kloosterstichting. Eerste Abt Emo Lezing, 6 juli 2012.
Steenhuis, A. Stenen en stemmen van Wittewierum. Groningen: SOGK, 2006.

Venekamp, J.H. ‘‘Wittewierum.’’ Schoolmeesterrapport, 1828. Groninger Archieven. http://www.groningerarchieven.nl/bronbewerkingen/schoolmeesterrapporten/w/wittewierum.