dinsdag 22 juli 2014

Langs het Boterdiep: van Onderdendam naar Stitswerd

Deze zomer reis ik langs het Boterdiep van Groningen naar Uithuizen en zal verslag doen van alle mooie en bijzondere plekken die ik onderweg tegenkom. Mijn doel is om te laten zien dat ook dichtbij huis prachtige plaatsen te vinden zijn, allen met hun eigen verhaal. Deze keer blog ik over het vijfde gedeelte: van Onderdendam naar Stitswerd.

Naast het Boterdiep loopt de vrijwel rechte weg van Onderdendam naar Middelstum. Halverwege staat een verkeersbordje dat naar links wijst. Daar loopt één enkel weggetje, dat in de noordelijke richting tussen de weilanden verdwijnt. Er is niets anders te zien dan groen gras, enkele boerderijen en wat koeien. Dit moet de weg naar Stitswerd zijn. Stitswerd ligt dus niet zoals Onderdendam of Middelstum direct aan het Boterdiep, maar op ongeveer drie kilometer afstand. Ik fiets, met keiharde tegenwind, het weggetje op. Ik hoor een boos geluid naast me en zie een zwaan beschermend haar vleugels om haar jongen slaan terwijl ze me een vernietigende blik toewerpt. Na twee kilometer zie ik nog steeds niets opdoemen in dit weidse landschap.



Ik verwacht ook niet veel; het dorpje zelf heeft immers maar ongeveer 65 inwoners. Met de omliggende boerderijen erbij gerekend kom je op het astronomische inwoneraantal van 120 personen. Plotseling zie ik een groep auto’s langs de kant van de weg staan. In mijn ooghoeken zie ik wat in de lucht bewegen. Het dringt tot me door dat dit een modelvliegveldje moet zijn. Ik passeer een kruising, waarbij er een weg naar Kantens loopt. Voor me doemt een groene cirkel van bossen op in het verder zo lege landschap. Dit is altijd een teken van (vroegere) bewoning. En inderdaad, weldra bereik ik het plaatsnaambordje ‘Stitswerd’, de plaats met de hoogste postcode in Nederland: 9999 XL. Aan mijn linkerhand staat een prachtige boerderij, genaamd de Ockemaheerd. Het woongedeelte lijkt op een Groningse borg, en is opgetrokken uit kloostermoppen. Terwijl ik foto’s maak, dragen de brede oprijlaan, de omringende sloot, de tuin en de ligging van dit huis in grote mate bij aan mijn groeiende jaloezie. Het weggetje draait zich in een bocht het dorpje in, en daar is de kerk al.


Het is druk in Stitswerd. Er lopen veel mensen bij het kerkje, struinen over het kerkhof en scharrelen op straat. De omliggende muurtjes zijn bedekt met fietsen. Op de kerk wappert een vlag in de wind waarop te lezen staat: ‘Quilt Festival Noord-Groningen’. Naast het kerkje zitten twee verkeersregelaars die zichzelf nog maar eens een kopje koffie inschenken uit hun thermosfles. Ik vraag wat er precies aan de hand is. De ene verkeersregelaar is een grote man met lange snor en baard, gehuld in een hemdje en fluoriserend geel hesje, waarbij het me ook niet had verbaasd als hij me verteld zou hebben deel uit te maken van de Hell’s Angels. Hij antwoordt me echter dat er door verschillende dorpjes een quilt festival gaande is, en dat er in de kerk van Stitswerd ook een expositie is te bekijken. Bezoekers fietsen of rijden met de auto van dorp naar dorp om zowel het prachtige Groningse landschap als de gequilte kunstwerken te bekijken – een heel erg leuk initiatief!



De simpele, kleine kerk is gewijd aan patroonheilige st. Joris en ligt op een wierde 2.80 meter boven N.A.P. Daterend uit de eerste helft van de dertiende eeuw, heeft het kerkje meerdere restauraties ondergaan. Een restauratie uit de negentiende eeuw gaf het de opmerkelijke geel geschilderde bepleistering. In 1694 kwam het kerkje in bezit van Reint Jan Lewe van het huis Ewsum te Middelstum. De windvaan die de dakruiter bekroont, herinnert nog steeds aan deze familie: het kent de vorm van een leeuw. Helaas mag ik niet in de kerk omdat ik geen quilt-kaartje heb. Daarom sjok ik over de omliggende begraafplaats die vele oude graven huist en daarnaast zelfs nog steeds in gebruik is, onderhouden door vrijwilligers.  


Ik loop het dorpje in; het is er piepklein. De vijf smalle straten ben je zo door. De huisjes zijn allemaal redelijk oud, ontzettend mooi en vergezeld door fleurige tuinen. Ze staan rommelig door elkaar, alsof iemand daarboven de huisjes zo uit de hemel heeft neer gekwakt zonder rechte lijnen en vormen. Zo schreef Wehester onderwijzer R.G. Rijks over Stitswerd: ‘‘nederige huisjes zijn als ware het zoo los weg uit de hand, in verschillende partijen rond gezet.’’ Er zijn geen voorzieningen meer, alleen woonhuizen. Dit was ooit wel eens anders. In meer glorieuze tijden hadden dorpelingen de keuze tussen maar liefst twee cafés om een bittertje achterover te slaan, terwijl hun kinderen leerden rekenen in de lagere school die ook aanwezig was. Daarnaast bevonden zich in het dorp ook een molen en zelfs een armenhuis. Deze zijn samen met het inwoneraantal ten onder gegaan. Waar in 1849 nog 231 bewoners werden geteld, is dat in laatste jaren gezakt tot een luttele 65. 



Het laatste weggetje dat ik bewandel wordt overslagen door de quilt-gangers en loopt richting een klein haventje dat uitzicht biedt op het kerkje. Het is er stil, op het blije gekwetter van vogeltjes na. Het zonnetje schijnt fel. Het water kabbelt rustig en wordt omringd door hoog gras. Links van mij dresseert iemand een geit in zijn achtertuin. Een oude schommel slingert eenzaam aan een boomtak. Als ik erop zit zie ik niets dan lucht en groene velden, en het watertje dat ertussen kronkelt. Langzaam loop ik terug naar de kerk, waar mijn fiets geparkeerd staat. Mijn ogen valt op een met rozen bedekt prieeltje dat op het veldje naast het kerkhof staat. Op het prieeltje ontwaar ik vier zinnen gegraveerd in het staal, die samen een gedichtje van Jan Boer vormen. Ze kunnen mijn gedachten over het landschap niet beter verwoorden.

De roemte is verheven,
de wereld is zo wied.
En grieze vogels sweven,
hoog boven laand en tied.



 

dinsdag 15 juli 2014

Langs het Boterdiep: van Onderwierum naar Onderdendam

Deze zomer reis ik langs het Boterdiep van Groningen naar Uithuizen en zal verslag doen van alle mooie en bijzondere plekken die ik onderweg tegenkom. Mijn doel is om te laten zien dat ook dichtbij huis prachtige plaatsen te vinden zijn, allen met hun eigen verhaal. Deze keer blog ik over het vierde gedeelte: van Onderwierum naar Onderdendam.

Ik verlaat Onderwierum in noordelijke richting. Onderwierum behoort technisch gezien tot het kleine plaatsje Onderdendam, maar het dorp zelf ligt nog op een dikke kilometer fietsen door snoeiharde tegenwind. Terwijl ik woest op mijn trappers stamp kijk ik afgunstig naar een bootje met mensen dat heerlijk over het Boterdiep vaart. Zij hebben het beter bekeken. De route die ik tot nu toe heb afgelegd was in de achttiende en negentiende eeuw ook per trekschuit mogelijk. Zo kon je opstappen in Groningen en via Zuid- en Noordwolde en Bedum naar Onderdendam varen, als een soort openbaar vervoer. Het Boterdiep was een kanaal vol bedrijvigheid.



 Afgezien het bootje met de mensen die me vol medelijden aankijken is het kanaal nu een stuk rustiger, ondanks het mooie weer. Altijd wanneer ik Onderdendam binnen fiets overvalt de schoonheid me. Het is niet de eerste keer dat ik hier ben, maar de mooie tuintjes vol geurige en kleurige bloemen en oude stijlvolle huizen maken nog steeds indruk. De hoofdweg loopt in een bocht door het dorp en steekt het water over. Langs de kades staan de meest prachtige, statige gebouwen met hun eigen steigertje waar bijna zonder uitzondering een bootje voor dobbert. In tegenstelling tot andere kleine Noord-Groningse dorpjes, heeft Onderdendam een geweldig aantal huizen van formaat met een chique in plaats van schattige uitstraling. Wat is de reden voor deze gedistingeerde allure die dit schilderachtige dorp uitstraalt? Daarvoor duiken we de geschiedenis in. 


Onderdendam wordt voor het eerst genoemd in 1252, met zijn Oudfriese benaming Uldernadomme. Tegen die tijd blijkt de nederzetting al een centrale plaats te hebben verworven, want het document gaat over een algemene jaarlijkse gerichtsdag waarop rechters uit het hele landschap bijeenkwamen in Onderdendam. Op zich is dit logisch, want qua natuurlijke factoren heeft Onderdendam alles in huis voor een centrale positie. Onderdendam was het natuurlijke centrum van het Hogeland, ietwat hooggelegen, waar verschillende wateren samenkwamen: het Warffumermaar en de Delthe, het Kardingermaar en het Bedumermaar (wat later een deel van het Boterdiep zou worden).

Hoewel het oudere Bedum een belangrijke plaats was in kerkelijk opzicht, raakten bestuurlijke en economische activiteiten geconcentreerd in Onderdendam, vanwege diens praktische ligging te midden van een aantal waterwegen. Er werd handel bedreven, gelost en geladen, terwijl de trekschuit mensen afzette of juist toeliet. Vanzelfsprekend bracht dit bedrijvigheid in de vorm van winkeltjes en herbergen met zich mee. Daarnaast werd het plaatsje aangewezen als hoofdplaats voor de rechtspraak in het Hunsingokwartier, waardoor het de woonplaats werd van vele rechters, griffiers en advocaten. In 1838 werd Onderdendam zelfs zetel van het waterschap Hunsingo. De mooie huizen langs de waterkant, zoals het oude waterschapshuis, de oude herberg en andere herenhuizen die als gerechtsgebouwen hebben gefungeerd, getuigen nog van deze bloeitijd.




Daar Onderdendam in de eerste helft van de negentiende eeuw profiteerde van de trekvaart dat het Boterdiep met zich meebracht, werden plaatsen als Westerdijkshorn en Onderwierum steeds minder belangrijk. Merkwaardig genoeg had Onderdendam, ondanks haar status, tot die tijd geen eigen hervormde kerk. Inwoners moesten naar Onderwierum of Menkeweer. Pas in 1840 werd er in het dorp een kerk gebouwd. Logischerwijs verloren kerspelen zoals Onderwierum en Menkeweer daardoor totaal hun status, nu hun kerkgangers ook nog weg bleven. De kerkjes werden gesloopt. Vorig jaar werd ik door Ommelander-lezers bij de hervormde kerk in Onderdendam uitgenodigd om wat spullen te bekijken die over waren gekomen uit de ‘verloren kerk’ van Onderwierum. Zo staan er in de kerk nog een aantal oude grafstenen, een avondmaalstafel, hangt er nog een enorme oude sleutel en schittert er een prachtig doopbekken uit 1651.



Een halve eeuw later is het echter gedaan met de pret in Onderdendam. De komst van een spoorwegennetwerk in het noorden van Groningen zorgde ervoor dat de trekschuit al snel als ouderwets en langzaam werd gezien. Onderdendam werd overgeslagen, kreeg geen stationnetje, en zo kwam er een einde aan de ontwikkeling van dit mooie dorpje.

Ik zit op de steiger aan de waterkant, het water glinstert blij. Mijn ogen glijden over al die prachtige huizen, en héél even zie ik mensen van de trekschuit aan wal gaan, zie ik schepen ingeladen worden met allerhande producten die bestemd zijn voor de stad, zie ik marktlui lopen, afkeurend nagekeken door rechters met een ernstig gezicht, en vrolijk toegezwaaid door de herbergiers. Ik knipper met mijn ogen en de rust is wedergekeerd, er rijden slechts enkele fietsers en een eenzame auto. De glorietijd is niet moeilijk voor te stellen.






maandag 7 juli 2014

Langs het Boterdiep: van Noordwolde naar Onderwierum

Deze zomer reis ik langs het Boterdiep van Groningen naar Uithuizen en zal verslag doen van alle mooie en bijzondere plekken die ik onderweg tegenkom. Mijn doel is om te laten zien dat ook dichtbij huis prachtige plaatsen te vinden zijn, allen met hun eigen verhaal. Deze keer blog ik over het derde gedeelte: van Noordwolde naar Onderwierum.

Ik laat Noordwolde achter me door een eenzame, kaarsrechte weg westwaarts te nemen. Het enige wat ik passeer is het voetbalveld van Noordwolde, en een aantal vriendelijke koeien die ik begroet met ‘Dag, dames’. Uiteindelijk kom ik uit op de Wolddijk, een lange weg die feitelijk van Noorderhoogebrug tot iets ten noordwesten van Bedum loopt. Daarna gaat de dijk door in oostelijke richting, boven Bedum langs, naar het Kardingermaar en van daar in zuidoostelijke richting naar Oosterdijkshorn bij Ten Boer. Ik zal de Wolddijk tot Westerdijkshorn, ten noordwesten van Bedum, volgen, en neem er dan afscheid van.

Men begon in de vroege Middeleeuwen met de aanleg van de dijk. Na aanleiding van de toenemende ontginning in het Woldgebied, zakte het maaiveld destijds zo’n drie meter en stroomde het vol water dat vanuit het noorden het land binnendrong. Niemand minder dan de heilige Walfridus himself kwam, volgens de overlevering, met het idee een dijk te bouwen. Walfridus, ook wel Wolfryt genoemd, leefde in de tiende of elfde eeuw, en was een welbekende inwoner van Bedum. ‘Wij noorderlingen’ kennen de naam over het algemeen wel als zijnde van de scheve kerk in Bedum. Walfridus zou het christendom naar het noorden van Groningen hebben gebracht, en zou nu dus ook nog een begin hebben gemaakt met de waterkering rondom Bedum. De Wolddijk anno 2014 is omzoomd door hoge bomen en hier en daar staan huizen of boerderijen. Onderweg kom ik langs een enorme, chique oprijlaan, met aan weerszijden pilaren waar ‘Alma’ en ‘Bedum’ op staan geschilderd. Ik tuur in de verte en zie dat de oprijlaan naar een grote, chique boerderij leidt. De huidige boerderij stamt uit de negentiende eeuw en staat op een stuk grond waar vroeger de Almaborg heeft gestaan, een zeventiende-eeuws huis met hoogstwaarschijnlijk nog oudere fundamenten. Ik stap af om wat foto’s te maken. De groene weilanden en blauwe lucht geven een mooi plaatje, maar de hitte doet de horizon sidderen.

De Wolddijk.

Almaborg.

Oprijlaan Almaborg.

Wolddijk.

Ik passeer het spoor en kom dan in Westerdijkshorn terecht. Het kerspel Dijckshorne werd in de dertiende of veertiende eeuw gesticht. Een kerspel was de kleinste politieke eenheid waarbij de kerk het centrale punt was. De kerk stond op een opgeworpen wierde aan de zuidkant van het dorp. Hier is helaas geen enkele afbeelding van bewaard gebleven. Op het kerkhof werd in de vijftiende eeuw een vrijstaande klokkentoren gebouwd. De toren is meerdere malen van ellende in elkaar gestort en ontelbare keren gerenoveerd, maar hij staat nog steeds. In de toren hangt een klok die stamt uit 1658. De kerk zelf is in 1802 afgebroken, waardoor het schaarse aantal inwoners zich over de kleine boerenweggetjes richting Onderwierum moesten slepen om de dienst bij te wonen.

De overgebleven toren is niet moeilijk te vinden. Het is een vreemd gezicht, zo’n hoge statige toren, midden in de landerijen. Eromheen lopen schapen en kippen, vermoedelijk om het wilde gras kort te houden. Ze staan bovenop eeuwenoude graven en kijken me bevreemd aan. Langzaam fiets ik verder. 


Westerdijkshorn.

Schapen en kippen grazen rustig.

Er staan in Westerdijkshorn nog een redelijk paar huizen langs het weggetje, de één nog mooier dan de ander. Dan houdt het opeens op en is er niets meer. Ik fiets parallel aan het Boterdiep, noordwaarts. Om mij heen het mooie, platte groene land, en daarboven een schilderachtige lucht. Een klein fietsbordje wijst me de weg naar Onderwierum, ooit een dorp, nu niets anders meer dan een historische begraafplaats. Ik kijk om mij heen maar zie niets. Geen cluster van huizen, geen wierden, niets. Het bordje wijst richting een weiland met wat bossen. Ik parkeer de fiets en bagger door het gras, waar ik een vriendelijke, loslopende pony passeer. Dan opeens gaat het graspad over in een bruggetje, waarna je opeens midden in het bosje staat. Ik loop door een hekje en opeens ligt daar voor me een kleine wierde. Alleen deze verhoging mocht blijven; de rest van de wierde is na het teloor gaan van het dorp afgegraven. Onleesbare grafstenen, uitsluitend uit 18e en 19e eeuw liggen in een ietwat vreemde volgorde verspreid over het gras. In het midden is niets. Hier stond het kerkje dat in 1840 is afgebroken. Een informatief A4’tje in een plastic mapje ligt onder een kei op een verweerd bankje. Er heerst een vredige rust. Op de grafzerken staan de meest prachtige (familie)wapens afgebeeld, waarbij, vreemd genoeg, veel paarden voorkomen. Het is moeilijk te geloven dat hier eens genoeg mensen woonden om een kerkje te vullen. 

Het pad naar de historische begraafplaats.

Begraafplaats Onderwierum. De kerk is verdwenen.

Enkele grafzerken te Onderwierum.
Westerdijkshorn en Onderwierum zijn slechts twee voorbeelden van verdwenen dorpen in Groningen. Hoewel de meeste dorpen in onze provincie zijn verdwenen door overstromingen, behoren deze twee tot een andere categorie. Dit zijn de dorpen die vanaf hun stichting al weinig tekenen van levensvatbaarheid toonden. Vanaf de Middeleeuwen was er meestal al sprake van achteruitgang en leegloop. Het kerkje werd te weinig bezocht om te kunnen worden onderhouden en werd als gevolg gesloopt, waarna ook de wierde werd afgegraven om de vruchtbare grond elders te gebruiken.  

Ik verlaat het bosje en loop naar mijn fiets. Tijd om weer dichter naar het Boterdiep te gaan.

vrijdag 27 juni 2014

Langs het Boterdiep: van Zuidwolde naar Noordwolde

Deze zomer reis ik langs het Boterdiep van Groningen naar Uithuizen en zal verslag doen van alle mooie en bijzondere plekken die ik onderweg tegenkom. Mijn doel is om te laten zien dat ook dichtbij huis prachtige plaatsen te vinden zijn, allen met hun eigen verhaal. Deze keer blog ik over het tweede gedeelte: van Zuidwolde naar Noordwolde.

Inderdaad, dit is slechts een etappe van een kilometer, maar in die kilometer is er van alles te beleven. Ik verlaat Zuidwolde in noordelijke richting, langs het Boterdiep richting de Krimstermolen. De molen kun je van verre al zien staan; het is de grootste poldermolen van de provincie Groningen. In 1816 werd de Oostelijke Bedumerpolder gesticht, wat nu bekend staat als het Reidland, waarbij drie molens werden gebouwd. De oprichting van een stoomgemaal leidde tot de afbraak van twee molens. De Krimstermolen mocht als enige blijven staan, maar brandde in 1903 af. Binnen een jaar herrees de molen uit haar as; daarom wordt de Krimstermolen ook wel de Feniks genoemd. Eind jaren ’60 raakte de molen definitief buiten gebruik en in verval. Als reactie op deze jammerlijke ontwikkelingen werd de molen verplaatst naar zijn huidige plaats; aan de oostzijde van het Boterdiep bij het Casper Hommesgemaal. De afgelopen jaren is de molen onderhevig aan restauratiewerk.


De molen kijkt trots uit over het omliggende landschap; de groene weilanden, blauwe luchten en de kerktorens in de verte. Het Boterdiep is hier bedekt met waterleliebladeren. Een aantal mannen zit te vissen aan de voet van de molen. De meesten kijken verbaasd op als ik mijn fiets parkeer en foto’s begin te maken van de omgeving. Blijkbaar is de aanwezigheid van een niet-vissend persoon ongewoon. Eentje is volledig gehuld in oranje, alsof hij het ophanden zijnde wereldkampioenschap voetbal alvast gezamenlijk met de Boterdiepse vissen wil vieren. Een aantal hekken rondom de molen tonen aan dat de restauratiewerkzaamheden nog steeds gaande zijn. In de zuidoostelijke veldmuur bevindt zich een gevelsteen met opschrift uit 1977,  na de verplaatsing van de molen. Ik lees: Eertijds gebouwd in Riedlands dreven / Ben ik van daar naar hier verdreven / Het werken was mij daar ontzegd / Daar de boezem werd verlegd / Thans werk ik aan het Boterdiep / Waar men een nieuwe plaats voor mij schiep.


De Krimstermolen staat in het gehucht Plattenburg. Waarom Plattenbrug een status als ‘gehucht’ heeft is mij onduidelijk, want er staat vrijwel niets meer. Ooit heeft er nog een steenfabriek gestaan, maar die is in 1918 afgebroken. De ligging van de fabriek aan het Boterdiep was uiteraard ontzettend handig, en het was niet de enige steenfabriek die het Boterdiep heeft gekend. Verder liggen aan weerszijden van het diep ook nog de gehuchten Ellerhuizen en Willemstreek. Ellerhuizen is een buurtschap dat begint bij de oostzijde van Boterdiep en zo’n 2.5 kilometer in noordoostelijke richting doorloopt. Langs deze Ellerhuizerweg staan een aantal boerderijen en huizen. Het buurtschapje wordt voor het eerst genoemd in 1384 als Aylardahusum en Aylardahuzum, gelegen in de parochie Bedum. Dit betekent dat er een kerk moet hebben gestaan. Dit werd bevestigd toen er in 1841 bij een bepaalde boerderij een aantal fundamenten en skeletten zijn gevonden. De buurtschap Willemsstreek ligt aan de westzijde van het diep en wordt tot Noordwolde gerekend.

Noordwolde ligt niet direct aan het Boterdiep, maar op zo’n kilometer afstand. Hierdoor heeft het dorp waarschijnlijk niet een soortgelijke omvang zoals Zuidwolde gekregen, omdat een vaarweg altijd een belangrijke factor is in de groei van een dorp. Het kent welgeteld drie straten en hoewel de Eemshavenweg er vlak aan langs raast, is het in het dorpje bijzonder rustig. De verzengende hitte zorgt dat veel mensen binnen zijn en de gordijnen dicht hebben. Het middeleeuwse dorp heeft ooit in een bosachtig gebied gelegen, en was waarschijnlijk ooit groter dan het nu is. Zo had Noordwolde ooit eens een openbare school, die in 1933 opdoekte. Ook kende het dorp verschillende borgen, zoals Widdama, Thedema en Mensema. Deze borgen zijn in de loop der tijd echter tot boerderijen verworden.


Hoewel de huisjes schattig en de tuinen fleurig zijn, trekt de kerk, die te midden van het dorp staat, toch echt de meeste aandacht. Of beter gezegd, de toren van de kerk. Na enig worstelen met het hekje loop ik het omheinde kerkhof op. Het is de enige toren in de provincie Groningen die uivormig is en bijna Russisch aandoet. In het Gronings wordt deze karakteristieke spits dan ook wel ‘de siepel’ genoemd en is zo groot dat er wordt gezegd dat er wel vijftien mensen in kunnen plaatsnemen. De vierkante toren zelf is, net als het romano-gothische schip, in de 13e eeuw opgetrokken. Beide delen werden in 1639 met elkaar verbonden. In die tijd werd ook de siepel toegevoegd. 



Ik wandel bewonderend rondom het kerkje. Er liggen nog enkele oude, doch goed onderhouden graven in het gras. In een hoekje groeien wilde bloemen, zoals een prachtige witte akelei. In de muur staat gemetseld: ‘anno 1639 gerestaureerd’. Deze restauratie was het gevolg van de reformatie. Nu er protestantse erediensten werden gehouden, moesten de kerkgangers zelf hun bijbel kunnen lezen. Daarvoor bleek het te donker te zijn binnen, en moesten de vensters worden vergroot. Dit is nog duidelijk te zien in de dichtgemetselde ingangen en ramen die over de muren zijn verspreid. De deur zit helaas dicht, waardoor ik niet het andere hoogtepunt van de kerk kan zien; het orgel. Al in de 1581 werd er melding van gemaakt. Het huidige orgel is voor een groot deel 17e-eeuws en door de eeuwen heen door verschillende grootmeesters gerestaureerd. Gelukkig komt er echter, de gehele tijd dat ik over het kerkhof rondloop en in de schaduw van de bomen zit, prachtige orgelmuziek uit de kerk. 






zaterdag 21 juni 2014

Langs het Boterdiep: Van Groningen tot Zuidwolde

Hoewel ik vorig jaar al een beginnetje heb gemaakt met dit project, ga ik er deze zomer serieus mee bezig: ik reis het Boterdiep af van Groningen naar Uithuizen en zal verslag doen van alle mooie en bijzondere plekken die ik onderweg tegenkom. Mijn doel is om te laten zien dat ook dichtbij huis prachtige plaatsen te vinden zijn,  allen met hun eigen verhaal. Deze keer blog ik over het eerste gedeelte: van Groningen naar Zuidwolde.

Het is een zonnige dag wanneer ik besluit om het eerste gedeelte van mijn tocht langs het Boterdiep te fietsen. Hoewel het Boterdiep slechts 25 kilometer lang is, heb ik mijn tocht opgedeeld in verschillende etappes. Ik fiets natuurlijk niet altijd pal naast het kanaal, maar juist via mooie weggetjes en bezienswaardigheden, waardoor de fietstocht aanzienlijk langer is. Ik begin in de stad Groningen, want hier bevindt zich het oudste gedeelte van het Boterdiep, het stuk tussen Groningen en Bedum.

Tussen deze twee plaatsen lag begin 17e eeuw de Bedumer Cleiweg. Naast dit pad werd in 1611 de zogenaamde Cleysloot uitgegraven voor de groter wordende scheepvaart tussen stad en ommelanden. De Cleysloot en het zuidelijk gedeelte van het Selwerderdiep werden samengevoegd en verder getrokken naar de Nieuwe Ebbingepoort. Wat nu het nu Gedempte Boterdiep in Groningen is, was destijds bedoeld als binnenhaven voor de aanvoer van landbouw- en veeteeltproducten uit de noordelijke ommelanden, met name de transport van melkproducten. Inderdaad, vandaar de naam Boterdiep. Een aantal jaren terug is er bij het Gedempte Boterdiep archeologisch onderzoek gedaan en zijn er bijzonder veel archeologische overblijfselen gevonden zoals munten, aardewerk, botten, glazen, metaal, hout en zelfs schoenresten. Het kanaal ging onder de stadswal door richting Noorderhoogebrug. Tegenwoordig begint het Boterdiep hier; bij het Van Starkenborghkanaal.


Noorderhoogebrug was in de 17e eeuw een plaats los van de stad Groningen. Volgens historicus Remi van Schaïk heeft de plaats nooit echt een dorp gevormd, maar bestond het slechts uit een aantal huizen rondom een brug. Nu ik er anno 2014 langs fiets, is Noorderhoogebrug opgeslokt door de immer uitbreidende stad. De wijk Beijum strekt zich bijvoorbeeld nog ver ten noordoosten van Noorderhoogebrug uit. Het gezicht wordt nu bepaald door grote N-wegen zoals de Groningerweg en de Noordzeeweg. In 1969 is het dorp dan ook gemakshalve overgegaan tot de gemeente Groningen, terwijl het eerst deels tot de gemeente Bedum en deels tot de gemeente Noorddijk hoorde.

Bij Noorderhoogebrug konden de 17e-eeuwse vrachtschepen die van de stad naar het noorden wilden, niet doorvaren. Reden voor dit obstakel was de aanwezigheid van een dijk. De vrachtschepen werden over deze dijk getrokken en konden dan via het Zuidwoldermaar verder varen. Deze overtocht, of overtoom, werd in 1616 weggehaald en zodoende werden het Zuidwoldermaar en de Cleysloot met elkaar verbonden.

Hoewel het kanaal in eerste instantie voor goederentransport was bedoeld, werd het later ook voor andere doeleinden gebruikt. In de 17e  en 18e eeuw kwam de trekvaart op, waarmee ook personen vervoerd konden worden. In 1773 bemerkte de overheid enige ‘ingesloopene misbruiken by de provinciale trekveren’. Men moest in Groningen een ticket kopen om mee te varen op de trekschuit, maar als je pas in Noorderhoogebrug op de trekschuit stapte kon je gratis mee tot aan Onderdendam. Het was wel duidelijk dat iedereen naar Noorderhoogebrug wandelde en daar de trekschuit op ging. Om dit probleem op te lossen werd de prijs van Groningen naar Noorderhoogebrug gehalveerd en het vervoer van Noorderhoogebrug naar Zuidwolde duurder gemaakt. De trekschuiten op het Boterdiep waren een populair middel van openbaar vervoer.


Het moment dat ik Groningen uit fiets, zie ik het plaatsnaambordje van Zuidwolde al staan. Het dorpje is nog niet, zoals Noorderhoogebrug, tot de stad gaan behoren – maar de stad komt inmiddels wel héél dichtbij. Een weiland met twee schapen is het enige wat de twee nog scheidt. Hoewel Zuidwolde bijna tegen Beijum aangegroeid is, merk je er niets van dat de stad zo dichtbij is. Dwars door het dorpje loopt het Boterdiep. Aan weerszijden van het water staan de prachtigste huizen, hun tuinen volop in bloei. Ouderen fietsen twee aan twee langs het Boterdiep, er passeren wat auto’s en je hoort blije kinderstemmetjes dat zonder meer te maken heeft met het heerlijke weer. Aan het diep liggen de hervormde kerk en de bekende snackbar en café Moeke Vaatstra, waar passanten stoppen voor een kopje koffie. Ik parkeer mijn fiets en wandel door het dorp.

Boven: Zuidwolde ligt voor me, achter me de laatste huizen van Beijum. Onder: Het slootje en weilandje dat Beijum en Zuidwolde scheidt.

Linksboven: Moeke Vaatstra. Rechtboven: Een meerkoetje. Onder: Boterdiep in Zuidwolde.

Het dorp Zuidwolde ontstond rond het jaar 1000, toen de bewoners van dit gebied de Wolddijk hadden aangelegd. Op dit nieuw ontgonnen gebied verschenen verschillende nederzettingen, waaronder het dorpje Zuudwol. Voordat dit gebied werd omdijkt, had het regelmatig last van overstromingen. Het woord ‘wold’, wat een moerassig veenbos betekent, herinnert hier nog steeds aan. Ik loop richting de kerk. De kerk is ook één van de oudsten van de provincie en rond 1050 gebouwd. Het oudste gedeelte bestaat uit tufsteen, maar het koor is uit baksteen opgetrokken. In de muren zie je dichtgemetselde spitsboogvensters en ook een dichtgemetselde deur. Deze deur was vroeger voor de vrouwen, aangezien zij niet door dezelfde deur mochten als de mannen. Misschien is dat de reden dat vrouwen en mannen vaak nog steeds niet door één deur kunnen, maar dat terzijde. Halverwege de negentiende eeuw werd het koor afgebroken, omdat het verkeer langs het Boterdiep intensiever werd en de trekweg verbreed moest worden. Op de toren staat een windvaan in de vorm van een zwaan. Één van de collatoren, Grevingh, had een zwaan als familiewapen. De zwaan zag ik ook op één van de paar oude grafzerken die rondom de kerk verspreid liggen. De grond is hobbelig. Ongetwijfeld liggen hier nog meer mensen begraven. Ik veeg wat bladeren van een zerk en er komen stenen vlinders tevoorschijn, een vaak gebruikt symbool op graven hier in het noorden. Bij een restauratie in 1999 bleek dat er ook in de kerk grafzerken lagen. Toen de houten vloer werd weggehaald bleek het middenpad van de kerk verstevigd te zijn met zevenentwintig grafzerken.

De kerk van Zuidwolde

De zwaan

Boven: Een paar oude grafstenen in Zuidwolde, waaronder een doodshoofd en zwaan. Onder: Boterdiep.

Naast de kerk glinstert het water tevreden. Er liggen wat bootjes rustig te dobberen naast kleine houten steigertjes. Ik wandel rustig terug en ga nog even op een picknickbankje bij Moeke Vaatstra zitten. Terwijl er een speedbootje door het Boterdiep scheurt sla ik mijn ‘Religieus Erfgoed in de provincie Groningen’ open; een boek dat inmiddels een beetje mijn bijbel is geworden. Daarin lees ik het interessante weetje dat de inwoners van Zuidwolde vroeger zuurkoolvreters werden genoemd. Dat moest ik opzoeken natuurlijk. Op een website vond ik dat in de geschiedenis van Zuidwolde landbouw een grote rol speelde – met name  de productie van ‘boeskool’ (witte kool), waarvan in Bedum dan zuurkool werd gemaakt. Het Boterdiep fungeerde als een belangrijke infrastructurele factor. Er blijkt ook een daadwerkelijk beeld te staan - genaamd ‘de Boeskoolboer’. Het staat symbool voor de Zuidwoldenaren die jarenlang verbonden waren aan dit koolgewas. Jammer genoeg heb ik het monument niet gezien (als u op zoek wilt gaan: het monument staat aan de Koolstraat - verrassend).

Boterdiep

Wanneer ik terugloop naar mijn fiets, komen schoolkinderen met grote rugzakken voorbij die langs het Boterdiep naar huis fietsen. Intussen verzamelen zich ook steeds meer oudjes om een ijsje te halen bij Moeke Vaatstra. Ik werp nog één laatste blik op die mooie kerk aan het water. De lucht achter de toren is strakblauw en ik moet denken aan een gedichtje van dominee Schuur over de toren. Ik glimlach. Vanavond eet ik maar zuurkool.

Mijn toren

Achter in de tuin staat mijn toren
hij slaat mij dag en nacht uur en half uur
luidt mij op zondag naar de kerk
vingerwijst omhoog naar de hemel
herinnert mij aan de wereld ánders
Achter in de tuin staat mijn toren
uitroepteken van mijn leven.


Boterdiep