vrijdag 12 juni 2015

Grafpoëzie in Noorddijk

Aan de oostelijke rand van de Stad, tegen de wijk Lewenborg aangegroeid, ligt het dorpje Noorddijk. Noorddijk bestaat eigenlijk uit maar één weg, de Noorddijkerweg, dat als een soort abrupte begrenzing tussen Stad en Ommeland dient. Aan de westelijke kant van de weg ligt Lewenborg, aan de oostelijke kant liggen weilanden. Hier houdt de Stad op. Het is een beetje een vreemde plek; het ene moment rijd ik over een fietspad door een nieuwbouwwijk vol rijtjeshuizen en grijze flats, het volgende moment fiets ik over een weg langs boerderijtjes en landerijen. Noorddijk is een fijne bestemming voor een klein fietstochtje vanuit de Stad; zo’n fietstochtje waarvan je een uur geleden nog niet wist dat je ’m ging maken, maar die perfect is als je er toch spontaan nog even uit wilt. In mijn geval zorgt een stralend voorjaarszonnetje ervoor dat ik op een middag in april besluit nog even een ommetje te fietsen.

Mooie fietspaden vlakbij de stad

In Noorddijk ben ik nog nooit geweest. Mijn fiets parkeer ik in een rek op een parkeerplaats die naast de begraafplaats ligt. Aan de overkant van de straat staat een prachtig gelegen kerk met een verrassend hoge toren. De kerk, waarvan het oudste gedeelte uit de dertiende eeuw stamt, is gewijd aan de heilige Stefanus en bezit kunstige gebrandschilderde ramen en een bijzonder neoklassiek kansel. De kerktoren trekt echter de meeste aandacht naar zich toe. Die is bijna twintig meter hoog en heeft een adelaar als windvaan. Boven de deur is een gedenksteen te zien die herinnert aan de bouw van de toren; in 1648 blijkt de eerste steen te zijn gelegd door ene Anna Maria Ulgers. Bij de inwijding van de klokken in 1660 dronken, naar verluidt, de klokkenluiders vier halve tonnen bier ter waarde van zestien gulden en tien stuivers – een fortuin in die tijd.

De kerk van Noorddijk

Maar ik ben niet naar Noorddijk gekomen voor de majestueuze kerktoren of vanwege de alcoholische uitspattingen van voormalige klokkenluiders. Ik ben op zoek naar grafzerken met bijzondere teksten; ook wel grafdichten genoemd. Grafpoëzie is namelijk iets typisch Gronings. Het komt ook wel voor in andere provincies, maar lang niet zo talrijk als in Groningen. Deze overvloed aan Groningse grafpoëzie werd vooral gemaakt in de periode van de zeventiende eeuw tot de eerste helft van de twintigste eeuw. Grafdichten werden vaak in mooie krulletters geschreven en variëren in grootte; soms zijn het vier zinnetjes, soms zijn het hele epistels. De gedichtjes zijn met name bedoeld als troost; om het verdriet van de nabestaanden te vervangen door iets hoopvols. 

Ik heb gelezen dat er hier in Noorddijk enkele mooie voorbeelden zijn te vinden van zulke grafdichten. Als ik het oude kerkhof oploop merk ik gelijk dat de grafzerken netjes onderhouden zijn, en de gedichtjes dus gelukkig goed te lezen. Langzaam loop ik van steen tot steen, lezend wat ze te vertellen hebben. Sommige dichten zijn een lofzang op de overledene, terwijl andere stenen me vermanend toe lijken te spreken. Ook zijn er teksten die blijk geven van liefde, en van intens verdriet. Maar overal is er hoop. Bij die hoop speelt God over het algemeen een grote rol. Bij het merendeel van de grafdichtjes komt heel duidelijk het vertrouwen naar voren dat de overledene tot God geroepen is en nu op een mooiere plek is, ergens daarboven. 

Grafdicht in Noorddijk

Grafpoëzie in Noorddijk

Hieronder een voorbeeld van een religieus gedichtje dat ik tegenkom:

’t Gelove aanbid Gods daden
Schenkt hope en troost in ’t hart
Zoo blijft al gingt ge henen 
De liefde ons verenen
Dit lenigt onze smart

Of wat te denken van deze tekst op de grafzerk van een vrome kerkganger:

Hier in dit sombre graf
Rust overschot van hem
Die ons veel hulpe gaf 
Thans mist ons zijne stem
De levensdraad door God bepaald
Werd hem reeds afgesneden
Zijn ziel verrees en ’t ligchaam daalt
In ’t stof hier naar beneden

En hier, een vermanend berichtje om de lezer eraan te herinneren dat het leven eindig is, en het dus zomaar gedaan kan zijn met de pret:

Ons leven is soms kort van duur
De dood kan komen ieder uur
O! mochten wij dan zijn bereid
Voor eindeloze Eeuwigheid

Hieronder een voorbeeld van een lofzang, op de vrouw en moeder des huizes:

Voor naarstigheid en vlijt 
Is deze steen gewijdt
Reeds naarstig in haar jeugd
Verrigt ze haar taak met vreugd
Was vlijtig, vroeg en spa
Tot heil van kroost en ga
Voleindt was nu haar baan
Haar taak was afgedaan
Maar leeft door ’t nageslacht
Word thans aan haar herdacht

En deze is ook erg mooi:

Wat ook op aard moog heengaan of verderven
De liefde die de harten saamverbindt
Is eeuwig als God zelf, zij kan niet sterven
Maar hoopt dat ze eens de dierbren wedervindt

En dan lees ik tot slot opeens een gedichtje dat tegen alle percepties van de dood ingaat die ik tot nu toe in Noorddijk heb gezien, en waar maar weinig hoop uitspreekt:

Vrienden stapt gerust aan wal
Hier is ’t eind van uw gevaren
Niet het overgindsche dal
Zal ons rust noch kommer baren
Geen Mozes of een Jezus leer,
Moet noch u d’oogen blinden
Geen geloof; maar weten meer
Moet het maar zijn, mijn vrinden
Zoo ben ik heengegaan
Op wetenschap vertrouwen
Niet om weder optestaan
Daarop vergeefsch zij bouwen
Want de mensch is geheel
Stof

Ik loop nog een rondje over het kerkhof en staar in de verte. Voor mij strekken vlakke weilanden zich uit. Het is een typische voorjaarsdag; de blauwe lucht is oneindig en het zonnetje straalt. Het wordt overal weer groen. Er zit heerlijk geurende bloesem aan de bomen. Een groep zoemende bijtjes zwermt vrolijk om de kleine bloemetjes. Overal zie ik lammetjes, bruine en witte schatjes, waarvan sommige nog wat trillerig op hun pootjes staan en anderen al blij rondhuppelen. En dan bedenk ik me: er is inderdaad hoop. Want zolang de kille winter plaats kan maken voor het zachte voorjaar, is er hoop op nieuw leven. En zolang de lichte dagen de donkere kunnen vervangen, is er hoop dat alles wel weer goed komt.

Noorddijk

Noorddijk

Bronnen
- Plas, H. en W. Plas. Religieus Erfgoed in Groningen: oude kerken in de Ommelanden. Bedum: Profiel, 2008.
- NPO Spirit. Tot de dood ons schrijft. 16-04-2015. http://www.spirit24.nl/
- Stichting Dodenakkers. Grafpoëzie te Noorddijk. http://www.dodenakkers.nl/grafpoezie/kerkhoven-en-begraafplaatsen/55-noorddijk.html. 

zaterdag 30 mei 2015

Belofte maakt schuld: een eeuwenoud verhaaltje uit Krewerd

In het plaatsje Krewerd stond ooit een prachtig huis. In de tweede helft van de dertiende eeuw woonde hier de rijke Tyadeke met haar zoon Menco. Ze waren met zijn tweeën omdat Menco’s vader was overleden na een mislukt rondje paardrijden. Op een dag werd zoon Menco plotseling erg ziek. Zijn moeder bad voor zijn genezing. Het zag er niet goed uit. Maar Tyadeke bad en bad en bad en beloofde heilig dat als Menco nog zou genezen, zij een kapel zou laten bouwen in Krewerd. Die was er namelijk nog niet. Ja, knikte ze, ze zou een kapel stichten op eigen grond, van haar eigen geld. En ze zou ook nog het jaarsalaris voor de priester betalen. En wonder boven wonder, Menco knapte op en herstelde volledig. Hij was weer gezond.

Maar de kapel werd niet gebouwd. Tyadeke ‘vergat’ haar belofte, of schoof haar plichten steeds verder voor zich uit. Ze had zichzelf inmiddels een ander, ietwat dringender doel gesteld: om Menco aan de vrouw krijgen. Hij was al bijna dood geweest, vrouw- en kinderloos, dus om dit de volgende keer te voorkomen was het hoog tijd voor huwelijk en kinderen. Mind you, Menco was toen waarschijnlijk nog maar in zijn vroege tienerjaren. Dat deed er niet toe bij Tyadeke. Ze had de desbetreffende vrouw al op het oog: de jonge, edele Tete. 


Bloesem in Krewerd, een klein en achteraf-gelegen dorpje in het noordoosten van Groningen, enkel te bereiken door twee kleine slingerweggetjes.

Tete woonde met haar moeder in Loppersum. Zij was een mooie en slimme dame van goede afkomst. Ook Tete was ziek geweest. Haar vader Geiko was deken en had de heilige belofte gedaan dat als Tete zou genezen, zij in het klooster zou gaan. Toen Tete genas ging Geiko ging dood. Geiko’s weduwe, en dus Tete’s moeder, Thialdis, had er geen zin in om haar jonge dochter naar het klooster te sturen. Ook deze belofte werd dus niet nagekomen, net als de kapel in Krewerd. 

Tot geluk van beide moeders, die, laten we eerlijk zijn, beide wel een beetje als boosaardige en bemoeizuchtige tuthola’s overkomen, werden Menco en Tete echt verliefd. Al snel was Tete zwanger. Maar het noodlot sloeg toe. Menco werd weer ziek en stierf dit keer. Hun kindje werd te vroeg geboren en stierf ook. Tete keerde intens verdrietig terug naar het huis van haar moeder. Ze stierf van verdriet, maar niet voordat zij op haar sterfbed haar vader’s erfenis schonk aan klooster Bloemhof (inderdaad, dat klooster van abt Emo). 


Een mereltje in Krewerd

Tyadeke en Thialdis stonden na deze tragedie als kemphanen tegenover elkaar. Thialdis was boos op klooster Bloemhof en claimde dat de erfenis nu aan haar toeviel. Ook meende ze aanspraak te maken op de erfenis van Menco. Er brak een heftig conflict uit over de erfrechten. De twee vrouwen waren zó vijandig dat hun leven werd beheerst door haat. Hierdoor kwam Tyadeke tot inkeer en besloot alsnog de kapel te bouwen. Precies zoals ze al die jaren geleden had beloofd: op haar eigen grond, van haar eigen geld. Op deze wijze lostte ze haar oude gelofte in en kon ook zij zonder gewetensbezwaren sterven. God had haar vergeven.  

Is dit verhaal nou een boel lariekoek? Aan de ene kant, natuurlijk is dit een eeuwenoud verhaal, en de feitelijke waarheid is dan altijd iets waar over getwijfeld kan worden. Aan de andere kant, het staat te lezen in het Kroniek van Klooster Bloemhof, en is wel rond dezelfde tijd opgeschreven. Het doel van de tekst is wel heel duidelijk: God laat niet met zich spotten en zorgt ervoor dat gedane beloftes gehouden dienen te worden. Belofte maakt schuld.


De kerk van Krewerd, gesticht door Tyadeke. Een groot gebouw voor een dorpje met een kleine 100 inwoners.

Bronnen
- Kroniek van het Klooster Bloemhof. ‘‘Over de kapel van Krewerd en hoe zij werd gesticht.’’ https://books.google.nl/books?id=rx6P48yex4oC&printsec=frontcover&dq=kroniek+klooster+bloemhof&hl=en&sa=X&ei=m1JBVbTgDI7tO7WigaAE&ved=0CCQQ6AEwAA#v=onepage&q=kroniek%20klooster%20bloemhof&f=false 
- Sillius. ‘‘Grunneger Bladzieden.’’ http://www.sillius.nl/groningana/
- Stichting Dorpsbelangen ‘de Drie Maren’. ‘‘De Mariakerk in Krewerd.’’ http://www.holwierde.net/geschiedenis/de-mariakerk-in-krewerd-een-ommelander-kleinood/
- Stichting Oude Groninger Kerken. ‘‘Krewerd: Kerk Krewerd.’’ https://www.groningerkerken.nl/kerken/print_kerk.php?id=16

zondag 17 mei 2015

Een avond in Vierhuizen

Op een schemerige zomeravond bevind ik me op een smal kerkepad tussen Zoutkamp en Vierhuizen, de horizon afspeurend naar een spook in de vorm van een ruiter met zwaard. Ik heb jammer genoeg geen geluk, de ruiter laat zich niet zien. De kans was ook klein, want volgens de overlevering rijdt de ruiter hier vaak alleen op Oudejaarsavond. Maar ja, het was het proberen waard natuurlijk.

Dit kerkepad tussen Zoutkamp en Vierhuizen bestaat al heel lang. Zoutkamp kreeg pas in 1836 een kerk, dus tot die tijd moesten de gelovige Zoutkampers naar de kerk in Vierhuizen. Zij begaven zich richting hun godshuis via een smal paadje dat door de landerijen liep. Dat paadje ligt er nu nog steeds, en gaat zelfs dwars over een boerenerf. Op die desbetreffende op-zoek-naar-de-ruiter-avond fiets ik over het kerkepaadje en twijfel ik even of ik wel goed zit; ik kan toch niet zomaar over die boer z’n erf peddelen? Maar blijkbaar is dit geen probleem. Het paadje voert me langs twee grote boerderijen, Panser en Beusum, die er vele eeuwen terug ook al stonden. Toen waren het hoogstwaarschijnlijk  borgen. Zoals alle borgen in het Groningerland kenden ook deze twee excentrieke eigenaren. Het waren bekende achternamen uit de Groninger geschiedenis; ik kom de van Lewe’s tegen, en ook de van Ewsum’s, en de familie Coenders. En de prijs voor de mooiste achternaam gaat naar de van In- en Kniphuisen’s van Asinga.

Vierhuizen

Vierhuizen is een klein, verstild dorpje temidden van weilanden. Je zou haast niet merken dat het er ligt; auto’s razen er snel aan langs op weg naar Zoutkamp of Lauwersoog. Er is één weg waarmee je aan de ene kant het dorp inkomt en aan de andere kant er weer uitgaat, met wat doodlopende zijweggetjes. Afgezien het kerkepad natuurlijk, maar dat is alleen voor wandelaars of fietsers begaanbaar (alhoewel, als je geen talent hebt voor recht sturen dan streep ‘fietsers’ maar weg, het paadje is écht heel smal en ik vreesde bij het bruggetje even voor mijn droge kleren). Midden in het dorp staat de kerk, met ernaast een prachtige pastorie dat nu een fantastische B&B is, genaamd d’Olle Pastorie. Tegenover de pastorie verkoopt een mevrouw handgemaakte schaapjes met écht wol van de schapen van haar zoon. Er zijn bruine en witte en grote en kleine. Het zijn passende souvenirs voor een dorpje dat omringt is met schapen en daarom gaan er natuurlijk drie mee naar huis. 

B&B en Sauna: D'Olle Pastorie

De handgemaakte schaapjes

Onderaan de regenboog is in Vierhuizen geen pot met goud te vinden, maar wel een hoop schapen

De kerk van Vierhuizen is een beetje een celebrity. Het is in bezit van Stichting Oude Groninger Kerken en deed in 2006 mee aan het AVRO-programma ‘De Restauratie’, dat gesponsord werd door de BankGiro Loterij. Het kerkgebouw verkeerde destijds in werkelijk deplorabele staat. De kerk van Vierhuizen werd uit de genomineerde restauratieprojecten gekozen en kreeg 900.000 euro om de boel op te knappen. Nu is ’ie netjes wit gepleisterd en kijkt stralend uit over het omliggende dorp. Het kerkhof is minstens zo interessant. Zo spot ik een nog erg gaaf uitziende grafzerk met het jaartal 1696 erop, en grafzerken met de meest indrukwekkende wapens. Ook is er een grafzerk volledig bedekt met tekst. De overledene vertelt op die zerk het verhaal hoe hij aan zijn eigenaardige dood is gekomen. Dat is wel een beetje een vreemde gewaarwording, want de in 1787 overleden man lijkt je zodoende direct toe te spreken vanuit het graf. Klaas Jans had al jaren last van een liesbreuk en besloot op een februaridag over het Reitdiep richting Groningen te schaatsen om naar de breukenmeester te gaan. Die kon hem niet helpen en toen moest hij weer terug, door de kou. Eenmaal thuis aangekomen – afgepeigerd door de pijn en door de barre weersomstandigheden – stierf hij.

De kerk van Vierhuizen

Verderop op het kerkhof staat een monumentje ter nagedachtenis aan de dertien doden die in Vierhuizen zijn gevallen tijdens de overstroming van de Westpolder in 1877. Zij liggen in een gezamenlijk graf ergens onder de grond. Er kwam ook een veertienjarig meisje om, zij was uit te logeren in Vierhuizen en ligt begraven in Houwerzijl. De Westpolder ligt ten noordwesten van Vierhuizen en werd aangelegd tussen de jaren 1873 en 1876. In 1874 kwamen er ook al dertien jongens om bij een stormvloed. Vier jaar daarna dus nogmaals. De hele dag was het slecht weer geweest en sloeg er zeewater over de dijk. En toen brak ’s nachts de dijk op twee plekken, waardoor in korte tijd de halve polder vol water stond. Boerderijen overstroomden, pannen vlogen van het dak en arbeidershuisjes stortten ineen. Sommige veehouders verloren al hun schapen en varkens in de golven. De verzilting van de grond zorgde de jaren erop voor slechte oogsten. De herstelkosten moesten de inwoners zelf betalen. Maar de noeste Groningers kwamen er weer bovenop. 

Het monument bij het massagraf, te vinden op het kerkhof van Vierhuizen

Ik loop westwaarts het dorpje uit. Ik kom langs een molen en vlak daarachter houdt het dorpje op. Het weggetje verdwijnt door een dijk in de verte. Op die dijk scharrelen kippen en grazen schapen. Ik wandel zo een heel stuk en kijk naar de ondergaande avondzon. Wat is het hier mooi, en stil. Zover ik kan zien vlakke stukken land. Ik moet denken aan een verhaal dat ik heb gelezen. Er wordt wel eens verteld dat Vierhuizen, dat ooit aan de zee lag, een heus zeeroversnest is geweest. Of dit waar is wordt ten zeerste betwijfeld, maar hee, het zou toch wel heel stoer zijn. Ik kijk vanaf de dijk nog eens naar het stille dorpje en kan me er geen zeerovers bij voorstellen. Maar we zullen het nooit zeker weten. En dat is dan ook het mooie van geschiedenis.

De dorpsstraat

Blije schaapjes op de dijk

In de verte is de molen van Vierhuizen te zien

Het pad over de dijk verdwijnt in roze en paarse luchten 

Bronnen
- Buursma, A. Kerkepadwandeling Zoutkamp-Vierhuizen. Masterplan Waddenland, Grafische Industrie de Marne, 2010.
- Westra, E. Vierhuizen van buitenaf gezien. Groningen: Eigen uitgave, 1997.
- Kerk Vierhuizen. Restauratie. http://www.kerkvierhuizen.nl/index.asp
- Marnegebied. Overstroming Westpolder 1877. http://www.marnegebied.nl/overstroming-westpolder-1877-marnegebied.html
- Het hele verhaal lezen zoals dat op Klaas Jans’ grafzerk staat? Zie de gedigitaliseerde versie hier: http://erikdegraaf.blogspot.nl/2012/02/de-eerzame-schaatser.html

woensdag 6 mei 2015

De witte juffers van Groningen

‘‘Dou ik ’n joar of vieftien was, woonde ik veur lutjemaaid op ’n ploats ien Tweihoezen. Doar mòs ik ’s mörns ien duustern altied schoapmelken. Ze harren mie verteld dat doar altied twei widde juffers deur ’t laand laipen van Tweihoezer Weg noar Dekkersweg. Op ’n mörn zag ik ze ook. Ik wer toch zó kel en veurdat ik ter op verdòcht was, zat ik op kop ien sloot. Ik bin der weer oetkomen, mor ’t schoapetouw heb ik ter bie verspeuld. Dou ’t licht wer, ben ik ter weer hèngoan, mor dou was ter niks te zain.’’
- Vertelt in Spijk, rond 1900. Opgeschreven door E.J. Huizenga-Onnekes, bewerkt door J.A. Fijn van Draat. Heksen- en duivelsverhalen in Groningerland, 1992, blz. 198.

Dit is een voorbeeld van één van de vele verhalen over witte juffers die in het Groningerland werden verteld. Er doen de gekste verhalen in de ronde. Witte juffers worden ook wel witte wieven, witte wijven of witte vrouwen genoemd. Het is een mythisch wezen, dat veelvuldig wordt aangetroffen in het volksgeloof. In heel westelijk Europa zijn er vormen van de witte vrouwen te vinden. Niet alleen in de Germaanse gebieden, maar ook in Romaanse en Keltische culturen. Natuurlijk verschillen per regio haar karaktereigenschappen en de verhalen die aan haar verbonden zijn, maar een overeenkomst is er zeker.

Witte vrouwen

Het is moeilijk informatie te vinden over het ontstaan van het volksgeloof omtrent witte vrouwen. In Nederland vindt het zijn oorsprong hoogstwaarschijnlijk in de Germaanse tijd. Witte vrouwen konden de toekomt voorspellen, en genoten daarom een hoge status. Het ‘witte’ is oud-Germaans voor ‘wijze’: het waren dus wijze vrouwen. Uit die wijze vrouwen werden priesteressen gekozen en na het overlijden van deze priesteressen bleef men hen eren bij hun graven. Er werd gelooft dat de priesteressen opstonden uit hun graf en daar ronddoolden, als een soort spoken in witte jurken. Dit waren hun doodskleden (in het Gronings: henneklaid). Maar nogmaals, de verhalen verschillen enorm en zijn slechts speculaties. Niets is zeker want er is helaas erg weinig informatie overgeleverd. Dit komt vooral door de komst van het christendom. Gedurende de kerstening werd de bevolking bang gemaakt voor alles wat pre-christelijk en dus heidens was: duivels, spoken, en noem maar op. Met heidense rituelen werd veelal afgerekend. De geschiedenis van witte vrouwen werd verdraaid en de eens zo aanbeden priesteressen werden nu afgezet als kwaadaardige heksen. In de verhalen die we nu kennen zijn ze dan ook boze figuren die de gewone sterveling verleiden en laten verdwijnen.

In Nederland komende witte vrouwen vooral voor in de oostelijke, nedersaksische provincies (Gelderland, Overijssel en Drenthe). Daar worden ze witte wieven genoemd. Ook in Groningen bestaan er tal van plaatsen waar ze gespot zijn, maar daar heten ze witte juffers. De verhalen zijn vaak jarenlang mond op mond doorgeven, totdat ze werden opgeschreven door o.a. M. Teenstra, E.J. Huizenga-Onnekes en K. ter Laan. Zoals gezegd, de aard van de witte vrouwen verschilt per regio. Alleen al tussen de oost-Nederlandse en Groningse witte vrouwen is een grote verscheidenheid aan karakteristieken te ontdekken. In het oosten van het land en Drenthe wonen zij vooral in hunebedden, moerassen en grafheuvels. Daar ligt ook hun goud verstopt. In Groningen wordt vermeld dat zij zich vooral ophouden bij wierden, kruiswegen, bruggen en kerkhoven.

Witte juffers in Groningen

Want mij vooral opviel is dat de Groningse witte juffers vaak als ‘niet kwaad’ worden bestempeld, wat in tegenstelling is tot vrijwel alle andere verhalen betreffende witte vrouwen. In Groningen doen ze je niets, maar komen ook niet in de buurt. J. Tilbusscher spreekt aan het begin van de twintigste eeuw een oud Hogelandster vrouwtje en zij vertelt hem dat de witte juffers lang geen lelijke dames zijn. En ze zijn ook gek op kerels. In andere verhalen lees ik meer over wat de juffers nou precies doen. Ze komen rond middernacht tevoorschijn, en dan dansen en springen ze wild in het rond. De wat rustigere of oudere juffers wandelen vaak in groepjes dezelfde route. In Woltersum liep er eentje met een mandje appels, samen een ridder zonder hoofd. Andere witte juffers bewaakten een schat in een heuveltje aan de noordoostkant van het Marumer bos. In Garmerwolde stonden ze in het maanlicht ‘bombuizies’ te bakken, met de pan in de hand. Bij Rottum is het helemaal gezellig want daar zaten de juffers samen aan een tafeltje in het gras thee te drinken.

Toch is het niet allemaal picknicken en dansen: er gaan ook verhalen van witte juffers met bebloede zakdoeken en bevlekte gewaden, die ‘het hoar roeg op de kop hebben’. In Zuurdijk spant er eentje de kroon: zij draagt een bebloede zweep in haar rechterhand, en een brandende toorts in de andere. Het zijn slinkse dames. Met dartele pasjes verleiden ze nog wel eens een man (want ja, die trappen daar natuurlijk wel in) en die verdwijnen dan in het niets.

Witte juffers waren veelvoorkomende mythische figuren en werden regelmatig genoemd in spookverhalen. Bijna elk Gronings dorp had wel een vaste witte juffer waarvan men wist dat die er ’s nachts rondspookte. Men was met die verhalen opgegroeid en hechtte er daarom niet veel waarde meer aan. In 1828 vraagt de Commissie voor Onderwijs de hoofdonderwijzer van Zuurdijk of hij enkele in dat dorp heersende bijgelovigheden kan noemen. De onderwijzer antwoord dat er in Zuurdijk geen sporen zijn van spook- of heksengeloof, maar voegt er achteloos aan toe dat er op een heuvel ten noorden van het dorp wel elke nacht twee juffers staan te dansen. Nou, ik zou het wel vreemd vinden als ik in het donker twee in het wit gehulde dames helemaal uit hun plaat zie gaan op een heuvel in the middle of nowhere…

Slechts éénmaal is het gebeurd dat iemand een witte juffer heeft horen spreken, hier in Groningen. Het was een zwoele zomernacht en een man was aan het werk bij het appelhof van een grote boerderij in Westerbroek. Overdag was het namelijk te heet om te werken. Plots zag hij een stoet witte juffers langszweven. Het had een bijzonder sereen, haast magisch schouwspel kunnen zijn, ware het niet dat er één witte juffer op een nogal knullige manier achter de groep aanhobbelde. Ze bleef maar over haar eigen jurk struikelen, een gênant gezicht dat danig afbreuk deed aan het betoverende moment. De man voelde geen angst en liep op de miserabel-uitziende juffer af. Toen hoorde hij haar duidelijk spreken. De man schrok want hij wist dat het heel uniek was om een witte juffer te horen praten. Ze sprak slechts één zin. Ze greep woest naar de onderkant van haar jurk en krijste: ‘‘Mien henneklaid is mie te laank!’’ Ja, deze juffer sprak in het Gronings. De man stond versteld en wist niets te zeggen. De volgende nacht was het weer raak. De juffer kwam weer als laatste en luid tierend langs gestruikeld. De man pakte een grote schaar en knipte uit medelijden een stuk van haar jurk af. Ze wierp hem een stralende glimlach toe en zwierde toen met haar mede-juffers uit het zicht. De man werd er de rest van zijn leven voor beloond met geluk, rijkdom en vrede.

Vandaag de dag worden de witte juffers niet veel meer gespot. De verhalen verdwijnen langzaamaan uit de dorpsmond, en als het niet voor het uitstekende werk van enkele folkloristen was geweest, dan waren we ze nu kwijt. Maar de verhalen zijn verzameld in enkele boeken en gewoon door te bladeren als je iets te lachen wilt hebben, of als je wilt weten of jouw dorp ook een witte juffer had die de boel op stelten zette. En als je de dames echt zelf wil zien, dan moet je een keer in de nacht of in de vroege ochtend richting een wierde of kerkhof lopen als het mistig is. Als de mist laag over de grond hangt, dan kun je ze in de verte zien. De mistflarden lijken te dansen. Ik ben gewend dat deze mysterieuze mistbanken ‘witte wieven’ heten; maar vanaf nu zal ik ze ‘witte juffers’ noemen. Ken je ze ook?

Bronnen
Boekholt, P. Th.F. M., en J. Kooi (red). Spiegel van Groningen: over de schoolmeesterrapporten van 1828. Assen: Van Gorcum & Comp, 1996.
Huizenga-Onnekes, E.J. (J.A. Fijn van Draat). Heksen- en duivelsverhalen in het Groningerland. Winschoten: J.D. van der Veen N.V., 1992.
Laan, K., ter. Groninger volksleven: verhalende folklore. Groningen: P. Noordhoff N.V., 1959.
Schreiber, F. Groninger Almanak. Ede: Verba, 2008.

zondag 26 april 2015

Een gedichtje over Lagemeeden

Vorige maand fietste ik op een grijze ochtend naar het gehucht Lagemeeden, en schreef hierover een gedichtje.





Het is stil en koud
een kille dag in maart
Ik fiets door de buitenwijken van de stad
hopend dat de lucht nog opklaart.

De huizen maken plaats voor weilanden
langs het water grijze fabrieken
Dit is het Hoogkerk van de Suikerunie
grotesk, puffend, lawaaierig, nieuwe technieken.

Ik laat de stad eindelijk achter me
en kom terecht in een gehuchtje langs het Hoendiep
Het heet hier ‘de Poffert’
ik moet er nog om lachen nu ik het typ.

Hier moet ik volgens Google Maps ergens rechtsaf
ik kan het eerst niet eens vinden en dat is geen wonder
Het blijkt een smal en slingerend zandpaadje
in de verte een molen, een treinspoor, het is hier heel bijzonder.

Fiets, fiets, fiets
heelhuids kom ik aan in het streekje Lagemeeden
Het is een doodlopende weggetje met wat boerderijen
maar heeft een rijk verleden.

Hier in the middle of nowhere
heeft 500 jaar lang een kapelletje gestaan
In de veertiende eeuw gebouwd door de Aduarder monniken
na de reformatie gebruikt als kerk, maar uiteindelijk verloren gegaan.

Het was een krachtig plekje
want hier vereerde men een relikwie van st. Margiet
Geschonken door de stichter van de kapel, abt Fredericus
helaas overleefde de relikwie de reformatie niet.

In de negentiende eeuw moest de kerk wegens bouwvalligheid worden gesloopt
maar de inwoners gingen goed bezig
Een kilometer verderop werd ’ie weer opgebouwd
in Den Horn waren namelijk meer kerkgangers aanwezig.

Niet alles werd met de grond gelijk gemaakt
het oude kerkhof bleef gespaard
Die ligt nu eenzaam op een wierde tussen hoge bomen
verlaten en vergeten, maar gelukkig wel bewaard.

Het ijzeren hekje piept als ik ’m open duw
en langzaam loop ik langs de grafstenen
Oud, verweerd, begroeid, onleesbaar en omgevallen
maar niet verdwenen.

Kinderen, ouders, grootouders, geliefden,
iedereen heeft een plek
En kan in de verte naar de groene velden kijken
aan uitzicht is hier geen gebrek.

Voorjaarsbloemetjes beginnen te bloeien
krokusjes tegen het grijze steen en het groene mos
Ik loop een rondje en stap weer op mijn fiets
op de terugweg blijf ik aan Lagemeeden denken, het laat me niet meer los.



donderdag 23 april 2015

Re-post: 'Inwoner Wittewierum kwam om bij ramp Titanic'

Afgelopen week stond er een artikel van mijn hand in de Eemslander, een huis-aan-huisblad in de regio Appingedam/Delfzijl. Het betreft een aangepaste versie van een in november 2014 geschreven blogpost over Hendrik Bolhuis, een Groninger aan boord van de Titanic. Lees het volledige artikel terug op mijn blog onder 'Fietstochten door de Ommelanden' of lees de krant-versie hieronder. 


Atlantische Oceaan, voorjaar 1912
Hij keek omhoog. De inktzwarte hemel was bezaaid met glinsterende sterren en had een heldere maan. Het zijn dezelfde sterren als die waar hij als klein jongentje naar staarde, toen hij nog in Wittewierum woonde. Zittend in het weiland, achter de boerderij, kon hij urenlang dromerig naar de lucht kijken. Wat was de wereld toch een mysterie. Nu, jaren later, hield hij zich krampachtig vast aan een stuk hout, ergens in het midden van de Atlantische Oceaan. Hij wist dat hij nooit meer naar Groningen terug zou keren. Het laatste gedeelte van het schip ging onder in het ijskoude, onvergefelijke water en hij wist dat hij ieder moment zou volgen. Een vreemd gevoel van rust overviel hem. De sterren en de maan zijn hetzelfde als die in Wittewierum.

Ambitieus was Hendrik Bolhuis altijd geweest. Hij wist al vroeg dat hij andere dingen wilde dan de gemiddelde jongeman uit Wittewierum. Als hij zijn toekomst voorstelde zag hij geen landarbeider, geen echtgenoot, geen vader. Een wereldreiziger, dat zag hij. Hij droomde over verre landen en grote steden. Maar hij was ook een realist: hij zou hard moeten werken om daar te komen. Hendrik werd geboren op tweede kerstdag 1884, in Wittewierum, een klein plaatsje in het noorden van Groningen. Daar hadden zijn ouders een boerenbedrijf. Een aantal jaar later besloten zij het roer om te gooien en verhuisden naar de stad Groningen. In 1900 woonde de familie in de Steentilstraat, waar zij een kruidenierszaak en slijterij begonnen. Hendrik, toen veertien jaar, woonde tegen die tijd echter al niet meer thuis. Hij werkte bij bakker Wiardi in de Oude Ebbingestraat, en was daar ook op kamers. In 1904 vertrekt hij naar Utrecht, en de volgende zes jaar werkt hij als kok in onder meer Parijs en Monte Carlo. Toen hij in 1910 terugkeerde naar Groningen, waren beide ouders overleden. Er was, afgezien zijn broer Klaas, niets meer wat hem daar hield. Hendrik besloot nu echt de wijde wereld in te trekken en het avontuur aan te gaan.

Via Monte Carlo komt hij in de nazomer van 1911 te werk als kok op de RMS Olympic. Hendrik verdiende prima, waardoor hij regelmatig naar Groningen kon reizen om zijn broer te bezoeken. In maart 1912 staat hij op het punt om naar Klaas te gaan, als hij wordt geronseld door de Italiaanse cateraar Luigi Gatti. Gatti is bezig een keukenbrigade van de RMS Titanic samen te stellen en stelt Hendrik aan als larder chef, wat op zich niet echt een hoge functie is. Toch hoefde Hendrik hier niet lang over na te denken. Werken op het grootste, meest luxe stoomschip ooit – en onzinkbaar ook nog. Dit was waarvan hij altijd al had gedroomd. Hij ging naar New York! 

Zijn familie wist van niets. In Southampton gaf hij zijn koffer in bewaring. In die koffer zaten onder andere brieven van dames uit heel Europa. Hij stond ook wel bekend als ‘Mooie Hennie’ en de vrouwelijke aandacht was zeker niet schaars. De Vlaamse Albertine schreef dat ze op het moment zat te wachten waarop ze eindelijk een reactie zou krijgen op al haar brieven. Ze zou nooit meer wat horen.

Op 10 april 1912 vertrekt de Titanic vanuit Southampton. Op de nacht van 14 op 15 april voltrekt zich de ramp waarbij 1522 mensen om het leven komen, waaronder, op drie na, de gehele keukenbrigade. Dit huurpersoneel bestond grotendeels uit Fransen, betaald door de Italiaan Gatti. Er werd op hen neergekeken, en ze werden door de Britten niet toegelaten op het sloependek. Er gaan verhalen dat de bakkers gewoon doorgingen met brood bakken, om mee te geven aan de vrouwen die in de reddingboten werden gezet. Zij wisten toch al dat hun treurige lot bezegeld was.

Er waren drie Nederlanders aan boord, en alle drie overleefden ze het niet. Als het lichaam van Mooie Hennie al is teruggevonden, is het in ieder geval nooit geïdentificeerd. Klaas, Hendrik’s broer, kwam pas eind juli achter de reden waarom zijn broer nooit op bezoek was geweest, zoals hij had beloofd. Toen pas kwam er een overlijdensadvertentie in de krant te staan. In november ontving hij, als Hendrik’s enige erfgenaam, een Engels spaarboekje met daarop zo’n 260 gulden. Hendrik had aan boord van de Titanic 30 gulden verdiend. Hij werd 27 jaar.

Wittewierum, Nederland, voorjaar 2015 
Ik fiets over een hobbelig weggetje door de weilanden. Er is hier niets meer, afgezien enkele groepjes witbruine koeien. Ik ben er bijna. Over mijn schouder zie ik de lange weg die ik afgelegd heb op zoek naar het geboortehuis van Hendrik Bolhuis. Ik kijk weer voor me. In de verte zie ik de wierde van Wittewierum. Maar daar moet ik niet zijn. Na enig onderzoek heb ik uitgevonden waar precies in Wittewierum Hendrik’s geboortehuis moet hebben gestaan. Hij woonde op een boerderij buiten het dorp, alhoewel dorp sowieso al een groot woord is voor het gehucht Wittewierum. De eenzaam gelegen boerderij waarin Hendrik opgroeide is helaas afgebrand in de jaren 70, en in de jaren erop in verval geraakt. Er rest alleen nog een schuur. Ik wijk af van de weg naar Wittewierum en stuur een zo mogelijk nog kleiner weggetje in. Er doemt bebossing op in de verder lege en uitgestrekte omgeving. Dat is het.

Mijn mond valt open. Ik heb veel vervallen gebouwen gezien, maar dit verdient een heel nieuw woord. Van de boerderij die ooit eens was, staat er inderdaad alleen nog een schuur overeind. Maar ook dat duurt niet lang meer. Het is heel duidelijk wat ooit het erf is geweest: eromheen loopt een recht uitgegraven sloot, als een soort slotgracht. Het erf is nu bijna niet meer te betreden, maar uiterst dicht begroeid. Met moeite kan ik de schuur en een aantal andere stenen overblijfselen ontwaren. Alles is overwoekerd. Ik sta even in tweestrijd. Waag ik me door de begroeiing en ga ik in m’n eentje een vervallen terrein op in the middle of nowhere? Of ben ik verstandig en blijf ik op een afstandje? Ik hoef niet lang na te denken en al snel waag ik me door het hoge, natte gras. Het is al dagen zonnig, maar hier in het donkere bos blijft het vochtig. Binnen de kortste keren zijn mijn schoenen nat, is mijn shirt gescheurd door een bramenstruik en worden mijn benen aangevallen door zowel muggen als brandnetels. Maar dat maakt allemaal niets uit. Het zonnetje probeert door de dichte bladerendeken door te komen, en valt in bundels uiteen op de donkere grond. Het is duidelijk dat hier al jaren niemand is geweest. Dit is ook de dieren in omgeving opgevallen: zo spot ik een konijntje en wordt mijn komst befluit door vele vogels. En dan sta ik oog in oog met een moederhert en haar drie prachtige kindertjes. Moederhert kijkt me bevreemd aan maar rent niet weg. Ik kan zelfs wat bewegen en foto’s maken. Als de hertjes uiteindelijk toch verdwijnen in de hoge begroeiing kan ik niet geloven wat ik net heb gezien. Ik kijk de foto’s terug op het schermpje van mijn camera en als ik weer op kijk, staat het moederhert daar weer. Ze kijkt nog even om de hoek, nieuwsgierig wat ik aan het doen ben. Ik glimlach naar haar. Haar grote, donkerbruine ogen houden me goed in de gaten. Dan draait ze zich om en is ze weg. 

ik weer uit het bos kom, kijk ik omhoog. Het is ’s ochtends, ik kan de maan nog zien. Ik denk aan Hendrik. De sterren en de maan zijn hetzelfde. 
// Sanne Meijer, de Eemslander, 15-04-2015

vrijdag 17 april 2015

Opinie: Goedenavond Appingedam! (en de rest van het Noorden)

Vanaf nu zal ik af en toe ook opiniërende artikelen plaatsen op deze blog, vaak betreffende actualiteiten in/over het Noorden. Vandaag mijn eerste artikel: Goedenavond Appingedam! (en de rest van het Noorden).


In een gesprek bij Pauw op woensdagavond 15 april, over de opvangcentra voor uitgeprocedeerde asielzoekers, deed politiek journalist Ferry Mingelen de volgende uitspraak: ‘‘Je zal altijd zien dat zo'n opvangcentrum dan natuurlijk ergens in Appingedam zit. In zo'n streek waar niemand eigenlijk wil zijn behalve als je asielzoeker bent.’’ Blijkbaar had Mingelen zelf niet door dat hij hiermee een groot aantal mensen flink beledigde. Jeroen Pauw had wel de tegenwoordigheid van geest om zich dit te realiseren en reageerde: ‘‘Goedenavond Appingedam. Daar hoeft Ferry voorlopig niet meer naartoe.’’ Logischerwijs riep dit woeste reacties op. Twitter ontplofte en #appingedam was zelfs een tijdje trending topic in Nederland.

Oké, dit kan een slip of the tongue zijn. Dat gebeurt de besten onder ons wel eens. Zoals dat gaat, kreeg Mingelen de volgende dag de kans zich te revancheren. Helaas voor hem leverde dat een aaneenschakeling van blunders op. In een interview met RTV Noord wordt duidelijk dat Mingelen eigenlijk Ter Apel had bedoeld, maar niet op die naam kwam en simpelweg een andere plaats uit het noorden van Nederland opnoemde. ‘‘In de Randstad kunnen asielzoekers zich iets makkelijker bewegen, of elders opvang vinden. Daarom worden azc’s vaak ver weg geplaatst, zoals in Ter Apel. Dat is het beleid. Dat wilde ik ermee zeggen.’’ Dat Appingedam geen asielzoekerscentrum heeft en ruim een uur rijden van Ter Apel verwijderd ligt, had Mingelen blijkbaar niet over nagedacht. Over één kam scheren gesproken.

Appingedam of Ter Apel daadwerkelijk bezoeken, dat is Mingelen net een stapje te ver. Hoewel hij door zowel PvdA kamerlid Tjeerd van Dekken, burgemeester Pot van Appingedam en burgemeester Kompier van Vlagtwedde is uitgenodigd een kijkje te komen nemen in de door hem aangevallen plaatsen, antwoordt hij tactloos: ‘‘Nou, het is wel ver weg.’’ Een teleurstellend gebrek aan nieuwsgierigheid voor een gelouterd politiek journalist. 

Mingelen doet er nog een (enigszins walgelijk) schepje bovenop door in een radiointerview op NPO1 te stellen dat Appingedam hem juist heel dankbaar zou moeten zijn voor alle gratis publiciteit, want zoveel goede promotie had het stadje nog nooit gehad, volgens hem. Alsof de historische binnenstad van Appingedam, met alle bruggetjes, hangende keukens en middeleeuwse en renaissancistische panden zichzelf niet kan verkopen. Mingelen’s reeks van ongenuanceerde opmerkingen wordt afgesloten met de opmerking dat ‘‘mensen moeten zich niet te snel aangesproken voelen als dat niet de bedoeling is’’ en dat hij de groeten doet aan de inwoners van Appingedam. 

Dit hele gebeuren is slechts een voorbeeld van een veel groter probleem dat zich in Nederland afspeelt: de langzaamaan immer groter wordende kloof tussen ‘het Noorden’ (Groningen, Friesland, Drenthe) en de rest van het land. Onwetendheid is hierbij, mijns insziens, het toverwoord. Mingelen’s gênante versprekingen zijn niets minder dan een reflectie van een denkbeeld dat in de hoofden van veel Nederlanders huist: het Noorden is een haast onontgonnen plek, ver weg, leeg, kil; een buitengebied zonder voorzieningen in haast barre levensomstandigheden. In dit denkkader is de besluitvorming omtrent gaswinning ook te verklaren; er woont toch niemand, waar maken mensen zich druk om? Natuurlijk is niets minder waar, maar hoe de regionale overheden ook proberen, dit bekende plaatje van het Noorden blijft volhardend doorzetten. Ook ik word soms geconfronteerd met bizarre denkbeelden die mensen uit de Randstad hebben over Groningen; de onbekendheid met de regio is schrikbarend. 

Maar dat een weldenkend, onderzoekend persoon – een politiek journalist note bene, niet kritisch genoeg is om zijn stereotype perspectieven op het Noorden te herkennen, biedt een verontrustend toekomstbeeld. Laten we hopen dat deze narrow-minded vooronderstellingen niet hardnekkig door blijven zetten – want dan zal het Noorden steeds verder weg drijven van de rest van Nederland.