maandag 27 juli 2015

De Zilvervloot-kerk van Niekerk

- UPDATE 06/09/2015: I.s.m. Groninger Krant is deze blog verfilmd. Zie: http://www.groningerkrant.nl/2015/09/sanne-in-de-ommelanden-aflevering-1-niekerk-en-vliedorp/

Het is een ontzettend warme dag. Ik ben de zinderende stad ontvlucht en geniet van de frisse zeewind die er over de Ommelanden waait. Vandaag ben ik in het noordwesten van de provincie, maar omdat er geen treinen deze kant op gaan, heb ik ook geen fiets bij me – dus maak ik gebruik van de bus en de benenwagen. Vanuit Ulrum wandel ik naar Niekerk, in gemeente de Marne (even voor alle duidelijkheid: er is nog een Niekerk in Groningen, maar die Niekerk ligt in de gemeente Grootegast). Onderweg komt er in het weiland aan mijn linkerhand een enthousiaste koe op me afgelopen. Ik probeer haar te aaien maar kom net niet bij haar snuit. Een eindje verderop staat de boer mij met gefronste wenkbrauwen aan te kijken. Ik knik naar hem en loop gauw verder. 

In Niekerk groeien overal bloemen. In borders langs de straatkanten, in bloembakken voor de huizen, of gewoon in het wilde gras. Ik geniet van de klaprozen die tussen het hoge bermgras staan, en van de aangeplante pioenrozen langs de weg. Voor ik het weet is Niekerk  alweer voorbij. Er wonen dan ook maar 70 mensen. Toch is Niekerk een dorp, want het heeft een kerk. 


En wat voor een kerk! Ik had me voor vertrek een beetje had ingelezen, en zag op internet een paar foto’s voorbij komen van het dertiende-eeuwse kerkje. Dat zag er op die plaatjes een beetje grijs en grauw uit. Als ik aan kom lopen herken ik ’m dan ook eerst bijna niet. Wat ziet de kerk er anders uit! Helder wit en stralend in de zon. Echt een plaatje, denk ik, terwijl ik druk foto’s maak. De deur is open. Binnen is het knus. En koel ook, de dikke muren laten geen warmte door. Dat is wel een verademing in deze hitte, en dus strijk ik neer op één van de kerkbankjes. 


Terwijl ik deze eeuwenoude vorm van airconditioning zijn werk laat doen, kijk ik eens goed in het rond. Het eerste wat me opvalt is het plafond. De ene kant is totaal anders dan de andere kant (zie de foto), dat is juist prachtig. Aan de muren hangen krijtborden met spreukjes en gezegden erop. Het orgel heeft twee angstaanjagende zwarte roofvogels. Er is een zeventiende-eeuwse herenbank, waar de vooraanstaande families uit de buurt op mochten zitten, in dit geval de familie van In- en Kniphuizen en de familie Lewe. De twee families waren verwant en hun wapen is vrijwel hetzelfde. Deze is terug te vinden op de herenbank. In het middenpad liggen oude grafzerken, zelfs eentje uit 1564. 


Maar voor het meest bijzondere element van deze kerk (vind ik), moet je naar buiten. Boven de deur aan de westgevel is namelijk een gedenksteen te zien die geplaatst is bij de restauratie van de kerk in 1628/29. Die gedenksteen verwijst naar de verovering van de Spaanse Zilvervloot; daardoor is de verbouwing van de kerk is bekostigd! Ik sta er echt even vreemd naar te kijken. Piet Hein en de Zilvervloot is een bekende en belangrijke gebeurtenis in de Nederlandse geschiedenis. Het voelt vreemd –en vooral onverwacht- dat er hier, op een kleine wierde in het noordwesten van de provincie Groningen, naar wordt verwezen. Hoe zat dat in elkaar? Waarom ging een deel van het geld van de Zilvervloot naar een klein kerkje in de eenzame en afgelegen Ommelanden? 

J.W. Zonderman schrijft het volgende: ‘‘Het bestuur van de West-Indische Compagnie was verdeeld in vijf kamers. De Kamer van Friesland en Groningen was vertegenwoordigd door veertien bewindhebbers. Bewindhebbers uit ons gewest moesten voor tenminste vierduizend gulden in het kapitaal van de Compagnie deelnemen. Na de verovering van de Zilvervloot in 1628 keerde de Compagnie 50% dividend uit.’’ En laat nou net één van die bewindhebbers jonker Evert Lewe zijn, die onder andere heer van Ulrum en Niekerk was. Zonderman: ‘‘Omdat juist in die tijd de kerk van Niekerk zeer bouwvallig was, liet Evert Lewe de kerk restaureren en een nieuw torentje bouwen en deze steen inmetselen ter herinnering aan de verovering van Zilvervloot, uit dankbaarheid voor zijn gewin.’’ Op de toren van de kerk kwam een windvaan in de vorm van een leeuw – het symbool voor de familie Lewe natuurlijk. 


Ik struin wat over het kerkhof en zie een smal kerkepad naar de horizon verdwijnen. Dit pad loopt naar Vliedorp. Vliedorp bestaat nu niet meer, afgezien een verlaten kerkhof. Ooit was het ook een dorpje met kerk – maar dat is héél lang geleden. In 1594 werden de kerkelijke gemeenten Niekerk en Vliedorp gecombineerd. De ene week was er een dienst in Niekerk, de andere week in Vliedorp. Na de Zilvervloot-restauratie werd besloten nog enkel in Niekerk diensten te houden. De kerk van Vliedorp werd afgebroken. Ongeveer een eeuw later stortte ook de losstaande toren van ellende ineen. De laatste predikant die in zowel Niekerk als Vliedorp dienst verzorgde was Godefridus Hugtingius, die daarvoor predikant was geweest bij de Nederlandse ambassadeur in Portugal. Later werd hij weer opgeroepen geestelijke verzorging te bieden aan Staatse legertroepen. Een bijzondere man. 

Het is een dapper kerkje: het heeft de Kerstvloed van 1717 overleefd, terwijl Niekerk zwaar getroffen werd. Er vielen 73 doden en er verdwenen ontelbare veestapels in de golven. Langzaam loop ik het kerkepad op, richting Houwerzijl en de overblijfselen van Vliedorp. Als ik achterom kijkt, torent het kerkje hoog boven alle andere gebouwen uit. 


Bronnen
Pieterman, K.G. Gesprek met de kerk: een rondleiding door de kerk en historie van Niekerk. Eigen uitgave, 1998. 
Plas, H. en W. Plas. Religieus Erfgoed in Groningen: oude kerken in de Ommelanden. Bedum: Profiel, 2008.
SOGK. ‘‘Niekerk.’’ Geraadpleegd 01-07-2014. http://www.groningerkerken.nl/index.php?a=1&p=N&id=88. 
Zonderman, J.W. Kerken met een leeuw in de gemeente Ulrum. Groningen: van Kampen, 1983.

vrijdag 17 juli 2015

Verdwenen dorpen, deel 2: Maarhuizen

In mijn nieuwe serie ‘Verdwenen dorpen van de Ommelanden’ ben ik op zoek naar lang vergeten dorpjes in de Groninger Ommelanden. Vaak zijn de overgebleven historische kerkhoven het enige bewijs dat er op deze (veelal eenzame) plekken ooit een dorp heeft gestaan. De artikelen uit deze serie verschijnen eens in de paar weken, en zullen afgewisseld worden met andere verhalen. Het eerste gedeelte ging over Ranum, en nu fiets ik verder naar Maarhuizen.


De weg naar Maarhuizen is enkel voor auto’s toegankelijk. Eigenlijk moet ik bijna vier kilometer om fietsen, maar het regent en daar heb ik geen zin in. Van tevoren had ik bedacht door de berm te wandelen met de fiets aan de hand. Jammer genoeg zijn er wegwerkzaamheden en is de groene berm veranderd in een glibberige bruine massa. Het kan me niets schelen, dan maar met de fiets aan de hand door de modderige berm baggeren. Ik zie verbaasde gezichten in de auto’s die me voorbij scheuren. Halverwege vraag ik me af of dit wel zo’n goed idee was. Aan de overkant van de weg zie ik een smal zandpaadje lopen: dit was het vroegere trekpad. Ik bedenk dat dit een wandelpaadje is, maar soit: ik stap op de fiets en baan me een weg door het hoge bermgras. Opeens staat er een overdekte bushalte. Ik ga snel op het bankje zitten. Met enerzijds afgrijzen en anderzijds een neiging tot lachen werp ik een blik op mijn in korte broek gehulde benen: ze zijn kletsnat, besmeurd met modder, gras en zelfs lieveheersbeestjes (dat is dan wel weer leuk). Met een zakdoekje probeer ik er nog wat van te maken.

Als ik er niet meer uitzie als een zwerver in een bushokje, eet ik een broodje en wacht tot de regenbui voorbij is. Hier mag je weer fietsen, gelukkig. Het gehucht Maarhuizen staat goed aangegeven, maar het kerkhofje waarnaar ik op zoek ben iets minder. Wat is dat toch, vraag ik me af, dat deze bijzondere historische kerkhoven zo slecht aangegeven zijn? Zo ondergewaardeerd, lijkt dat haast. 

Op weg naar Maarhuizen!

Ik gok erop af te slaan bij een klein slingerend fietspaadje door dichte groene bossen. Enorme overwoekerde weilanden strekken zich aan weerszijden van mij uit. Ik stop bij een houten hek waar een naam in gekerft staat: ‘Enne Jans Heerd’. Hmm. Blijkbaar zijn dit de landerijen van een grote boerderij dat de Enne Jans Heerd heet. Het wordt in ieder geval niet goed meer bijgehouden, de brandnetels komen tot mijn schouders. Ik fiets verder en zie tot mijn verrassing een mooi bankje staan. Verderop verschijnen aan mijn rechterhand hoge bomen die duiden op het kerkhof. Inderdaad: het is weer een vierkant open veld, een wierde, omringd door hoge bomen, zoals alle historische kerkhoven die ik tot nu toe heb gezien – maar dit kerkhofje heeft er ook nog een muurtje bij. Daarnaast is het kerkhof echt vól, in tegenstelling tot andere kerkhoven die ik heb gezien, waar meestal grote open plekken te zien zijn en slechts een paar stenen zijn overgebleven.  

Op weg naar Maarhuizen!

De weilanden van de Enne Jans Heerd

Kerkhofje van Maarhuizen

Toch is Maarhuizen nooit veel meer geweest dan een plattelandsdorpje. Het bestond al rond het jaar 1000, maar hoorde toen nog bij het kerspel Baflo. In het jaar 1211 kreeg bisschop Otto van Munster het verzoek van een groepje gelovigen om Maarhuizen tot een eigen parochie te maken. Otto gaf hier goedkeuring voor en Maarhuizen splitste zich af. Baflo zou wel de moederkerk blijven. Er moeten in die tijd rijke doch vrome mensen in Maarhuizen gewoond hebben, want het dorpje was in staat genoeg land en geld op te brengen om de kerk én de pastoor te kunnen onderhouden. Daarnaast moesten de Maarhuizer parochianen ook nog een soort schadevergoeding betaald worden aan de pastoor in Baflo, die nu last had van ‘inkomstenderving’.  

Blijkbaar floreerde de zelfstandige parochie, want in 1468 werd Maarhuizen uitgebreid met een deel van het kerspel Lutke Saaxum (Klein-Saaksum). Lutke Saaxum werd namelijk opgeheven, want de kerk verkeerde al lange tijd in slechte staat en er waren geen middelen om dit te herstellen. Ondanks de komst van de Lutke Saaxumers kreeg het dorp Maarhuizen na de reformatie geen eigen predikant meer, maar werd samengevoegd met onder meer Obergum en Winsum. De parochie liep leeg na de fusies met andere kerkelijke gemeenten en daarnaast waren veel landbouwers in de buurt doopsgezind geworden. Dit alles verminderde het financiële draagvlak zodanig dat het kerkje niet meer onderhouden kon worden. In 1726 werd het kerkgebouw gesloopt. Het ommuurde kerkhofje bleef achter en bleef wel in gebruik. 

Kerkhofje van Maarhuizen

Kerkhofje van Maarhuizen

Bijna 300 jaar na de sloop van het kerkje sta ik in Maarhuizen. De oudste grafzerk aanwezig op het kerkhofje stamt uit 1630. Ik zie steeds opnieuw dezelfde namen verschijnen op de graven: Martini, Sybolt en Brommersma. Het zijn de namen van de oorspronkelijke families die de drie boerderijen van Maarhuizen bewoonden. Één van die drie boerderijen heet nog steeds de Sijboltsheerd. Het gehucht bestaat nu nog steeds uit drie grote boerderijen. 

Kerkhofje van Maarhuizen

Kerkhofje van Maarhuizen

De boerderij die het dichtst bij het kerkhofje staat is de Enne Jans Heerd, een fantastisch mooi gebouw dat van buitenaf leeg lijkt te staan. Het is de boerderij van wie die overwoekerde weilanden zijn, die ik onderweg had gezien. Het is een kop-en-hals-rompboerderij met een echt Gronings dwarshuis ervoor gebouwd. Het huis lijkt uit te kijken op het kerkhofje. De boerderij is genoemd naar Enne Jans Huizing, die de boerderij van zijn schoonouders erfde in 1788. Er staan kromgegroeide bomen in de tuin, en het gras is hoog. Later lees ik dat de boerderij in 1977 verkocht is aan Staatsbosbeheer en enkele jaren daarna is gerestaureerd. De boerderij is een rijksmonument en wordt momenteel nogmaals gerestaureerd. Op de website van Staatsbosbeheer staat dat zij een ondernemer zoekt die duurzame plannen kan ontwikkelen om de boerderij met een toekomst te voorzien. Ik hoop echt dat ze iemand vinden, want dit is een bijzonder plekje. 

Enne Jans Heerd

Enne Jans Heerd

Bronnen
‘‘Enne-Jans Heerd.’’ Staatsbosbeheer. Geraadpleegd 24-06-2015. http://www.staatsbosbeheer.nl/natuurgebieden/hogeland/enne-jans-heerd.
‘‘Kerk en kerkhof in Maarhuizen.’’ Geraadpleegd 24-06-2015. http://djvanham.home.xs4all.nl/GRONINGIANA/KERK%20EN%20KERKHOF%20IN%20MAARHUIZEN.htm.
Stulp, B. Verdwenen dorpen in Nederland, deel 4: Noord-Nederland (Waddeneilanden, Groningen, Friesland). Falstaff media, 2012.

donderdag 9 juli 2015

Kijk uit voor de Borries!

Laatst moest ik eens op een avond in het Groningse dorpje Rottum zijn. Na een enigszins gênante rit voorin een klein en verder leeg busje dat van Middelstum naar Uithuizen pendelde, werd ik er bij de halte ‘t Lage Eind’ uitgegooid. Vanaf daar is het nog zo’n kilometer lopen tot het dorp. Het was al donker en aangezien ik me niet in het drukste gebied ter wereld bevond, betekent donker ook echt donker. Eerder, in de bus, had ik, met een ongekende vooruitziende blik, al een zaklamp-app gedownload voor mijn telefoon. Die bleek ik inderdaad nodig te hebben. Het was stil en ik hoorde niets dan mijn eigen voetstappen en het ritselende gras. Ik voelde dat ik sneller ging lopen. Normaliter ben ik niet bang voor het donker; ik ben student, uiteraard loop ik wel vaker door het duister over straat. Maar in de stad zijn er altijd ménsen, nu was ik helemaal alleen. Daarnaast wist ik dat het Groningerland veel spookverhalen kent. Dit zijn getuigenissen van mensen die ooit de meest rare schepsels hebben gezien; verhalen over allerlei enge wezens die zich op het platteland schuilhouden. Eén ding hebben ze gemeen: ze komen in het donker tevoorschijn. 

Toen er rechts van mij opeens enkele struiken en bomen opdoemden sprong ik van schrik een gat in de lucht. Ik keek schichtig opzij. Ik vervloekte mezelf dat ik van tevoren had gelezen over de borries (de Groningse benaming voor een helhond), die ooit is gespot is in Rottum. De borries had zich verstopt achter een groepje struiken, zijn enorme, gloeiende ogen het enige licht in de duisternis. Ik stond even in tweestrijd, maar in een vlaag van heldhaftigheid (of totale verstandsverbijstering) boog ik me voorover, duwde met trillende handen een aantal takken opzij en tuurde in de bossen. Ik wachtte even op een moment suprême, maar er gebeurde niets. Ik werd niet aangestaard door een paar woestkijkende ogen en ik werd ook niet aangevallen en opgegeten. Snel liep ik door. En wat was ik opgelucht toen ik voor de terugweg een lift aangeboden kreeg…  

Een borries is dus de Groningse benaming voor een helhond, of spookhond. Dit is een grote, zwarte hond, met een krullende vacht en een buitenproportioneel grote kop, waarin zijn grote ogen gloeien als kolen. In Groningen dolen borries gewoonlijk rondom wierden, hun poten onhandig voortbewegend. K. ter Laan, in zijn Groninger Overleveringen uit 1930, waarschuwt ons: ‘‘[…] veur ’n borries mòie oppaazn. Dat is ’n hond dij spoukt. ’s Nachts komt e joe tegen, ie wòrren der kèl van. Ze binnen der bie duustern, en ze binnen der bie moanschienweer. Geluud heur ie nooit. As de moan schient, kìn je ’t vot aan twij dingen zain […] De borries het ’n hail biezunder soort van gaang; hai verzet zien baaide linkerpooten touglieks, en din weer zien baaide rechterpoten touglieks; hai zuit hinneweer. Aan zien staart kìnje ’t ook vot wel zain.’t Is ’n hail dikke, roege staart, dij stekt e staail achteroet. Aander honden hebben staart aaltied ’n beetje schaif mit ’n boogje der in. Mor ’t alleriezelkste is, as ’t duuster is. Want hai het ogen as dòbbelaaiers*, en ’t vuur vlogt ter oet. Aaltied löpt e op ainzoame steden, benoam bie òl borgen. Ie mouten niks doun, en gain woord zeggen; din het e gain macht over joe.
*Dòbbeldaaiers zijn kleine sauskommetjes, die vroeger voor aardappels gebruikt werden.

Het gaat hier natuurlijk om een mythisch wezen. De helhond komt wereldwijd in volksverhalen voor. Het zien van de grote zwarte hond is in het volksgeloof een omen; een ongunstig voorteken. De helhond is de brenger van naderend onheil, of, nog een tikkeltje dramatischer, de dood. Bij het zien van de hond wist men dat er iemand in de naaste omgeving binnenkort het loodje zou leggen; bij het horen blaffen ervan was de dood al nabij; bij het horen rinkelen van de kettingen die de hond bij zich droeg was je zelf al zo goed als dood. Fré Schreiber noemt inderdaad dat de Groningse borries een ‘‘grimmige hond met gloeiende kettingen’’ is. 

'De dood' op een Rottumse grafsteen

Niet alleen in Groningen maakt de helhond nog deel uit van volksverhalen, ook in Twente en Noord-Brabant wordt er nog over dat enge zwarte beest verteld. Buiten Nederland komt de helhondvoor in onder meer de Griekse, Germaanse en Azteekse mythologie, en Britse en Noorse volksverhalen. Maar ook in de hedendaagse populaire cultuur is er nog plaats voor de helhond: zo is er de Grim uit Harry Potter, en de hond die Sherlock Holmes en Dr. Watson zien in The Hound of (the) Baskerville(s). 

Terug naar Groningen. Volgens de volksverhalen is de hond gezien van Niehove tot Garmerwolde en Bourtange tot Grootegast. En dus ook in Rottum, waar ik de desbetreffende avond angstige blikken over mijn schouder bleef werpen maar uiteindelijk geen borries heb gezien. Volgens de overlevering is daar eens rond middernacht een ‘vurige ijzeren wagen’ gezien, bespannen met vier of zes van die helhonden! K. ter Laan vertelt dat er in de polder bij Termunten ook een borries is verschenen: ‘‘[…], ’n roege swaarde. Dij is tusschen twaalm en ain aan ’n snieder* verschenen, dij te laank in haarbaarg zat. Keerl is ter aan doodgoan van schrik.
*Een snieder is een kleermaker.

In een schoolmeesterrapport uit 1828 schrijft L. Hoeksema uit Zuurdijk dat op de ten zuiden gelegen wierde Ewer ‘‘een zoogenaamde Borries gezien werd; zulk een Borries was, volgens het hier aangehegte denkbeeld een zeker vadsig en goedaardig soort van helsch gedrogt.’’ Het is vreemd dat de traditionele rol van omen in Ewer niet van toepassing is: de ‘vadsige’ borries wordt hier blijkbaar als goedaardig gezien. Hoeksema vertelt dat op enkele andere wierden in de buurt ook een borries is gezien, zoals op de Leenster wierde, en die van Elens, Houw en Menneweer. Deze borries waren wel beladen met gloeiende ketens en dus ‘‘een meer grimmig dan moedig gedrochtensoort’’. Niet zelden werd de borries vergezeld door een veulen zonder kop en een aantal dansende juffers. Samen moeten ze er een enorm feest van hebben gemaakt. 

Maar het mooiste verhaaltje, vind ik, komt uit de omgeving Delfzijl en is rond 1933 opgeschreven. Op een avond liepen Klaas, ‘een roukeloze kerel’, en zijn vrienden Eltje en Jaan van Oterdum naar Geefsweer. Ze hielden van kaartspelen en jenever drinken, en waren die avond dan ook redelijk beschonken. Net buiten Oterdum ‘is doar ’n roege swaarde hond aal bie heur laangs schoven’. De hond werd, volgens het verhaal, steeds ‘dikker’ (groter). In een bui van stoerdoenerij, die ongetwijfeld het gevolg was van die laatste glazen jenever, riep Klaas: ‘‘Hai zel sloag hemmen al is het de Duvel ook!’’ Hij had met een stok in zijn hand gelopen, maar toen hij die op wou heffen om de immer groter wordende hond te slaan, lukte dat niet. Hij kon zijn arm niet meer bewegen. Toen hadden ze het door en zei Eltje: ‘‘Tegen de Boze kunnen we niet vechten. Men moet nooit boze machten oproepen.’’ De hond werd kleiner en het gevaar week. 
Het is duidelijk, mensen: kijk uit voor de borries!

'De dood' op een Rottumse grafsteen

Bronnen
Huizenga-Onnekes, E.J. (J.A. Fijn van Draat). Heksen- en duivelsverhalen in het Groningerland. Winschoten: J.D. van der Veen N.V., 1992.
Laan, K., ter. Groninger Overleveringen (deel 1 en 2). Groningen: Erven B. van der Kamp, 1928.
Renswoude, O., van. ‘‘De Borries.’’ Taaldacht, gepubliceerd 29-09-2010. Geraadpleegd 10-06-2015, http://taaldacht.nl/2010/09/29/de-borries/.
Schreiber, F. Groninger Almanak. Ede: Verba, 2008.

dinsdag 30 juni 2015

Verdwenen dorpen, deel 1: Ranum

In mijn nieuwe serie ‘Verdwenen dorpen van de Ommelanden’ ben ik op zoek naar lang vergeten dorpjes in de Groninger Ommelanden. Vaak zijn de overgebleven historische kerkhoven het enige bewijs dat er op deze (veelal eenzame) plekken ooit een dorp heeft gestaan. De artikelen uit deze serie verschijnen eens in de paar weken, en zullen afgewisseld worden met andere verhalen. Vandaag deel 1: Ranum. 

De dag van mijn fietstocht begint niet erg voorspoedig. Ik ben maar nét op tijd voor de trein van Groningen naar Winsum en omdat er een rij mensen achter mij staat te wachten, moet ik haastig mijn fiets vastmaken op de daarvoor bestemde plek. Daardoor zet ik mijn fiets blijkbaar niet goed vast – met als gevolg dat bij het afremmen voor de volgende stop mijn fiets uit zichzelf besluit enkele mensen aan te rijden. Eenmaal in Winsum aangekomen blijkt een steile trap naar beneden de enige manier om van het perron af te komen. Aan de linkerkant van de trap bevindt zich een smalle gleuf voor de fiets. Ik ben rechtshandig dus dit gaat al moeizaam, maar het feit dat mijn remmen het vrijwel niet doen maakt deze operatie helemaal onmogelijk, en dus gaat mijn fiets met mij op de loop. Als ik na een tijdje niet geheel ongeschonden beneden kom, blijkt de lucht grijs geworden en is het gaan miezeren, wat niet voorspeld was door Gerrit Hiemstra. Ik stap snel op mijn fiets om Winsum achter me te laten, maar ik ken het dorp niet zo goed en fiets vier keer verkeerd. 

Ik ben op weg naar Ranum, een gehuchtje rondom een drietal wierden ten noorden van Winsum. Het bestaat uit twee boerderijen en een kerkhofje, heb ik gelezen. Ik weet uiteindelijk de juiste route te vinden en rijd dan een paar keer heen- en weer over het enige weggetje van Ranum, maar een kerkhof kom ik niet tegen. Het miezeren is inmiddels overgegaan op een volledige regenbui. Ik voel mijn enthousiasme iets ingeperkt worden. Links van een grote boerderij bevinden zich donkere bossen, en opeens zie ik, door een opening in de dichte begroeiing, een grijze steen. Daar moet het zijn! Er is geen andere toegangsweg dan over het erf van de boerderij. Ik zet mijn fiets tegen een boom, die gelijk omvalt en bijna in de sloot kiepert (de fiets, niet de boom). Lichtelijk uit mijn humeur stamp ik het erf op. Ik verwacht ergens dat er boze honden aan komen rennen, maar dat gebeurt niet. Er zijn alleen een heleboel koeien die mij verbaasd aankijken door hun lange wimpers.

Het weggetje

De wierde van Ranum

Vlak voor de boerderij loopt een klein zandweggetje richting het bosje. Aangezien ik nu letterlijk door de voortuin loop, zwaai ik naar het raam. Er verschijnt een enigszins verbouwereerde jongen. Ik gebaar naar het hek en het achterliggende kerkhof. De jongen, waarschijnlijk de boerenzoon, komt naar buiten. ‘‘Zou ik het kerkhofje mogen bekijken?’’ vraag ik. Hij kijkt me even aan en haalt dan zijn schouders op. ‘‘Joah, dat kan wel even denk ik,’’ antwoordt hij. De jongen gaat me voor door het hek, opent nog een ander hek en trapt dan galant het stroomdraad voor mij naar beneden. Hij wijst naar een gietijzeren hek een eindje verderop. ‘‘Daar is het. Wil je alles wel weer goed achter je dicht doen?’’ Ik knik. Gelukkig kom ik van het platteland. 

De koeien volgen mij gebiologeerd als ik naar het hek toe loop. Het kerkhofje ligt op de wierde en is bijna volmaakt vierkant. Eromheen staan grote, donkere bomen (dat verklaart waarom ik het eerst niet kon vinden), maar binnen is het open en licht. Kriskras over het bijna dode gras bevinden zich grijze stenen, sommige hoog en sommige laag. Enkele rechtop maar het merendeel plat. Een paar leesbaar, een heleboel ook niet. De grond is ongelijk, zoals ik zo vaak heb vernomen bij een oude wierde. Ranum bestaat dan ook al erg lang, want bij de wierden zijn archeologische vondsten gedaan uit de Romeinse tijd. Het gehucht was ooit een dorpje en werd in het jaar 1000 pas voor het eerst bij naam genoemd. 

Toegang tot het kerkhofje

Er heeft zelfs lange tijd een kerkje gestaan. In 1385 wordt er wat land verkocht om herstelwerkzaamheden van de kerk te bekostigen, wat erop lijkt te duiden dat de kerk toen al aardig oud was. Er bestaan geen afbeeldingen van dit kerkje, maar in 2006 werden door een groep vrijwilligers de fundamenten teruggevonden, waardoor het in enige mate mogelijk was een reconstructie te maken. Aan het begin van de zeventiende eeuw ging de kerk van Ranum over op het protestantisme. De lidmaten kregen een eigen predikant, met de passende naam ‘Theodorus Schepperus’. Schepperus was naast de eerste ook de laatste eigen predikant van Ranum, want na zijn emeritaat werd het kerspel van Ranum samengevoegd met omliggende kerkelijke gemeenten. In de achttiende eeuw kende Ranum nog maar 15 lidmaten. In 1811 was de kerk van Ranum in een zodanig slechte staat dat de kerkgangers genoodzaakt waren naar Obergum te gaan. Niet lang daarna werd de kerk afgebroken. 

Het kerkhof resteert dus nog. Er liggen eeuwenoude grafstenen vol prachtige grafsymboliek. De oudste stamt uit 1644 en is nog leesbaar ook. Waar ik normaal gesproken een beetje vlinders krijg van het vinden van dit soort relieken van de geschiedenis, voel ik me redelijk triest worden in Ranum. Het lijkt er zo slecht onderhouden, zo alleen en vergeten. Scheuren en overwoekering kom je altijd tegen op dit soort historische kerkhoven, maar hier... Voelt het écht eenzaam. Ik snap het ook wel, het is nogal een barrière als je via een privéterrein bij het kerkhofje moet komen, dus veel bezoekers zal het kerkhofje ook niet hebben. Daarnaast -en daarom waarschijnlijk- zijn er ook nergens tekens te vinden dat het historische kerkhof van Ranum überhaupt bestaat. Geen aanwijs- of wegwijsbord en ook geen plakkaat met informatie. En dat terwijl er zoveel bijzondere, oude geschiedenis aanwezig is. 

Het kerkhofje van Ranum

Het kerkhofje van Ranum

Hier moet iets aan gedaan worden, denk ik – maar ja, ik weet ook wel dat het moeilijk is vrijwilligers te vinden voor een dergelijk project. Terwijl ik hier over nadenk schuifel ik terug over het paadje. Hek door, hek door, stroomdraad over, hek door. De regen lijkt opgehouden. Ik bedenk nu dat het zandpaadje door de voortuin van de boerderij waarschijnlijk het oude kerkepad was. Hier hebben al ruim 700 jaar lang mensen overheen gelopen, op weg naar de kerk en het kerkhof van Ranum. En om één of andere reden is dat een geruststellende gedachte. Misschien is Ranum toch niet zo alleen. 

Het kerkhofje van Ranum

Bronnen
Stulp, B. Verdwenen dorpen in Nederland, deel 4: Noord-Nederland (Waddeneilanden, Groningen, Friesland). Falstaff media, 2012.

maandag 22 juni 2015

't Riepster Licht

De aula van het Academiegebouw, het hoofdgebouw van mijn universiteit (de RUG), bevat prachtige gebrandschilderde ramen. Ze zijn ontworpen door Johan Dijkstra, een kunstenaar die samen met Jan Alting de Groninger kunstgroep ‘de Ploeg’ oprichtte. De ramen laten het geestelijke en wetenschappelijke leven in Stad en Ommeland zien. Zo kun je bijvoorbeeld Aletta Jacobs ontdekken, maar ook een verbeelding van Groningen’s bekendste sage: de legende van het Riepster Licht.

Beide foto's zijn van de gebrandschilderde ramen van het Academiegebouw. Het raam op de linkerfoto is hetzelfde als middelste raam op de rechterfoto. Je ziet een verbeelding van het Riepster Licht: twaalf wijze mannen en Jezus in een bootje. Lees er hieronder meer over.

Grote kans dat je wel eens van het ‘Riepster Licht’ hebt gehoord. Dat had ik ook wel, maar wat het nou precies inhield… Dat was een tweede. Het is echter zo’n belangrijk volksverhaal in ‘onze’ folklore, dat het me leuk leek er wat over te vertellen. Dat is moeilijker gezegd dan gedaan, want er bestaan vele variaties op dit verhaal. Dat is logisch met dit soort oude verhalen: vaak zijn ze eeuwenlang mondeling overgeleverd, en elke verteller verandert wel een aantal elementen. Toen deze volksverhalen dan uiteindelijk op schrift werden gesteld, werden die door de jaren heen natuurlijk ook nog eens bewerkt door hun schrijvers. Zo ook de legende van het Riepster Licht. Hoewel de kern van het verhaal gelijk bleef, veranderden bijvoorbeeld regelmatig de namen van de hoofdrolspelers. Dus welke versie kies ik? Ik ga voor wat ik denk dat de bekendste is: de christelijke versie met Karel de Grote.

Het Riepster Licht

Er was eens een koning en die heette Karel de Grote. Hij leefde in de vroege middeleeuwen en was een machtig heerser die over zoveel mogelijk gebieden de baas wilde zijn. Hij had zijn oog laten vallen op het gebied dat Friesland heette. Daar viel Groningen destijds ook onder. Het kostte het hem veel moeite de Friezen te onderwerpen, maar na een lange strijd moesten de Friezen zich toch gewonnen geven. Karel voerde gelijk nieuwe regels in. Zo moesten de Friezen zich gaan bekeren naar het christendom. Dat ging niet zo makkelijk want de Friezen hadden hun eigen goden lief. Daarnaast beval Karel ook dat de Friese wetten op schrift werden gesteld, en dat deze vermengd moesten worden met nieuwe, christelijke wetten. Daar waren de Friezen erg verbolgen over, want zij vonden hun wetten te heilig om op te schrijven. De Friese wetten zijn namelijk jarenlang mondeling overgeleverd, vaak in de vorm van mooie spreuken. Toch wees Karel twaalf wijze mannen aan die de wetten op moesten schrijven, in het Latijn. Zij weigerden en riepen: ‘We willen geen nieuwe wetten over Christus, want wij hebben ons eigen geloof al. En wij kunnen het ook niet over ons hart verkrijgen om onze heilige wetten op schrift te stellen!’

Karel werd boos en gaf hen drie keuzes. Ze mochten ervoor kiezen om onthoofd te worden, om levend begraven te worden, of om op een stuurloos schip te worden gezet. De wijze mannen kozen voor het laatste. Bij Zeerijp lag het schip klaar. Zeerijp ligt nu landinwaarts, maar lag vroeger nog aan zee. Zonder anker, roer, riemen, masten en zeilen werden ze het water in geduwd. De zee was wild en al snel was er geen land meer in zicht. De mannen dreven steeds verder weg en er stak een sterke storm op. Ze baden hun goden om hulp, maar er gebeurde niets. Ieder moment zou het schip kunnen omslaan en dan was het gedaan. Toen zei de oudste man: ‘Onze goden hebben ons verlaten. Laten we als laatste redmiddel bidden naar Jezus Christus, en kijken of hij ons wel wil verlossen uit deze nood.’ De mannen sloegen hun handen ineen, knielden op het natte hout van het schip en prevelden hun gebeden, kijkend naar de donkere hemel. En opeens stond daar een dertiende man op het achtersteven van het schip. Het was alsof hij licht gaf. Hij had een kromhout in zijn hand en daarmee bestuurde hij het schip. De dertiende man vaarde hen veilig de haven van Zeerijp weer in. Hij sprong als eerste aan wal en gooide zijn kromhout in het zand. Toen verdween hij. Plots begon het kromhout te branden en ontstond er een groot vuur. Sindsdien ontvlamde elke avond het licht van het kromhout aan de haven: dit werd het Zeerijpster Licht, oftewel het Riepster Licht, genoemd. Het licht was een baken voor schepelingen, zodat zij wisten waar de haven was. 

Eeuwenlang brandde het Riepster Licht om zeelui de goede weg te wijzen. Maar tijden veranderden. De haven van Zeerijp verzandde en Zeerijp lag op een gegeven moment niet langer aan het water. Het licht van het kromhout doofde. Niet lang daarna kwam er een ander licht voor in de plaats, een licht met een geelrode gloed. Dit licht was door de duivel ontstoken. Schepelingen dachten dat het een baken was en voeren de voormalige haven in, waar ze strandden en vergingen. Zo zijn er talloze zeelieden omgekomen door dit duivelslicht. 

Tot het begin van de vorige eeuw zijn er nog mensen geweest die vertelden het licht te hebben gezien. Jazeker - op donkere, stille avonden brandt het Riepster Licht nog. Maar wees voorzichtig…

Deze versie is duidelijk een christelijke sage. Het vertelt over het falen van de oude goden en de goedhartigheid en behulpzaamheid van Jezus. Daarmee is het een handig verhaal om mensen te laten bekeren tot het christendom. Veel schrijvers zijn het er echter over eens dat deze versie een gechristianiseerde vorm is van een al veel oudere sage. Daar is wel wat voor te zeggen, want deze christelijke versie bevat enkele historische onvolkomendheden: Karel de Grote leefde aan het eind van de achtste en aan het begin van de negende eeuw, maar Zeerijp ontstond hoogstwaarschijnlijk pas in de tiende eeuw. Daarnaast staat ook geheel niet vast dat Zeerijp ooit een haven heeft gehad.

Schrijvers als K. ter Laan noemen dit verhaal van Riepster Licht dan ook een verbastering van een mythe van heidense, Germaanse oorsprong. De onbekende dertiende man was volgens ter Laan Forseti, de zoon van de Germaanse lichtgod Baldur. Hij bracht de twaalf mannen veilig terug naar land en zij leerden van hem het heidense recht. K. ter Laan, en met hem anderen, stelt dus dat het hier in feite gaat om een oud-Friese rechtssage. Deze oud-Friese rechtssage werd dus later gechristianiseerd en waarschijnlijk in de zeventiende eeuw pas aan Zeerijp gekoppeld. Dit was het werk van de laatste pastoor en eerste dominee van Zeerijp: Gerardus Alberti. In A.J. van der Aa’s Aardrijkskundig Woordenboek uit 1851 duidt van der Aa aan dat het licht gezien kan worden bij de Woldweg; deze weg bestaat nog steeds. 

De groep mensen in de verte loopt over de Woldweg bij Zeerijp.

Hoe het ook zij – het Riepster Licht was eeuwenlang een begrip in Noord-Groningen. Al die tijd waren er daadwerkelijk mensen die claimden het licht te hebben gezien. W. de Blécourt, R.A. Koman, J. van der Kooi en T. Meder wijzen daarvoor naar ‘‘optredende dwaallichtjes (blauwachtige vlammetjes ontstaan door verbrandend moerasgas, algemeen als iets bovennatuurlijks beschouwd). Die dwaallichtjes worden in Groningen meestal hiplichtjes genoemd.’’ 

Waar geloof jij in? Is het Riepster Licht een wetenschappelijk verklaarbaar natuurverschijnsel? Is het een baken van het christelijk geloof? Of is ’t het licht van de duivel? Dat is de pracht van deze eeuwenoude legende: het roept meer vraagtekens op dan het antwoorden geeft op onze vragen over het verleden. 

De kerk van Zeerijp; de losstaande toren staat waarschijnlijk op de plek waar ooit eens een vuurtoren heeft gestaan.

Bronnen
Aa, A.J., van der. Aardrijkskundig Woordenboek: deel 13. Gorinchem: Jacobus Noorduyn, 1851.
De Blécourt, W., R.A. Koman, J. van der Kooi en T. Meder. Verhalen van Stad en Streek. Amsterdam: Uitgeverij Bert Bakker, 2010. 
Laan, K., ter. Groninger volksleven: Beschrijvende folklore. Groningen: P. Noordhoff N.V., 1959.

vrijdag 12 juni 2015

Grafpoëzie in Noorddijk

Aan de oostelijke rand van de Stad, tegen de wijk Lewenborg aangegroeid, ligt het dorpje Noorddijk. Noorddijk bestaat eigenlijk uit maar één weg, de Noorddijkerweg, dat als een soort abrupte begrenzing tussen Stad en Ommeland dient. Aan de westelijke kant van de weg ligt Lewenborg, aan de oostelijke kant liggen weilanden. Hier houdt de Stad op. Het is een beetje een vreemde plek; het ene moment rijd ik over een fietspad door een nieuwbouwwijk vol rijtjeshuizen en grijze flats, het volgende moment fiets ik over een weg langs boerderijtjes en landerijen. Noorddijk is een fijne bestemming voor een klein fietstochtje vanuit de Stad; zo’n fietstochtje waarvan je een uur geleden nog niet wist dat je ’m ging maken, maar die perfect is als je er toch spontaan nog even uit wilt. In mijn geval zorgt een stralend voorjaarszonnetje ervoor dat ik op een middag in april besluit nog even een ommetje te fietsen.

Mooie fietspaden vlakbij de stad

In Noorddijk ben ik nog nooit geweest. Mijn fiets parkeer ik in een rek op een parkeerplaats die naast de begraafplaats ligt. Aan de overkant van de straat staat een prachtig gelegen kerk met een verrassend hoge toren. De kerk, waarvan het oudste gedeelte uit de dertiende eeuw stamt, is gewijd aan de heilige Stefanus en bezit kunstige gebrandschilderde ramen en een bijzonder neoklassiek kansel. De kerktoren trekt echter de meeste aandacht naar zich toe. Die is bijna twintig meter hoog en heeft een adelaar als windvaan. Boven de deur is een gedenksteen te zien die herinnert aan de bouw van de toren; in 1648 blijkt de eerste steen te zijn gelegd door ene Anna Maria Ulgers. Bij de inwijding van de klokken in 1660 dronken, naar verluidt, de klokkenluiders vier halve tonnen bier ter waarde van zestien gulden en tien stuivers – een fortuin in die tijd.

De kerk van Noorddijk

Maar ik ben niet naar Noorddijk gekomen voor de majestueuze kerktoren of vanwege de alcoholische uitspattingen van voormalige klokkenluiders. Ik ben op zoek naar grafzerken met bijzondere teksten; ook wel grafdichten genoemd. Grafpoëzie is namelijk iets typisch Gronings. Het komt ook wel voor in andere provincies, maar lang niet zo talrijk als in Groningen. Deze overvloed aan Groningse grafpoëzie werd vooral gemaakt in de periode van de zeventiende eeuw tot de eerste helft van de twintigste eeuw. Grafdichten werden vaak in mooie krulletters geschreven en variëren in grootte; soms zijn het vier zinnetjes, soms zijn het hele epistels. De gedichtjes zijn met name bedoeld als troost; om het verdriet van de nabestaanden te vervangen door iets hoopvols. 

Ik heb gelezen dat er hier in Noorddijk enkele mooie voorbeelden zijn te vinden van zulke grafdichten. Als ik het oude kerkhof oploop merk ik gelijk dat de grafzerken netjes onderhouden zijn, en de gedichtjes dus gelukkig goed te lezen. Langzaam loop ik van steen tot steen, lezend wat ze te vertellen hebben. Sommige dichten zijn een lofzang op de overledene, terwijl andere stenen me vermanend toe lijken te spreken. Ook zijn er teksten die blijk geven van liefde, en van intens verdriet. Maar overal is er hoop. Bij die hoop speelt God over het algemeen een grote rol. Bij het merendeel van de grafdichtjes komt heel duidelijk het vertrouwen naar voren dat de overledene tot God geroepen is en nu op een mooiere plek is, ergens daarboven. 

Grafdicht in Noorddijk

Grafpoëzie in Noorddijk

Hieronder een voorbeeld van een religieus gedichtje dat ik tegenkom:

’t Gelove aanbid Gods daden
Schenkt hope en troost in ’t hart
Zoo blijft al gingt ge henen 
De liefde ons verenen
Dit lenigt onze smart

Of wat te denken van deze tekst op de grafzerk van een vrome kerkganger:

Hier in dit sombre graf
Rust overschot van hem
Die ons veel hulpe gaf 
Thans mist ons zijne stem
De levensdraad door God bepaald
Werd hem reeds afgesneden
Zijn ziel verrees en ’t ligchaam daalt
In ’t stof hier naar beneden

En hier, een vermanend berichtje om de lezer eraan te herinneren dat het leven eindig is, en het dus zomaar gedaan kan zijn met de pret:

Ons leven is soms kort van duur
De dood kan komen ieder uur
O! mochten wij dan zijn bereid
Voor eindeloze Eeuwigheid

Hieronder een voorbeeld van een lofzang, op de vrouw en moeder des huizes:

Voor naarstigheid en vlijt 
Is deze steen gewijdt
Reeds naarstig in haar jeugd
Verrigt ze haar taak met vreugd
Was vlijtig, vroeg en spa
Tot heil van kroost en ga
Voleindt was nu haar baan
Haar taak was afgedaan
Maar leeft door ’t nageslacht
Word thans aan haar herdacht

En deze is ook erg mooi:

Wat ook op aard moog heengaan of verderven
De liefde die de harten saamverbindt
Is eeuwig als God zelf, zij kan niet sterven
Maar hoopt dat ze eens de dierbren wedervindt

En dan lees ik tot slot opeens een gedichtje dat tegen alle percepties van de dood ingaat die ik tot nu toe in Noorddijk heb gezien, en waar maar weinig hoop uitspreekt:

Vrienden stapt gerust aan wal
Hier is ’t eind van uw gevaren
Niet het overgindsche dal
Zal ons rust noch kommer baren
Geen Mozes of een Jezus leer,
Moet noch u d’oogen blinden
Geen geloof; maar weten meer
Moet het maar zijn, mijn vrinden
Zoo ben ik heengegaan
Op wetenschap vertrouwen
Niet om weder optestaan
Daarop vergeefsch zij bouwen
Want de mensch is geheel
Stof

Ik loop nog een rondje over het kerkhof en staar in de verte. Voor mij strekken vlakke weilanden zich uit. Het is een typische voorjaarsdag; de blauwe lucht is oneindig en het zonnetje straalt. Het wordt overal weer groen. Er zit heerlijk geurende bloesem aan de bomen. Een groep zoemende bijtjes zwermt vrolijk om de kleine bloemetjes. Overal zie ik lammetjes, bruine en witte schatjes, waarvan sommige nog wat trillerig op hun pootjes staan en anderen al blij rondhuppelen. En dan bedenk ik me: er is inderdaad hoop. Want zolang de kille winter plaats kan maken voor het zachte voorjaar, is er hoop op nieuw leven. En zolang de lichte dagen de donkere kunnen vervangen, is er hoop dat alles wel weer goed komt.

Noorddijk

Noorddijk

Bronnen
- Plas, H. en W. Plas. Religieus Erfgoed in Groningen: oude kerken in de Ommelanden. Bedum: Profiel, 2008.
- NPO Spirit. Tot de dood ons schrijft. 16-04-2015. http://www.spirit24.nl/
- Stichting Dodenakkers. Grafpoëzie te Noorddijk. http://www.dodenakkers.nl/grafpoezie/kerkhoven-en-begraafplaatsen/55-noorddijk.html. 

zaterdag 30 mei 2015

Belofte maakt schuld: een eeuwenoud verhaaltje uit Krewerd

In het plaatsje Krewerd stond ooit een prachtig huis. In de tweede helft van de dertiende eeuw woonde hier de rijke Tyadeke met haar zoon Menco. Ze waren met zijn tweeën omdat Menco’s vader was overleden na een mislukt rondje paardrijden. Op een dag werd zoon Menco plotseling erg ziek. Zijn moeder bad voor zijn genezing. Het zag er niet goed uit. Maar Tyadeke bad en bad en bad en beloofde heilig dat als Menco nog zou genezen, zij een kapel zou laten bouwen in Krewerd. Die was er namelijk nog niet. Ja, knikte ze, ze zou een kapel stichten op eigen grond, van haar eigen geld. En ze zou ook nog het jaarsalaris voor de priester betalen. En wonder boven wonder, Menco knapte op en herstelde volledig. Hij was weer gezond.

Maar de kapel werd niet gebouwd. Tyadeke ‘vergat’ haar belofte, of schoof haar plichten steeds verder voor zich uit. Ze had zichzelf inmiddels een ander, ietwat dringender doel gesteld: om Menco aan de vrouw krijgen. Hij was al bijna dood geweest, vrouw- en kinderloos, dus om dit de volgende keer te voorkomen was het hoog tijd voor huwelijk en kinderen. Mind you, Menco was toen waarschijnlijk nog maar in zijn vroege tienerjaren. Dat deed er niet toe bij Tyadeke. Ze had de desbetreffende vrouw al op het oog: de jonge, edele Tete. 


Bloesem in Krewerd, een klein en achteraf-gelegen dorpje in het noordoosten van Groningen, enkel te bereiken door twee kleine slingerweggetjes.

Tete woonde met haar moeder in Loppersum. Zij was een mooie en slimme dame van goede afkomst. Ook Tete was ziek geweest. Haar vader Geiko was deken en had de heilige belofte gedaan dat als Tete zou genezen, zij in het klooster zou gaan. Toen Tete genas ging Geiko ging dood. Geiko’s weduwe, en dus Tete’s moeder, Thialdis, had er geen zin in om haar jonge dochter naar het klooster te sturen. Ook deze belofte werd dus niet nagekomen, net als de kapel in Krewerd. 

Tot geluk van beide moeders, die, laten we eerlijk zijn, beide wel een beetje als boosaardige en bemoeizuchtige tuthola’s overkomen, werden Menco en Tete echt verliefd. Al snel was Tete zwanger. Maar het noodlot sloeg toe. Menco werd weer ziek en stierf dit keer. Hun kindje werd te vroeg geboren en stierf ook. Tete keerde intens verdrietig terug naar het huis van haar moeder. Ze stierf van verdriet, maar niet voordat zij op haar sterfbed haar vader’s erfenis schonk aan klooster Bloemhof (inderdaad, dat klooster van abt Emo). 


Een mereltje in Krewerd

Tyadeke en Thialdis stonden na deze tragedie als kemphanen tegenover elkaar. Thialdis was boos op klooster Bloemhof en claimde dat de erfenis nu aan haar toeviel. Ook meende ze aanspraak te maken op de erfenis van Menco. Er brak een heftig conflict uit over de erfrechten. De twee vrouwen waren zó vijandig dat hun leven werd beheerst door haat. Hierdoor kwam Tyadeke tot inkeer en besloot alsnog de kapel te bouwen. Precies zoals ze al die jaren geleden had beloofd: op haar eigen grond, van haar eigen geld. Op deze wijze lostte ze haar oude gelofte in en kon ook zij zonder gewetensbezwaren sterven. God had haar vergeven.  

Is dit verhaal nou een boel lariekoek? Aan de ene kant, natuurlijk is dit een eeuwenoud verhaal, en de feitelijke waarheid is dan altijd iets waar over getwijfeld kan worden. Aan de andere kant, het staat te lezen in het Kroniek van Klooster Bloemhof, en is wel rond dezelfde tijd opgeschreven. Het doel van de tekst is wel heel duidelijk: God laat niet met zich spotten en zorgt ervoor dat gedane beloftes gehouden dienen te worden. Belofte maakt schuld.


De kerk van Krewerd, gesticht door Tyadeke. Een groot gebouw voor een dorpje met een kleine 100 inwoners.

Bronnen
- Kroniek van het Klooster Bloemhof. ‘‘Over de kapel van Krewerd en hoe zij werd gesticht.’’ https://books.google.nl/books?id=rx6P48yex4oC&printsec=frontcover&dq=kroniek+klooster+bloemhof&hl=en&sa=X&ei=m1JBVbTgDI7tO7WigaAE&ved=0CCQQ6AEwAA#v=onepage&q=kroniek%20klooster%20bloemhof&f=false 
- Sillius. ‘‘Grunneger Bladzieden.’’ http://www.sillius.nl/groningana/
- Stichting Dorpsbelangen ‘de Drie Maren’. ‘‘De Mariakerk in Krewerd.’’ http://www.holwierde.net/geschiedenis/de-mariakerk-in-krewerd-een-ommelander-kleinood/
- Stichting Oude Groninger Kerken. ‘‘Krewerd: Kerk Krewerd.’’ https://www.groningerkerken.nl/kerken/print_kerk.php?id=16