Hans Zant en ik zijn op zoek naar informatie over onderstaande foto's. Het gaat om een trein- of spoorongeluk op de (voormalige) Marnelijn van Winsum naar Zoutkamp of de lijn van Groningen naar Delfzijl.
De enige aanknopingspunten zijn het huis op de achtergrond van de eerste foto, en de molen op de achtergrond van de tweede foto (al kunnen die inmiddels wel afgebroken zijn).
Zou het hier kunnen gaan om het treinongeluk van 16 oktober 1940 bij Ranum, waarbij dertien polderwerkers om het leven kwamen? Of gaat het om wat anders?
Alle tips, hints, of mogelijkheden zijn welkom! Laat ze achter in een reactie of mail ze naar sanne.meijer@live.nl.
Posts tonen met het label Overig. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Overig. Alle posts tonen
dinsdag 17 november 2015
zaterdag 17 augustus 2013
De Koloniën van Weldadigheid
Hoewel de eerste socialistische partijen in
Nederland pas in de tweede helft van de 19e eeuw ontstonden, bestonden
socialistische ideeën al veel langer. Na de industriële revolutie kwam er
steeds meer focus te liggen op het feit dat arbeiders dezelfde rechten
verdienden als de grootgrondbezitters en fabriekseigenaren. In het begin was
het, vreemd genoeg misschien, vooral het rijkere deel van de bevolking dat zich
met deze sociale kwestie bezig hield. Zij verdiepten zich in armoedebestrijding
en ontwikkelden hun eigen ideeën met betrekking tot het grote verschil tussen
arm en rijk in ons land.
Één zo’n iemand was Johannes van den Bosch. Hij was als succesvol generaal teruggekeerd uit Oost-Indië en vastbesloten zich nu te storten op het armoedeprobleem in Nederland. Naast de mislukte oogsten van 1816 en 1817 had Napoleon had ons land in een armzalige staat achtergelaten, waardoor in de steden ongeveer 50% van de mensen onder de armoedegrens leefde. De steden vielen ten prooi aan grootschalige verpaupering. De sociaal bevlogen van den Bosch had grootste ideeën voor ogen. Hij geloofde, zoals een goed socialist betaamt, in de maakbaarheid van de samenleving en het belang van arbeid en moreel gezond gedrag. En hij ontwikkelde het toppunt daarvan: de Maatschappij van Weldadigheid.
Hij wist een sponsoring van 40.000 gulden per jaar bijeen te krijgen, waarmee hij zijn ambitieuze plan kon verwezenlijken: verpauperde stedelingen een nieuwe basis van bestaan aan te bieden in zogenaamde landbouwkoloniën, waarna men weer kansrijk kon terugkeren in de normale maatschappij. Hij kocht in 1818 een aantal stukken woeste zandgrond in Drenthe die tot landbouwgrond moesten worden gemaakt. Er werden in rap tempo enorm veel koloniehuisjes gebouwd aan kaarsrechte wegen, ieders voorzien van een perceeltje grond. Zo ontstonden de koloniën Frederiksoord, Wilhelminaoord en Willemsoord.
Johannes van den Bosch
Arme gezinnen konden op vrijwillige basis naar deze koloniën vertrekken. Mannen moesten werken in de landbouw, vrouwen en kinderen verrichtten huisnijverheid zoals spinnen en weven. Deze koloniën waren een samenleving op zich, en hadden haast een eigen cultuur. Overal schemerde echter het socialistische gedachtegoed doorheen. Zo had iedereen in de koloniën recht op gezondheidszorg. Voor 1 cent per week namen zij deel aan het gezamenlijke ziekenfonds. Daarnaast was onderwijs voor iedereen erg belangrijk. Avondonderwijs en basisonderwijs was verplicht, en er werden tuin- en bosbouwscholen opgericht. Er kwam ook plaats voor ouderenzorg, in zogenaamde rusthuizen. Bovendien werd liederlijk gedrag niet geaccepteerd. Zelfs de socialistische afkeer van alcohol vond haar weerslag. Dit was te zien in het feit dat de koloniën een eigen munteenheid kregen; met het koloniegeld kon alles worden gekocht in de koloniewinkels behalve sterke drank.
Certificaat voor een schoolmeisje: haar taalbeheersing, vlijt en gedrag waren uitmuntend
Helaas
had ten Bosch er te weinig rekening mee gehouden dat de stedelingen niet goed
wisten hoe zij overweg moesten met al dat landbouwmaterieel en ongeveer een
eeuw na haar oprichting zag de Maatschappij zich gedwongen grote stukken
koloniegrond te verkopen om hun schulden te kunnen betalen. De Maatschappij van
Weldadigheid is nu een stichting geworden, die 1400 hectare cultuur- en natuurgrond
beheert. Overal zie je nog de mooie koloniehuisjes, koloniebossen, koloniekerkjes
en koloniebegraafplaatsen. Ook is er een klein museumpje gevestigd in
Frederiksoord, genaamd de Koloniehof. En daar ging ik vandaag met mijn ouders
naar toe.
Het museum is niet erg groot en bestaat uit een aantal kleine gebouwtjes. Wel is het erg charmant. Een expositie en een film die doorlopend afgedraaid wordt nemen je mee door het leven in de kolonies, verder is er nog een daadwerkelijk koloniehuisje en een aantal akkertjes te bezichtigen. In de koffiekamer kun je van een kolonieturf genieten en in het museumwinkeltje zijn genoeg leuke souvenirs en boeken over de Maatschappij van Weldadigheid te vinden. Het meest bijzondere is misschien wel het schattige witte huisje dat zich ook op het terrein bevindt. Hier zijn allerlei leuke geweven en geknutselde artikeltjes te koop die zijn gemaakt door verstandelijk gehandicapten als dagbesteding. Ik koop een mooi kaartje en een vilten uiltje als sleutelhanger. Het sociale idee van de koloniën bestaat nog steeds, maar aangepast en modern - in de vorm van dagbesteding om een functionele en waardige plek in de maatschappij te verkrijgen.
Één zo’n iemand was Johannes van den Bosch. Hij was als succesvol generaal teruggekeerd uit Oost-Indië en vastbesloten zich nu te storten op het armoedeprobleem in Nederland. Naast de mislukte oogsten van 1816 en 1817 had Napoleon had ons land in een armzalige staat achtergelaten, waardoor in de steden ongeveer 50% van de mensen onder de armoedegrens leefde. De steden vielen ten prooi aan grootschalige verpaupering. De sociaal bevlogen van den Bosch had grootste ideeën voor ogen. Hij geloofde, zoals een goed socialist betaamt, in de maakbaarheid van de samenleving en het belang van arbeid en moreel gezond gedrag. En hij ontwikkelde het toppunt daarvan: de Maatschappij van Weldadigheid.
Hij wist een sponsoring van 40.000 gulden per jaar bijeen te krijgen, waarmee hij zijn ambitieuze plan kon verwezenlijken: verpauperde stedelingen een nieuwe basis van bestaan aan te bieden in zogenaamde landbouwkoloniën, waarna men weer kansrijk kon terugkeren in de normale maatschappij. Hij kocht in 1818 een aantal stukken woeste zandgrond in Drenthe die tot landbouwgrond moesten worden gemaakt. Er werden in rap tempo enorm veel koloniehuisjes gebouwd aan kaarsrechte wegen, ieders voorzien van een perceeltje grond. Zo ontstonden de koloniën Frederiksoord, Wilhelminaoord en Willemsoord.
Johannes van den Bosch
Arme gezinnen konden op vrijwillige basis naar deze koloniën vertrekken. Mannen moesten werken in de landbouw, vrouwen en kinderen verrichtten huisnijverheid zoals spinnen en weven. Deze koloniën waren een samenleving op zich, en hadden haast een eigen cultuur. Overal schemerde echter het socialistische gedachtegoed doorheen. Zo had iedereen in de koloniën recht op gezondheidszorg. Voor 1 cent per week namen zij deel aan het gezamenlijke ziekenfonds. Daarnaast was onderwijs voor iedereen erg belangrijk. Avondonderwijs en basisonderwijs was verplicht, en er werden tuin- en bosbouwscholen opgericht. Er kwam ook plaats voor ouderenzorg, in zogenaamde rusthuizen. Bovendien werd liederlijk gedrag niet geaccepteerd. Zelfs de socialistische afkeer van alcohol vond haar weerslag. Dit was te zien in het feit dat de koloniën een eigen munteenheid kregen; met het koloniegeld kon alles worden gekocht in de koloniewinkels behalve sterke drank.
Schoolgaande koloniekinderen
Verderop in Drenthe vind je de strafkolonies,
zoals in Veenhuizen. Deze waren heel anders dan de vrije koloniën. Hier werden
landlopers en bedelaars, maar ook weeskinderen opgesloten en aan het werk
gezet. Daarnaast kwam het niet zelden voor dat de vrije kolonisten, die flauw
waren van al het morele ethische gedrag in de vrije koloniën en besloten naar
de fles te grijpen of ander ontucht te plegen, ook voor straf hier werden heen
gestuurd. Zo zat hier ook een overgrootouder van Philip Freriks als straf voor
het feit dat zij haar brood verdiende met lichte zeden. Enfin, in totaal werden in de vrije koloniën zo’n 1400 gezinnen opgevangen.
Het museum is niet erg groot en bestaat uit een aantal kleine gebouwtjes. Wel is het erg charmant. Een expositie en een film die doorlopend afgedraaid wordt nemen je mee door het leven in de kolonies, verder is er nog een daadwerkelijk koloniehuisje en een aantal akkertjes te bezichtigen. In de koffiekamer kun je van een kolonieturf genieten en in het museumwinkeltje zijn genoeg leuke souvenirs en boeken over de Maatschappij van Weldadigheid te vinden. Het meest bijzondere is misschien wel het schattige witte huisje dat zich ook op het terrein bevindt. Hier zijn allerlei leuke geweven en geknutselde artikeltjes te koop die zijn gemaakt door verstandelijk gehandicapten als dagbesteding. Ik koop een mooi kaartje en een vilten uiltje als sleutelhanger. Het sociale idee van de koloniën bestaat nog steeds, maar aangepast en modern - in de vorm van dagbesteding om een functionele en waardige plek in de maatschappij te verkrijgen.
zondag 28 juli 2013
De Wederdopers van Münster
Zaterdagochtend,
half tien. Op een digitaal bordje aan de muur lichten rode cijfers op, die
aangeven welke psalm gezongen moet worden. Het is niet erg druk. Op de voorste
rij bevindt zich een groepje nonnen, verder naar achteren zitten een aantal
oude vrouwen. De mensen gaan staan. Bij de afsluiting van de dienst spreekt de jonge
pastoor zijn wens uit dat iedereen goed door de hete dag komt. Buiten is het
zinderend heet, maar in deze grote kerk is er niets van te merken. De vrouwen zakken
zo goed en kwaad als het gaat even door hun knieën en slaan een kruis richting
het altaar. Daarna verlaten ze één voor één de kerk.
De
Lambertikirche in de Duitse stad Münster, op ongeveer twee uur rijden vanaf de
stad Groningen, is van oudsher een stads- en marktkerk. Dit heeft te maken met
de locatie van de kerk: deze ligt op een snijvlak van zowel de verschillende
markten als de verschillende handelsroutes van deze, toen al, belangrijke
handelsstad. Kooplieden financierden rond 1375 de bouw van dit godshuis, om een
tegenhanger van de oppermachtige Dom te creëren. Het is voornamelijk een
laatgotisch gebouw, opgetrokken uit zandsteen uit de naburige plaats
Baumbergen. Je zou uren langs de buitenkant kunnen lopen en je verwonderen over
het weelderige bouwwerk, de vele figuren en symbolen die er te zien zijn. Toch
verschilt de kerk niet veel van alle andere gotische gebouwen die er in
west-Europa te vinden zijn.
Wat is er dan zo bijzonder aan de kerk? Het
antwoord is te vinden als je naar boven kijkt en omhoog tuurt: de drie ijzeren
kooien die aan de hoge toren hangen. De aanblik van deze kooien laat je meteen
weten dat hier iets ergs is gebeurd. En, net als zo vaak in de geschiedenis van
de stad Münster, speelt ook Nederland een rol in deze ijzingwekkende episode.
In 1523
sprak zich in het Zürich voor het eerst iemand uit voor de volwassenendoop. Het
was de leider van de Reformatie in Zwitserland, Ulrich Zwingli. Hoewel hij
later zelf zijn standpunt herzag, had hij al vele mensen beïnvloed. De eerste
doperse gemeentes begonnen te ontstaan. Zij kregen de naam anabaptisten, of
wederdopers. Deze nieuwe stroming binnen de reformatie verspreidde zich via
Duitsland ook naar Nederland, door onder andere Melchior Hoffman en Jan Matthys.
In 1533 leerde Jan Matthys de kleermaker Jan van Leiden kennen en doopte hem. Daar
bleef het niet bij: hij werd benoemd tot apostel om de boodschap van de
wederdopers te verkondigen.
Jan van
Leiden moet een kleurrijk man zijn geweest. Naast kleermaker en apostel was hij
ook nog eens herbergier, zanger, rijmdichter, toneelspeler en trotse echtgenoot
van maar liefst zeventien vrouwen. Waarschijnlijk heeft hij ook nog eens
eigenhandig eentje onthoofd. Haar pantoffel is nog te zien in het Rathaus van
Münster.
Ondertussen
hadden de wederdopers in Münster een meerderheid in de gemeenteraad gekregen en
werd de stad tot een anabaptistisch bolwerk gemaakt. Beide Jannen wisten het tot
leiders van de stad te schoppen. Toen Jan Matthys begin april 1534 om het leven
kwam, bleef Jan van Leiden als enige over. In september nam hij de titel ‘koning’
aan, en stichtte het theocratische koninkrijk ‘Sion’. Met behulp van twaalf
zogenaamde apostelen, een stadhouder en een rijkskanselier wist hij een
schrikbewind te voeren. Verzet eindigde vaak in bloed. In het koninkrijk werden
alle boeken met uitzondering van de bijbel verbrand, en er werd een gemeenschap
van goederen ingevoerd. Daarnaast heerste er ook geen verbod meer op polygamie.
Op overtreding van de tien geboden stond de doodstraf. Er heerste een heftige
hongersnood terwijl de wederdopers een apocalyps verwachtten. Jan had zoveel mooie dingen beloofd als apostel, maar er kwam
niets anders van terecht dan dood en verderf.
Het was
dus alweer snel afgelopen met de pret. In juni 1535 namen de troepen van de
bisschop en de landgraaf van Hessen de stad in, na harde gevechten met de wederdopers.
Jan werd gevangen genomen en als een bezienswaardigheid door het land gevoerd. In
januari 1536 werd hij met twee van zijn medestanders doodgemarteld. Hun lijken
werden ter afschrikking in kooien geplaatst en aan de kerktoren gehangen. Daar hebben
ze ruim 49 jaar liggen wegrotten.
Bijna 478 jaar later hangen
de kooien er nog steeds. De boodschap is nog altijd even duidelijk als al die
jaren geleden: aan de Kerk valt niet te twisten, niet te spotten, niet te
winnen. De nonnetjes schuifelen de warme zonnestralen tegemoet. Boven hen
hangen de dreigende kooien. En hoewel de temperatuur de dertig aantikt, voel ik
een rilling over mijn rug lopen.
Abonneren op:
Posts (Atom)
