maandag 7 juli 2014

Langs het Boterdiep: van Noordwolde naar Onderwierum

Deze zomer reis ik langs het Boterdiep van Groningen naar Uithuizen en zal verslag doen van alle mooie en bijzondere plekken die ik onderweg tegenkom. Mijn doel is om te laten zien dat ook dichtbij huis prachtige plaatsen te vinden zijn, allen met hun eigen verhaal. Deze keer blog ik over het derde gedeelte: van Noordwolde naar Onderwierum.

Ik laat Noordwolde achter me door een eenzame, kaarsrechte weg westwaarts te nemen. Het enige wat ik passeer is het voetbalveld van Noordwolde, en een aantal vriendelijke koeien die ik begroet met ‘Dag, dames’. Uiteindelijk kom ik uit op de Wolddijk, een lange weg die feitelijk van Noorderhoogebrug tot iets ten noordwesten van Bedum loopt. Daarna gaat de dijk door in oostelijke richting, boven Bedum langs, naar het Kardingermaar en van daar in zuidoostelijke richting naar Oosterdijkshorn bij Ten Boer. Ik zal de Wolddijk tot Westerdijkshorn, ten noordwesten van Bedum, volgen, en neem er dan afscheid van.

Men begon in de vroege Middeleeuwen met de aanleg van de dijk. Na aanleiding van de toenemende ontginning in het Woldgebied, zakte het maaiveld destijds zo’n drie meter en stroomde het vol water dat vanuit het noorden het land binnendrong. Niemand minder dan de heilige Walfridus himself kwam, volgens de overlevering, met het idee een dijk te bouwen. Walfridus, ook wel Wolfryt genoemd, leefde in de tiende of elfde eeuw, en was een welbekende inwoner van Bedum. ‘Wij noorderlingen’ kennen de naam over het algemeen wel als zijnde van de scheve kerk in Bedum. Walfridus zou het christendom naar het noorden van Groningen hebben gebracht, en zou nu dus ook nog een begin hebben gemaakt met de waterkering rondom Bedum. De Wolddijk anno 2014 is omzoomd door hoge bomen en hier en daar staan huizen of boerderijen. Onderweg kom ik langs een enorme, chique oprijlaan, met aan weerszijden pilaren waar ‘Alma’ en ‘Bedum’ op staan geschilderd. Ik tuur in de verte en zie dat de oprijlaan naar een grote, chique boerderij leidt. De huidige boerderij stamt uit de negentiende eeuw en staat op een stuk grond waar vroeger de Almaborg heeft gestaan, een zeventiende-eeuws huis met hoogstwaarschijnlijk nog oudere fundamenten. Ik stap af om wat foto’s te maken. De groene weilanden en blauwe lucht geven een mooi plaatje, maar de hitte doet de horizon sidderen.

De Wolddijk.

Almaborg.

Oprijlaan Almaborg.

Wolddijk.

Ik passeer het spoor en kom dan in Westerdijkshorn terecht. Het kerspel Dijckshorne werd in de dertiende of veertiende eeuw gesticht. Een kerspel was de kleinste politieke eenheid waarbij de kerk het centrale punt was. De kerk stond op een opgeworpen wierde aan de zuidkant van het dorp. Hier is helaas geen enkele afbeelding van bewaard gebleven. Op het kerkhof werd in de vijftiende eeuw een vrijstaande klokkentoren gebouwd. De toren is meerdere malen van ellende in elkaar gestort en ontelbare keren gerenoveerd, maar hij staat nog steeds. In de toren hangt een klok die stamt uit 1658. De kerk zelf is in 1802 afgebroken, waardoor het schaarse aantal inwoners zich over de kleine boerenweggetjes richting Onderwierum moesten slepen om de dienst bij te wonen.

De overgebleven toren is niet moeilijk te vinden. Het is een vreemd gezicht, zo’n hoge statige toren, midden in de landerijen. Eromheen lopen schapen en kippen, vermoedelijk om het wilde gras kort te houden. Ze staan bovenop eeuwenoude graven en kijken me bevreemd aan. Langzaam fiets ik verder. 


Westerdijkshorn.

Schapen en kippen grazen rustig.

Er staan in Westerdijkshorn nog een redelijk paar huizen langs het weggetje, de één nog mooier dan de ander. Dan houdt het opeens op en is er niets meer. Ik fiets parallel aan het Boterdiep, noordwaarts. Om mij heen het mooie, platte groene land, en daarboven een schilderachtige lucht. Een klein fietsbordje wijst me de weg naar Onderwierum, ooit een dorp, nu niets anders meer dan een historische begraafplaats. Ik kijk om mij heen maar zie niets. Geen cluster van huizen, geen wierden, niets. Het bordje wijst richting een weiland met wat bossen. Ik parkeer de fiets en bagger door het gras, waar ik een vriendelijke, loslopende pony passeer. Dan opeens gaat het graspad over in een bruggetje, waarna je opeens midden in het bosje staat. Ik loop door een hekje en opeens ligt daar voor me een kleine wierde. Alleen deze verhoging mocht blijven; de rest van de wierde is na het teloor gaan van het dorp afgegraven. Onleesbare grafstenen, uitsluitend uit 18e en 19e eeuw liggen in een ietwat vreemde volgorde verspreid over het gras. In het midden is niets. Hier stond het kerkje dat in 1840 is afgebroken. Een informatief A4’tje in een plastic mapje ligt onder een kei op een verweerd bankje. Er heerst een vredige rust. Op de grafzerken staan de meest prachtige (familie)wapens afgebeeld, waarbij, vreemd genoeg, veel paarden voorkomen. Het is moeilijk te geloven dat hier eens genoeg mensen woonden om een kerkje te vullen. 

Het pad naar de historische begraafplaats.

Begraafplaats Onderwierum. De kerk is verdwenen.

Enkele grafzerken te Onderwierum.
Westerdijkshorn en Onderwierum zijn slechts twee voorbeelden van verdwenen dorpen in Groningen. Hoewel de meeste dorpen in onze provincie zijn verdwenen door overstromingen, behoren deze twee tot een andere categorie. Dit zijn de dorpen die vanaf hun stichting al weinig tekenen van levensvatbaarheid toonden. Vanaf de Middeleeuwen was er meestal al sprake van achteruitgang en leegloop. Het kerkje werd te weinig bezocht om te kunnen worden onderhouden en werd als gevolg gesloopt, waarna ook de wierde werd afgegraven om de vruchtbare grond elders te gebruiken.  

Ik verlaat het bosje en loop naar mijn fiets. Tijd om weer dichter naar het Boterdiep te gaan.

vrijdag 27 juni 2014

Langs het Boterdiep: van Zuidwolde naar Noordwolde

Deze zomer reis ik langs het Boterdiep van Groningen naar Uithuizen en zal verslag doen van alle mooie en bijzondere plekken die ik onderweg tegenkom. Mijn doel is om te laten zien dat ook dichtbij huis prachtige plaatsen te vinden zijn, allen met hun eigen verhaal. Deze keer blog ik over het tweede gedeelte: van Zuidwolde naar Noordwolde.

Inderdaad, dit is slechts een etappe van een kilometer, maar in die kilometer is er van alles te beleven. Ik verlaat Zuidwolde in noordelijke richting, langs het Boterdiep richting de Krimstermolen. De molen kun je van verre al zien staan; het is de grootste poldermolen van de provincie Groningen. In 1816 werd de Oostelijke Bedumerpolder gesticht, wat nu bekend staat als het Reidland, waarbij drie molens werden gebouwd. De oprichting van een stoomgemaal leidde tot de afbraak van twee molens. De Krimstermolen mocht als enige blijven staan, maar brandde in 1903 af. Binnen een jaar herrees de molen uit haar as; daarom wordt de Krimstermolen ook wel de Feniks genoemd. Eind jaren ’60 raakte de molen definitief buiten gebruik en in verval. Als reactie op deze jammerlijke ontwikkelingen werd de molen verplaatst naar zijn huidige plaats; aan de oostzijde van het Boterdiep bij het Casper Hommesgemaal. De afgelopen jaren is de molen onderhevig aan restauratiewerk.


De molen kijkt trots uit over het omliggende landschap; de groene weilanden, blauwe luchten en de kerktorens in de verte. Het Boterdiep is hier bedekt met waterleliebladeren. Een aantal mannen zit te vissen aan de voet van de molen. De meesten kijken verbaasd op als ik mijn fiets parkeer en foto’s begin te maken van de omgeving. Blijkbaar is de aanwezigheid van een niet-vissend persoon ongewoon. Eentje is volledig gehuld in oranje, alsof hij het ophanden zijnde wereldkampioenschap voetbal alvast gezamenlijk met de Boterdiepse vissen wil vieren. Een aantal hekken rondom de molen tonen aan dat de restauratiewerkzaamheden nog steeds gaande zijn. In de zuidoostelijke veldmuur bevindt zich een gevelsteen met opschrift uit 1977,  na de verplaatsing van de molen. Ik lees: Eertijds gebouwd in Riedlands dreven / Ben ik van daar naar hier verdreven / Het werken was mij daar ontzegd / Daar de boezem werd verlegd / Thans werk ik aan het Boterdiep / Waar men een nieuwe plaats voor mij schiep.


De Krimstermolen staat in het gehucht Plattenburg. Waarom Plattenbrug een status als ‘gehucht’ heeft is mij onduidelijk, want er staat vrijwel niets meer. Ooit heeft er nog een steenfabriek gestaan, maar die is in 1918 afgebroken. De ligging van de fabriek aan het Boterdiep was uiteraard ontzettend handig, en het was niet de enige steenfabriek die het Boterdiep heeft gekend. Verder liggen aan weerszijden van het diep ook nog de gehuchten Ellerhuizen en Willemstreek. Ellerhuizen is een buurtschap dat begint bij de oostzijde van Boterdiep en zo’n 2.5 kilometer in noordoostelijke richting doorloopt. Langs deze Ellerhuizerweg staan een aantal boerderijen en huizen. Het buurtschapje wordt voor het eerst genoemd in 1384 als Aylardahusum en Aylardahuzum, gelegen in de parochie Bedum. Dit betekent dat er een kerk moet hebben gestaan. Dit werd bevestigd toen er in 1841 bij een bepaalde boerderij een aantal fundamenten en skeletten zijn gevonden. De buurtschap Willemsstreek ligt aan de westzijde van het diep en wordt tot Noordwolde gerekend.

Noordwolde ligt niet direct aan het Boterdiep, maar op zo’n kilometer afstand. Hierdoor heeft het dorp waarschijnlijk niet een soortgelijke omvang zoals Zuidwolde gekregen, omdat een vaarweg altijd een belangrijke factor is in de groei van een dorp. Het kent welgeteld drie straten en hoewel de Eemshavenweg er vlak aan langs raast, is het in het dorpje bijzonder rustig. De verzengende hitte zorgt dat veel mensen binnen zijn en de gordijnen dicht hebben. Het middeleeuwse dorp heeft ooit in een bosachtig gebied gelegen, en was waarschijnlijk ooit groter dan het nu is. Zo had Noordwolde ooit eens een openbare school, die in 1933 opdoekte. Ook kende het dorp verschillende borgen, zoals Widdama, Thedema en Mensema. Deze borgen zijn in de loop der tijd echter tot boerderijen verworden.


Hoewel de huisjes schattig en de tuinen fleurig zijn, trekt de kerk, die te midden van het dorp staat, toch echt de meeste aandacht. Of beter gezegd, de toren van de kerk. Na enig worstelen met het hekje loop ik het omheinde kerkhof op. Het is de enige toren in de provincie Groningen die uivormig is en bijna Russisch aandoet. In het Gronings wordt deze karakteristieke spits dan ook wel ‘de siepel’ genoemd en is zo groot dat er wordt gezegd dat er wel vijftien mensen in kunnen plaatsnemen. De vierkante toren zelf is, net als het romano-gothische schip, in de 13e eeuw opgetrokken. Beide delen werden in 1639 met elkaar verbonden. In die tijd werd ook de siepel toegevoegd. 



Ik wandel bewonderend rondom het kerkje. Er liggen nog enkele oude, doch goed onderhouden graven in het gras. In een hoekje groeien wilde bloemen, zoals een prachtige witte akelei. In de muur staat gemetseld: ‘anno 1639 gerestaureerd’. Deze restauratie was het gevolg van de reformatie. Nu er protestantse erediensten werden gehouden, moesten de kerkgangers zelf hun bijbel kunnen lezen. Daarvoor bleek het te donker te zijn binnen, en moesten de vensters worden vergroot. Dit is nog duidelijk te zien in de dichtgemetselde ingangen en ramen die over de muren zijn verspreid. De deur zit helaas dicht, waardoor ik niet het andere hoogtepunt van de kerk kan zien; het orgel. Al in de 1581 werd er melding van gemaakt. Het huidige orgel is voor een groot deel 17e-eeuws en door de eeuwen heen door verschillende grootmeesters gerestaureerd. Gelukkig komt er echter, de gehele tijd dat ik over het kerkhof rondloop en in de schaduw van de bomen zit, prachtige orgelmuziek uit de kerk. 






zaterdag 21 juni 2014

Langs het Boterdiep: Van Groningen tot Zuidwolde

Hoewel ik vorig jaar al een beginnetje heb gemaakt met dit project, ga ik er deze zomer serieus mee bezig: ik reis het Boterdiep af van Groningen naar Uithuizen en zal verslag doen van alle mooie en bijzondere plekken die ik onderweg tegenkom. Mijn doel is om te laten zien dat ook dichtbij huis prachtige plaatsen te vinden zijn,  allen met hun eigen verhaal. Deze keer blog ik over het eerste gedeelte: van Groningen naar Zuidwolde.

Het is een zonnige dag wanneer ik besluit om het eerste gedeelte van mijn tocht langs het Boterdiep te fietsen. Hoewel het Boterdiep slechts 25 kilometer lang is, heb ik mijn tocht opgedeeld in verschillende etappes. Ik fiets natuurlijk niet altijd pal naast het kanaal, maar juist via mooie weggetjes en bezienswaardigheden, waardoor de fietstocht aanzienlijk langer is. Ik begin in de stad Groningen, want hier bevindt zich het oudste gedeelte van het Boterdiep, het stuk tussen Groningen en Bedum.

Tussen deze twee plaatsen lag begin 17e eeuw de Bedumer Cleiweg. Naast dit pad werd in 1611 de zogenaamde Cleysloot uitgegraven voor de groter wordende scheepvaart tussen stad en ommelanden. De Cleysloot en het zuidelijk gedeelte van het Selwerderdiep werden samengevoegd en verder getrokken naar de Nieuwe Ebbingepoort. Wat nu het nu Gedempte Boterdiep in Groningen is, was destijds bedoeld als binnenhaven voor de aanvoer van landbouw- en veeteeltproducten uit de noordelijke ommelanden, met name de transport van melkproducten. Inderdaad, vandaar de naam Boterdiep. Een aantal jaren terug is er bij het Gedempte Boterdiep archeologisch onderzoek gedaan en zijn er bijzonder veel archeologische overblijfselen gevonden zoals munten, aardewerk, botten, glazen, metaal, hout en zelfs schoenresten. Het kanaal ging onder de stadswal door richting Noorderhoogebrug. Tegenwoordig begint het Boterdiep hier; bij het Van Starkenborghkanaal.


Noorderhoogebrug was in de 17e eeuw een plaats los van de stad Groningen. Volgens historicus Remi van Schaïk heeft de plaats nooit echt een dorp gevormd, maar bestond het slechts uit een aantal huizen rondom een brug. Nu ik er anno 2014 langs fiets, is Noorderhoogebrug opgeslokt door de immer uitbreidende stad. De wijk Beijum strekt zich bijvoorbeeld nog ver ten noordoosten van Noorderhoogebrug uit. Het gezicht wordt nu bepaald door grote N-wegen zoals de Groningerweg en de Noordzeeweg. In 1969 is het dorp dan ook gemakshalve overgegaan tot de gemeente Groningen, terwijl het eerst deels tot de gemeente Bedum en deels tot de gemeente Noorddijk hoorde.

Bij Noorderhoogebrug konden de 17e-eeuwse vrachtschepen die van de stad naar het noorden wilden, niet doorvaren. Reden voor dit obstakel was de aanwezigheid van een dijk. De vrachtschepen werden over deze dijk getrokken en konden dan via het Zuidwoldermaar verder varen. Deze overtocht, of overtoom, werd in 1616 weggehaald en zodoende werden het Zuidwoldermaar en de Cleysloot met elkaar verbonden.

Hoewel het kanaal in eerste instantie voor goederentransport was bedoeld, werd het later ook voor andere doeleinden gebruikt. In de 17e  en 18e eeuw kwam de trekvaart op, waarmee ook personen vervoerd konden worden. In 1773 bemerkte de overheid enige ‘ingesloopene misbruiken by de provinciale trekveren’. Men moest in Groningen een ticket kopen om mee te varen op de trekschuit, maar als je pas in Noorderhoogebrug op de trekschuit stapte kon je gratis mee tot aan Onderdendam. Het was wel duidelijk dat iedereen naar Noorderhoogebrug wandelde en daar de trekschuit op ging. Om dit probleem op te lossen werd de prijs van Groningen naar Noorderhoogebrug gehalveerd en het vervoer van Noorderhoogebrug naar Zuidwolde duurder gemaakt. De trekschuiten op het Boterdiep waren een populair middel van openbaar vervoer.


Het moment dat ik Groningen uit fiets, zie ik het plaatsnaambordje van Zuidwolde al staan. Het dorpje is nog niet, zoals Noorderhoogebrug, tot de stad gaan behoren – maar de stad komt inmiddels wel héél dichtbij. Een weiland met twee schapen is het enige wat de twee nog scheidt. Hoewel Zuidwolde bijna tegen Beijum aangegroeid is, merk je er niets van dat de stad zo dichtbij is. Dwars door het dorpje loopt het Boterdiep. Aan weerszijden van het water staan de prachtigste huizen, hun tuinen volop in bloei. Ouderen fietsen twee aan twee langs het Boterdiep, er passeren wat auto’s en je hoort blije kinderstemmetjes dat zonder meer te maken heeft met het heerlijke weer. Aan het diep liggen de hervormde kerk en de bekende snackbar en café Moeke Vaatstra, waar passanten stoppen voor een kopje koffie. Ik parkeer mijn fiets en wandel door het dorp.

Boven: Zuidwolde ligt voor me, achter me de laatste huizen van Beijum. Onder: Het slootje en weilandje dat Beijum en Zuidwolde scheidt.

Linksboven: Moeke Vaatstra. Rechtboven: Een meerkoetje. Onder: Boterdiep in Zuidwolde.

Het dorp Zuidwolde ontstond rond het jaar 1000, toen de bewoners van dit gebied de Wolddijk hadden aangelegd. Op dit nieuw ontgonnen gebied verschenen verschillende nederzettingen, waaronder het dorpje Zuudwol. Voordat dit gebied werd omdijkt, had het regelmatig last van overstromingen. Het woord ‘wold’, wat een moerassig veenbos betekent, herinnert hier nog steeds aan. Ik loop richting de kerk. De kerk is ook één van de oudsten van de provincie en rond 1050 gebouwd. Het oudste gedeelte bestaat uit tufsteen, maar het koor is uit baksteen opgetrokken. In de muren zie je dichtgemetselde spitsboogvensters en ook een dichtgemetselde deur. Deze deur was vroeger voor de vrouwen, aangezien zij niet door dezelfde deur mochten als de mannen. Misschien is dat de reden dat vrouwen en mannen vaak nog steeds niet door één deur kunnen, maar dat terzijde. Halverwege de negentiende eeuw werd het koor afgebroken, omdat het verkeer langs het Boterdiep intensiever werd en de trekweg verbreed moest worden. Op de toren staat een windvaan in de vorm van een zwaan. Één van de collatoren, Grevingh, had een zwaan als familiewapen. De zwaan zag ik ook op één van de paar oude grafzerken die rondom de kerk verspreid liggen. De grond is hobbelig. Ongetwijfeld liggen hier nog meer mensen begraven. Ik veeg wat bladeren van een zerk en er komen stenen vlinders tevoorschijn, een vaak gebruikt symbool op graven hier in het noorden. Bij een restauratie in 1999 bleek dat er ook in de kerk grafzerken lagen. Toen de houten vloer werd weggehaald bleek het middenpad van de kerk verstevigd te zijn met zevenentwintig grafzerken.

De kerk van Zuidwolde

De zwaan

Boven: Een paar oude grafstenen in Zuidwolde, waaronder een doodshoofd en zwaan. Onder: Boterdiep.

Naast de kerk glinstert het water tevreden. Er liggen wat bootjes rustig te dobberen naast kleine houten steigertjes. Ik wandel rustig terug en ga nog even op een picknickbankje bij Moeke Vaatstra zitten. Terwijl er een speedbootje door het Boterdiep scheurt sla ik mijn ‘Religieus Erfgoed in de provincie Groningen’ open; een boek dat inmiddels een beetje mijn bijbel is geworden. Daarin lees ik het interessante weetje dat de inwoners van Zuidwolde vroeger zuurkoolvreters werden genoemd. Dat moest ik opzoeken natuurlijk. Op een website vond ik dat in de geschiedenis van Zuidwolde landbouw een grote rol speelde – met name  de productie van ‘boeskool’ (witte kool), waarvan in Bedum dan zuurkool werd gemaakt. Het Boterdiep fungeerde als een belangrijke infrastructurele factor. Er blijkt ook een daadwerkelijk beeld te staan - genaamd ‘de Boeskoolboer’. Het staat symbool voor de Zuidwoldenaren die jarenlang verbonden waren aan dit koolgewas. Jammer genoeg heb ik het monument niet gezien (als u op zoek wilt gaan: het monument staat aan de Koolstraat - verrassend).

Boterdiep

Wanneer ik terugloop naar mijn fiets, komen schoolkinderen met grote rugzakken voorbij die langs het Boterdiep naar huis fietsen. Intussen verzamelen zich ook steeds meer oudjes om een ijsje te halen bij Moeke Vaatstra. Ik werp nog één laatste blik op die mooie kerk aan het water. De lucht achter de toren is strakblauw en ik moet denken aan een gedichtje van dominee Schuur over de toren. Ik glimlach. Vanavond eet ik maar zuurkool.

Mijn toren

Achter in de tuin staat mijn toren
hij slaat mij dag en nacht uur en half uur
luidt mij op zondag naar de kerk
vingerwijst omhoog naar de hemel
herinnert mij aan de wereld ánders
Achter in de tuin staat mijn toren
uitroepteken van mijn leven.


Boterdiep

woensdag 28 mei 2014

Thanks for all the good craic!

Het zit erop. Vijf maanden heb ik gewoond, gestudeerd en gereisd in Ierland. En nu is het tijd om mijn koffers te pakken en deze wereld achter me te laten.

Je kunt veel opbouwen in hele korte tijd. Toen ik op 2 januari afgezet werd voor mijn nieuwe woning, in mijn nieuwe stad, had ik nog niets. Ik kende er niemand, ik kende de weg niet, ik wist niet waar de supermarkten zaten, waar de universiteit was. En nu zit ik hier, in een kamer vol posters en foto’s en kaartjes, die ik niet meer uit mijn leven weg kan denken, met een groep supergoede vrienden, mijn hoofd vol fijne herinneringen, in een stad die ik zo goed heb leren kennen. Om dit achter me te moeten laten, is een heel dubbel gevoel. Aan de ene kant ben ik blij mijn familie en vrienden weer op reguliere basis te kunnen zien, aan de andere kant ben ik heel verdrietig ‘mijn’ Ierland en haar bevolking achter te moeten laten. Want ik weet, deze wereld krijg ik nooit meer terug. Ik kan terugkeren naar Ierland, en Cork, dat gaat vast en zeker ook nog vaak gebeuren, maar mijn leven zoals die nu is – mijn vriendenkring, mijn kamertje – krijg ik nooit meer op die manier terug.

Het is een super tof, vreemd, wild, gek, en geweldig avontuur geweest, om een nieuwe wereld op te bouwen ‘from scratch’. Het is bij tijd en wijle ook heel verwarrend geweest. Je leeft altijd in ‘twee’ werelden; ook al ben ik in Cork, er is ook nog een wereld in Nederland. Een vriendin hier zei ooit tegen mij: je wilt altijd beide, maar het valt nooit te mixen, en dus ben je nooit helemaal 100 procent tevreden. En dat klopt. Ik vond het heerlijk hier te wonen, maar ik miste mijn familie. En dat zal andersom ook zo zijn. Verder heb ik geen idee hoe mijn ‘re-integratie’ in Nederland zal gaan verlopen. Ik heb van veel mensen gehoord dat de omgekeerde cultuurshock nog veel erger is dan de shock begin januari; want niemand bereid je voor op het feit dat je straks je eigen land of cultuur niet goed meer herkent, of dat je alles met Ierland gaat vergelijken.

Ierland is een bijzonder land, waarmee ik voor altijd een binding zal houden. De mensen zijn geweldig, goedgehumeurd, vol humor, en een diepgewortelde liefde voor hun eigen land. Ik las eens een boek van een Engelsman die Ieren ‘the eighth walking and talking wonder of the world’ noemde, en ik begrijp hem heel goed. Ieren houden van sociaal doen, van praten, van grootse verhalen. Ze kennen al hun mythes en geloven er nog heilig in ook. Ze zijn gastvrij en behulpzaam en dat heb ik zeker gemerkt. Je voelt je snel op je gemak. Ik heb me nooit bang of onveilig gevoeld – geen seconde.

Het is ook een land van spectaculaire, uiteenlopende, oogverblindende landschappen. De natuur is hier de baas. De zee is alomtegenwoordig. Ik ben zo gelukkig geweest vele van deze landschappen bezocht te hebben. De groene heuvels, de gele zandstranden en de azuurblauwe zee in het zuiden, de grijze, stenen woestijn in het westen, de gure, paarse bergen in het noordwesten, de bossen in het westen en meren in het midden. Alles heeft zijn eigen charme, alles is prachtig op hun eigen manier. Ierland is ook een land waar geschiedenis altijd dichtbij is. Kerken, kastelen, ruïnes, round towers, afgebrokkelde huisjes en verlaten dorpjes – ze staan overal, te vergaan van eenzaamheid.

Ierland is het land waar je bij álles patat geserveerd krijgt, ongeacht of het nu een curry, een lasagne of een wok is. Het land waar mijn geliefde campus ligt, en waar de docenten Airmax dragen. Waar mensen netjes in lange rijen voor de bus staan, in plaats van je omver te drukken. Waar publife bestaat uit traditionele muziek luisteren, en een krantje lezen. Het land van Jameson en Murphy’s. Waar altijd alles zeven dagen per week open is. Het land van schapen. Het land van de Tesco,  Supervalu, Dealz en Penneys. Het land met de meeste kleuren groen. Het land dat trots is op haar eigen cultuur en sport; hurling, Gaelic football. Het land met overstromingen en dieptriest watermanagement. Trieste tv ook, zo keek ik eens uit arren moede een realityshow over de katholieke Father Bill die verslaafd was aan cola. Het land van Bus Eireann en Ianrod Eireann. Het land waar plaatsnamen op drie manieren gespeld worden. Het land waar in april nog rustig kerstversiering kan hangen. Het land waar koeien over historische overblijfselen stampen. Het land waar een dorp nog steeds prestige kan hebben door ooit eens in 1981 als meest ‘Tidy Town’ van Ierland uitgeroepen te zijn. Het land waar mensen mijn naam uitspreken als ‘Sannie’, wat zo lief klinkt.

Het land met plaatsnamen zoals Sneem, Skull, Dromoland, Porridgetown, Currywongaun, New Twopothouse, Letterfrack, Cong, Newtownshandrum, Buttevant, An Gort, Oughtmama, Corkscrew Hill, Ballylickey, Hollywood en Kill. Het land met bergketens genaamd Maumturk Mountains en de MacGillycuddy Reeks.

Ierland, het land waar ik zo verliefd op ben geworden. Ierland, ik ga je missen.

May the road rise up to meet you
May the wind be always at your back
May the sun shine warm upon your face
The rains fall soft upon your fields 
And until we meet again
May God hold you in the palm of His hand.
- Traditioneel Iers zegen.

De sky (ja, inderdaad, ik weet het Nederlandse woord niet meer) vanaf mijn balkon was elke dag weer een cadeautje...










maandag 26 mei 2014

Noord-Ierland

Klik op de foto's om ze te vergroten!

Afgelopen woensdag vertrokken Arieke en ik naar Noord-Ierland, wat onze laatste reis tijdens ons studieverblijf in Ierland zou zijn. Het beloofde een lange reis te worden, van het uiterste zuiden naar het verre noorden. Oké, Ierland is dan maar 2.5 keer zo groot als Nederland, maar de afstanden lijken veel groter vanwege de reisduur. De infrastructuur is ronduit slecht, en OV is helemaal een ramp. Daarom duurde onze reis van Cork naar Belfast welgeteld 6.5 uur (!). Eerst 2.5 uur naar Dublin, vervolgens 1.5 uur overstaptijd om met de tram van het ene naar het andere station te komen, en nogmaals ruim 2 uur van Dublin naar Belfast. Dit is voor het eerst in vijf maanden dat we buiten de Republiek Ierland zijn geweest: Noord-Ierland is immers buitenland, want het hoort bij het Verenigd Koninkrijk, heeft geen euro's maar ponden, en staat onder gezag van Queen Elizabeth.

Onderweg; de trein van Dublin naar Belfast gaat langs de kust

Even een korte geschiedenisles om de situatie wat duidelijker uit te leggen. Vanaf ongeveer de zeventiende eeuw kreeg het protestantse Verenigd Koninkrijk steeds meer interesse in dat achtergestelde, katholieke eiland dat naast hen lag. Uiteraard waren de manschappen van het VK veel sterker dan die van Ierland, en binnen no-time hadden zij het eiland veroverd. Dit leidde tot een eeuwenlange onderdrukking en discriminatie van de katholieke, Ierse bevolking. Veel protestanten werden vanuit het VK naar Ierland gestuurd om zich er te vestigen, de landerijen te veroveren, en de Ierse bevolking het protestantisme op te leggen. Het waren met name presbyteriaanse Schotten die de oversteek maakten, en zich vestigden in het noordelijke gedeelte van het eiland. Langzamerhand werd de meerderheid van het noordelijke gebied protestants. In 1922, toen de Ieren na eeuwen vechten voor vrijheid eindelijk onafhankelijkheid kregen, mochten de afzonderlijke counties (soort graafschappen) stemmen of ze bij de nieuwe, onafhankelijke Republiek Ierland wilden horen, of bij het Verenigd Koninkrijk wilden blijven. Logischerwijs wilden de zes noordelijkste graafschappen, waarvan de meerderheid afstamt van de oorspronkelijke protestantse immigranten, bij het VK blijven. Deze zes graafschappen werd samen als 'Noord-Ierland' aangeduid, en werd dus een provincie van het Verenigd Koninkrijk, net als Schotland, Wales en Engeland. De andere 26 graafschappen vormden samen de Republiek Ierland. In Noord-Ierland woedde vanaf eind jaren '60 tot eind jaren '90 een bloedige burgeroorlog, beter bekend als 'the Troubles'. De katholieke minderheid werd ernstig onderdrukt door de protestantse overheid, wat leidde tot demonstraties. Iedereen is wel bekend met termen als de 'IRA' en 'Bloody Sunday'. Sinds 1998 is er een vredesakkoord getekend, maar alsnog zijn er regelmatig ongeregeldheden in steden als Derry/Londonderry en in Belfast.
 Kortom: het eiland Ierland bestaat uit twee landen, de Republiek Ierland, en Noord-Ierland, een provincie van het Verenigd Koninkrijk. Meteen na aankomst waren er al verschillen te zien. De wegen waren schoon, de borden hadden zin, geen dronken mensen op elke straathoek. Het deed er georganiseerd aan - daarmee was het duidelijk dat we de Republiek achter ons hadden gelaten en in het VK waren beland. Het was ook reden voor een feestje: het was officieel de 10e keer dat ik het VK bezocht, en nu heb ik álle delen gezien.

Onder: Queen's College, Belfast

De tweede dag zijn we Belfast gaan verkennen. De stad was een stuk kleiner dan ik verwachtte; waar je in de stad ook stond, overal kon je de groene heuvels eromheen zien. Verder deed het erg Brits aan in bepaalde opzichten. De mensen zijn er een stuk afstandelijker dan ik gewend ben in de Republiek! De stad heeft ook niet heel veel sightseeing-dingen, daarvoor kun je beter naar Dublin gaan. Echter, de grote toeristische trekpleister van Belfast is in één woord samen te vatten: Titanic. De Titanic is hier gebouwd voor het naar Southampton en Cobh voer, en alles in de stad staat in het teken van de Titanic. De winkels; de restaurants; de eettentjes (zo kun je een broodje Titanic-burger nemen: Iers rundvlees met ijsbergsla). Álles. Dit culmineert in één enorm museum: de Titanic Experience. Het is een immens museum, dat van buiten op een kruising tussen het schip en een ijsberg lijkt. Het is net nieuw; het museum opende haar deuren in 2012 en kostte zo'n 141 miljoen euro (!). Het is één van de grootste, meest technologisch geavanceerde musea die ik ooit heb gezien. Leuk voor jong en oud; er zit bijvoorbeeld een heuse achtbaan in die je door een nagemaakte scheepswerf voert. Het sloeg al mijn verwachtingen... Helaas kon ik geen (goede) foto's maken binnen; daarom raad ik je aan zeker zelf nog eens heen te gaan (ook als je niet zo geïnteresseerd bent in de Titanic is het super).    

De rest van de middag hebben we door de stad geslenterd en hebben wat gebouwen bekeken. Ook zijn we naar het Ulster Museum en de Botanical Gardens geweest, wat heel erg leuk was! 

Belfast

Belfast

Belfast

Belfast; linksboven zie je het Titanic Museum!

Belfast; Botanische tuinen

Belfast; Botanische Tuinen

Die avond streken we neer in een Libanees eettentje vlakbij ons hostel. De man die ons hielp was een ontzettend blije Libanees die zelf een tijdje bij Eindhoven in de buurt heeft gewerkt en het he-le-maal geweldig vond dat wij Nederlands waren. Hij gaf ons gelijk bijna 50% korting, en maakte de heerlijkste vers gemaakte falafel en handgesneden patat. De falafel serveerde hij met wrap, Libanese salade, en allerlei sauzen én gratis drinken. We schaamden ons een beetje voor deze service en het feit dat we zo weinig hoefden te betalen, dus gaven we flink wat fooi. Toen we de avond erna er weer waren (oh, die falafel...) deed 'ie weer zijn uiterste best (hij bleef maar roepen: meer? meer? drinken! jullie krijgen drinken van mij!) en kreeg ik na het eten ook nog een echte Arabische, mierzoete muntthee. We hebben uitgebreid afscheid genomen van onze vriend met foto's etc. - ik kom er zeker nog eens weer!


De derde dag was het stralend mooi weer. Wat een geluk, want dit was de dag die we hadden uitgekozen om met een busreis naar de noordkust te gaan. Onze eerste stop was de Carrick-a-Rede Ropebridge, een touwbrug op 30m hoogte van het vaste land naar een eilandje voor de kust, Carrick's Island. De eerste touwbrug werd al zo'n drie eeuwen geleden gebruikt door zalmvissers. Aangezien die levensgevaarlijk was, is die brug in 2000 vervangen door een ietwat stevigere brug, en geopend voor toeristen. Er is nog nooit iemand van de brug gevallen, maar wel regelmatig voorgekomen dat bezoekers de terugweg niet durfden en met een boot moesten worden opgehaald! De uitzichten waren spectaculair. Het was helder, wat betekende dat we in de verte de Schotse eilanden konden zien liggen. Overal groeiden wilde bloemen, en de groene landtongen, rotsen, kliffen en gele zandstranden waren geweldig!

Onderweg

Boven: Wat een locatie heeft dat kerkje... Onder: witte en groene kliffen aan de overkant.

Carrick-a-Rede

De touwbrug!

Op de touwbrug!

Op Carrick Island

De volgende stop was de wereldberoemde ''Giant's Causeway''. De Causeway is een bizarre rotsformatie van zo'n 40.000 zeshoekige basalten zuilen. Het is haast niet te geloven dat dit een natuurlijk proces is geweest. Ierland zou Ierland niet zijn als er daarom niet een legende aan vast zit (ja, zelfs in het noorden - deze verhalen bestonden al lang voor de komst van de protestanten). Er was eens een reus, genaamd Finn McCool. Finn was in een vechtlustige bui en besloot zijn Schotse tegenhanger Benandonner te bevechten. Hij bouwde een pad door de zee (de Causeway) naar Schotland. Op het moment dat Finn daar aankomt, ziet hij dat Benandonner nog vele malen groter is dan hijzelf en vlucht terug naar Ierland. Daar aangekomen, achtervolgd door de Schotse reus, vraagt Finn aan zijn vrouw om hem als baby te vermommen. Toen Benandonner hijgend bij McCool's huis aankwam, stelde McCool's vrouw hem voor aan 'haar baby'. Benandonner schrok van de grootte van het kind, aannemend dat de vader van zo'n groot kind vele malen groter zou zijn en rende zo hard als hij kon weer terug naar Schotland. Op zijn vlucht vernielde hij het pad...

Giant's Causeway. Linksonder zie je een Ierse kameel.

Giant's Causeway

We reden via Dunluce Castle terug naar Belfast. Dunluce is nu een ruïne op een klif. Als er door erosie stukken klif afbrokkelen, gaat het kasteel mee. Het werd ooit eens bewoond door de MacDonalls of MacDonald's clan. Onze buschauffeur vertelde dat op een zekere dag de keuken met alle koks en personeel afbrak en in de zee stortte. Het was volgens hem de eerste take-away MacDonald's. Ook vertelde hij dat er ooit een kerkje heeft gestaan die nu overspoeld is door de zee; alleen de kerktoren was nog te zien. Achteraf bleek dit een boei in de vorm van een kerktoren te zijn. Ha ha. 

Boven: 'Verzonken kerk'. Onder: Dunluce Castle.

De vierde en laatste dag hebben we nog wat expositie's in het Ulster Museum bekeken, en een bezoekje gebracht aan de George's Market: een superleuke, gezellige markt met kraampjes die van alles verkopen: van sjaals tot bier, van taartjes tot paëlla. Daarna was het tijd weer op de trein te stappen richting Dublin, en uiteindelijk Cork!