zaterdag 3 mei 2014

De Burren: een plek van contradicties

‘‘We walked out on, out onto the Burren // Frothy from the wind // Full of yesteryear’s sorrow // Bad dreams within // We were children again’’
- Ben Howard, the Burren

De Burren is een vreemde plek. Een plek van contradicties. Het is er grijs, verdrietig, alleen, mysterieus en spookachtig – met eeuwenoude overblijfselen uit vergane tijden, en ontelbare verhalen. Maar het is er ook wonderlijk, licht, natuurlijk en vriendelijk. Je moet de Burren eigenlijk zelf ervaren om het te kunnen begrijpen. Het is erg moeilijk te omschrijven. De stilte, afgezien de immer razende wind, is er oorverdovend. Alleen op de wereld krijgt ineens een heel andere betekenis. In de Burren kom je altijd jezelf tegen, bij gebrek aan anderen. Het is dan ook een plek waar veel schrijvers, dichters en muzikanten zijn geïnspireerd. Het is deze plek dat ik inmiddels, na meerdere bezoeken, redelijk goed ken. Het is een plek waar je óf verliefd op wordt, óf heel hard van weg rent. Je kunt je laten betoveren door de buitenaardse sfeer, of je kunt je laten overspoelen door de soberheid en de leegte. Engelsman Edmund Ludlow, een 17e-eeuwse bevelhebber die dit gedeelte van Ierland onder Brits gezag moest zien te brengen, peinsde: ‘‘It is a country where there is not enough water to drown a man, wood enough to hang one, nor earth enough to bury him’’. Mijn ouders en ik zijn na een week rondreizen door de Burren in 2011, ook voor een week in 2014 teruggekeerd. Het moge duidelijk zijn dat wij bij de groep bewonderaars horen.

Het landschap van de Burren-regio: kalkstenen heuvels, afgewisseld met groene velden.

De Burren: een maandlandschap.

De Burren is een gebied dat zo’n 260 km² in het westelijke gedeelte van Ierland beslaat, in county Clare. Het is een uniek karstlandschap van kalksteen, dat pas de laatste twee miljoen jaar is gevormd doordat het landschap blootgesteld was aan smeltend ijs en plaatbewegingen. Het resultaat zijn zogenaamde ‘terrassen’, die bestaan uit verschillende lagen kalksteen. De ruimtes tussen de stenen zijn heel diep, en je kunt de verschillende lagen duidelijk zien. Vreemd genoeg is het maanlandschap zeer vruchtbaar en groeien er planten en bloemen die nergens anders in Ierland voorkomen. Dit is hetzelfde verhaal met dieren. Met name de grote hoeveelheid verschillende vlinders trekt vele belangstellenden. Ook zijn er ontzettend veel grotten en archeologische monumenten. In ons vakantiehuisje lag een kaart waarop (bijna) alle archeologische overblijfselen in de regio aangegeven stonden – in totaal zijn het er ruim 6000. Het landschap is daarom eigenlijk gevormd door menselijke geschiedenis: de akkertjes, de stenen muurtjes, de prehistorische bouwwerken zoals tombes, altaren en forten, waar niet zelden een megalithische vondst wordt gedaan. Niet voor niets wordt het ‘Ierland’s grootste openluchtmuseum’ genoemd. De Burren kent niet alleen heidense overblijfselen, maar ook een meer dan uitgebreide collectie oude christelijke plekken – en dan met name ruïnes van eeuwenoude stenen kerkjes. Vaak zijn ze overgroeid met klimop en mos, eenzaam en vergeten. Ze staan random verspreid in de velden, in een dal of op een heuvel. Niet bij een dorp, maar op verlaten plekken – waarschijnlijk de reden waarom ze zo zijn vervallen. Ik heb er tijdens mijn verblijf hier al vele gezien, maar genoeg zal ik er nooit van krijgen – volmaakt verval is in mijn ogen perfecter dan volle glorie. 

Boven: Het lege, vreemd-aandoende landschap. Onder: De Poulnabrone, een hunebed temidden van het niets. Het is zo'n zes millennia oud (!). Archeologisch onderzoek heeft uitgewezen dat hier een heleboel personen zijn begraven, gezamenlijk met spullen voor het hiernamaals zoals edelstenen en bijlen. Het is daarna nog lang een ceremoniële plaats geweest, waarbij het diende als een soort altaar waar rituelen werden uitgevoerd.

Poulnabrone.

De Burren: stenen, stenen, stenen - maar met unieke flora en fauna.

Linksboven en onder: de Burren. Rechtsboven: Een voorbeeld van de vele ruïnes die verspreid staan door het landschap. Dit is de ruïne in Killinaboy, ooit eens het huis van de gevreesde colonel Blood - die in de zestiende eeuw o.a. de kroonjuwelen uit de Tower of London heeft gestolen. Hij heeft nog veel meer gedaan, maar wist altijd te ontsnappen (door zich meerdere keren als dominee of priester voor te doen). Hij heeft de autoriteiten zo vaak bedonderd dat men hem na zijn dood nog weer hebben opgegraven om zich ervan te verzekeren dat 'ie nu toch echt dood was.

Op een avond tuurde mama naar de kaart en kwam tot de conclusie dat er een kerkje aan ons weggetje lag, een eindje verderop. We trokken de wandelschoenen aan en begonnen te lopen. En lopen. Toen we anderhalf uur lopen verderop waren en het licht al uit was gegaan gaven we het met tegenzin op. Tot de volgende middag, toen de zon weer vrolijk scheen. We probeerden het nogmaals. Dit keer hadden we hulp ingeroepen van buurman Raymond, die ons wat tips had gegeven. We moesten een op een bepaald punt namelijk een erf op en door de weilanden lopen, omdat het kerkje niet zichtbaar was vanaf de straat (dat verklaarde een boel). Op een gegeven moment stonden we voor het erf, en niet heel comfortabel om er zomaar overheen te lopen, draalden we er wat voor. Godzijdank stond er een boer. We vroegen hem of hij het kerkje, Templemore Church, kende. Hij trok zijn wenkbrauwen op en vroeg of we op zoek waren naar iemand die er lag. Nee, antwoorden we, gewoon interesse. Hij keek ons een beetje vreemd aan. Blijkbaar was hier in geen jaren iemand geweest. Dat was ook niet gek, want afgezien de kaart in het huisje was nergens melding gemaakt van ene Templemore Church. Geen bordjes, geen informatie op internet, niets. We hadden geluk met hem, zei hij, want hij wist waar het lag. De meeste mensen die in de buurt woonden (dat waren er ook niet veel) hadden er zelfs  nog nooit van gehoord. De boer besloot met ons mee te lopen, omdat wij het anders toch nooit konden vinden. Dat is waar, want je ziet het niet tot je er recht voor staat. We sjokten door vier of vijf enorme koeienvelden, waar we kniediep in de zompige modder zaten. Ik dacht dat ik als countrygirl wel wat gewend was, maar de boer moest ons regelmatig uit de modder trekken. Uiteindelijk, na een zware strijd, leverde hij ons, bemodderd en bebloed door de bramenstruiken, af bij een ruïne. Of wacht, misschien is ruïne niet het goede woord. Een hoop stenen in de vorm van een vierkantje, vol gegroeid met bomen en planten en prikkelstruiken, in zulk hoog gras dat ik er op sommige plekken tot mijn middel in verdween. Hier en daar piepte een grafsteen boven het gras uit, maar de meeste waren verdwenen onder moeder natuur. Aan de grond en de bobbels in het gras kon je zien en voelen dat er vele grafstenen zouden moeten zijn, en dat het dus ooit een hele belangrijke plaats was. Ik vraag me af waar de mensen vandaan kwamen. Leefden hier eeuwen terug meer mensen? Was het een soort gemeenschapje, of dorpje? En was de onvindbare kerk toen makkelijker begaanbaar? De boer had ons nog nonchalant gewezen op een gat in de grond dat nu volgegooid was met stenen zodat het vee er niet in kon vallen, maar wat ooit een grottunnel was waardoor de katholieke bevolking stiekem naar de kerk kon (was verboden door de protestantse overheersers). Wat een magische plaats! Het was net, of het niet echt was. Daar stonden we dan. Met niets dan de wind, een aan de natuur te prooi gevallen bouwwerk en een overwoekerde begraafplaats dat een huis is voor allang vergeten zielen. Wij waren de eerste mensen die hier in tijden zijn geweest, en waarschijnlijk ook de laatste. 

De omgeving - en wat het doet met je schoeisel.

Links- en rechtsboven: Het kerkhofje en het kerkje waren omringd met een stenen muurtje waar je over moest klimmen. Onder: overwoekerde hoop stenen van wat ooit eens een mooi, drukbezocht kerkje was.

Het hoge gras waar we ons doorheen moesten slepen - onder zie je twee van de vele grafstenen die haast niet meer zichtbaar waren.

Links en rechts: Eenzame zielen. Midden: Kasteeltje in de verte.

Het mooie aan Ierland is, is dat er meer dan genoeg ruimte in het land is om niets te hoeven slopen. Ik heb weinig plekken ter wereld gezien waar de geschiedenis altijd en overal zo dichtbij is als in Ierland. Kastelen, kerken en prehistorische bouwwerken staan achteloos en vergeten in prachtige landschappen. Het jammere van Ierland is dat ze het zelf allemaal maar zo normaal vinden. Het land kent zo’n overdadigheid aan geschiedkundige pareltjes, dat men het gewoon niet meer ziet en er dus totaal geen moeite wordt gedaan om alles in een goede staat te houden – of in ieder geval, het toegankelijk te maken. De meeste plekken, met name hier in de Burren, waar er zoveel van zijn, raken in vergetelheid. 

Misschien is dat het beste woord om de Burren en haar schatten te omschrijven: Vergetelheid. 

Prachtige karst-stenen terrassen.

zaterdag 26 april 2014

Op naar het uiterste zuid-westen!

Klik op de foto's om ze te vergroten!

Na een maand lang rondreizen door Ierland (Cork-Dingle-Cork-County Clare-Cork-Dublin-Cork-Mizen Head-Cork-Clonakilty) is het nu toch echt tijd om mij volledig op de tentamens te storten. Maandag 28 april is mijn eerste, en verder heb ik nog tentamens op 6, 8 en 20 mei. Oké, tussendoor zal ik nog naar de Giro d'Italia in Dublin gaan, en na mijn laatste tentamen staat er ook nog een reisje naar Noord-Ierland op de planning, maar voorlopig ben ik even uitgereisd hihi. En dat is ergens ook wel even fijn, om eindelijk weer in een soort ritme te komen, en om thuis in Cork te zijn met vrienden.

Vandaag is het tijd voor het laatste gedeelte van mijn Grote Reismaand: de afgelopen dagen heb ik namelijk het mooie zuid-westen van county Cork aangedaan! Woensdag stond ik mijn oom en tante op te wachten bij Cork airport. Ze zijn een weekje in Ierland en de eerste twee dagen ben ik met ze mee geweest! Ze hebben een prachtig vakantiehuisje in het uiterste zuidwesten van Ierland, op het Mizen Head schiereiland. In een huurauto zijn we via Gougane Barra daar heen gereden, en hebben we 's avonds gegeten in het schattige Crookhaven, het meest zuidelijk gelegen dorpje van Ierland. De volgende dag hebben we over het schiereiland getourd, en hebben ze me aan het eind van de dag via de Drombeg Stone Circle weer naar Cork gebracht. Op vrijdag, de dag erna, ben ik met wat vriendinnen naar Clonakilty geweest, ook een dorpje in het zuid-westen van county Cork.

In verband met studeren heb ik niet echt tijd een groot verhaal te typen, daarom is dit meer een foto-verslag!

Gougane Barra

De naam Gougane Barra komt van St. Finbarr, een Ierse beschermheilige uit de 6e eeuw, waarvan gezegd wordt dat 'ie hier op het eilandje in het meer eens een klooster had gebouwd. Er staan inderdaad nog ruïnes, maar die zijn van veel later, toen een 17e eeuwse priester besloot zich hier te isoleren van de buitenwereld. Het kapelletje dat er nu staat is naast de ruïnes gebouwd en stamt uit de 19e eeuw. Het is een populaire plek bij pelgrims, aangezien het kapelletje, St. Finbarr's Oratory, mijlenver van de bewoonde wereld ligt. Je rijdt en rijdt en rijdt over de meest smalle weggetjes tot er opeens een open plek in het beboste gebied komt en dit magische beeld voor je verschijnt! Een heel betoverende plek...

Gougane Barra.

Linksboven: Het 19e eeuwse kapelletje. Rechtsboven: Prachtig interieur met pasteltinten. Onder: De omgeving.

Linksboven: De bergen. Rechtsboven en beide foto's onder: De ruïne van het 17e eeuwse gebouwtje. Er stond een oud kruis en hing vol 'beeldhouwwerken' die Jezus' lijdensweg afbeelden.

De eerste avond: op naar Crookhaven

Boven en linksonder: het dorpje Goleen. Rechtonder: het schattige vakantiehuisje van Martin en Didi.

De buurhond Easter, mijn nieuwe beste vriendin.

Boven: 'Skyline' van Crookhaven. Linksonder: De pub waar we hebben gegeten. Rechtonder: Een mooie muurschildering bij een andere pub.

Crookhaven

Crookhaven

Mizen Head Peninsula

Strand!

Strand!

Op het puntje van het schiereiland staat een schattig wit huisje dat dienst doet als Visitor Centre, café en winkel. Daar kun je een kaartje kopen om over een brug te gaan naar een klein eilandje dat het échte, meest zuid-westelijke puntje van Ierland is. De brug 'hangt' heel hoog en de uitzichten zijn spectaculair!

Links: Wandeling op weg naar de brug. Rechts: Rotsen en zee.

Linksboven: Overal wilde bloemetjes! Rechtsboven: Het leek op een duikplank, maar was het niet... ;) Linksonder: Martin en Didi op de brug. Rechtsonder: Zeehondje!

Uitzichten op het Mizen schiereiland.

Uitzichten op het Mizen schiereiland.

Drombeg Stone Circle

Op weg terug naar Cork zijn we gestopt bij de Drombeg Stone Circle, een soort mini-Stonehenge. Linksboven: De omgeving. Linksonder: de Stone Circle. Rechtsonder: Een offerplaats. Rechtsboven: Lekker gegeten bij een social club: een restaurant met vega-eten, waarbij alles op vrijwilligersbasis is. Heel leuk!

Clonakilty

Een supergezellig, kleurrijk dorpje!
Rechts- en linksboven: De wekelijkse Farmer's Market.





Goed, nu is het tijd voor tentamens...

maandag 21 april 2014

Dublin

In Dublin's fair city,
Where the girls are so pretty,
I first set my eyes on sweet Molly Malone,
As she wheeled her wheel-barrow,
Through streets broad and narrow,
Crying, ‘‘Cockles and mussels, alive, alive, oh!’’

Dit is het eerste, welbekende couplet van het inmiddels onofficiële volkslied van Dublin. Het liedje vertelt het verhaal van Molly Malone, een straatarme maar mooie visverkoopster in het 17e-eeuwse Dublin. Anno 2014 zijn de kruiwagens met vis en schelpdieren verdwenen, maar Dublin in nog steeds een fair city.

Mijn trein vanuit Cork stopte op station Heuston, één van Dublin’s twee treinstations. Op het vertrekbord las ik dat er wel twee treinen per uur vertrokken vanuit de Ierse hoofdstad. Wederom verbaas ik me over de staat waarin het OV hier verkeert. Kun je je voorstellen dat er maar twee treinen per uur gaan van Amsterdam CS? Waarschijnlijk is de lijfspreuk ‘kwaliteit boven kwantiteit’, want de treinen die wél rijden zijn nieuw, schoon, voorzien van wifi en stopcontacten zodat je telefoon of laptop gewoon aan de lader kan terwijl je zit te internetten. Ook komt er meerdere keren een karretje met koude en warme maaltijden langs, voorzien van het slogan: ‘arrive happy, not hungry’. Ik arriveerde happy en stapte over op de tram richting het hotel waar Monique en ik hadden afgesproken.

Links: Hotel. Rechtsboven: Onze stampub! Rechtsonder: Hotelkamer.

Na gezellig bijgekletst te hebben onder het genot van een kopje thee in de pub op de hoek, die later onze stampub zou worden, konden we inchecken in het hotel. Hoewel we een tweepersoonskamer hadden besproken, kregen we een vijfpersoonskamer. Helemaal niet erg natuurlijk! Daarna was het tijd om op ontdekkingstocht uit te gaan. We stapten in een lekker toeristische hop-on-hop-off-bus die ons in twee uur de hoogtepunten van Dublin liet zien. Op die manier kregen we ook een goed idee van hoe de stad in elkaar stak en wat we later nog eens rustig wilden bekijken. Het eerste wat me opviel was de drukte. Voor mijn gevoel was het nog drukker dan in Londen of Parijs. De hordes mensen die overstaken bij een zebrapad deed denken aan New York. Misschien ben ik na vier maanden Cork en uitstapjes naar the middle of nowhere ook niets meer gewend, in ieder geval verbaasde me het enorm. De mensenstromen, de backpacks en toeristen, de bussen, trams, auto’s, flashy signs, winkels, grote en hoge en oude gebouwen – het was totaal niet wat ik had verwacht. Alsof de elektronische stem in de bus mijn gedachten kon lezen, vertelde die dat Dublin ruim 1,4 miljoen inwoners kent (ter vergelijking, Amsterdam heeft een kleine miljoen inwoners) -  en dat in een land waar totaal 4.5 miljoen mensen wonen. Dat betekent dat 1 op de 3,2 Ieren in Dublin woont! 



Dublin werd rond 988 gesticht door de Vikingen. Eigenlijk kent de stad twee namen. Ten eerste, Dublin komt van Dubh Linn, wat ‘zwart water’ betekent. Ten tweede, Baile Atha Cliath, wat zoiets betekent als stad op een doorwaardbare plaats met vlechtwerk van riet (ja, echt). De stad staat bekend om de vele schrijvers en Nobelprijs-voor-de-literatuur-winnaars die er vandaan komen. Een paar namen: William Butler Yeats, James Joyce, Samuel Beckett, Oscar Wilde, Jonathan Swift, Sean O'Casey en George Bernard Shaw. Daarom mag Dublin zich ook UNESCO City of Literature noemen. Deze mannen zie je dan ook niet zelden voorbijkomen in de vorm van standbeelden. De prachtige gebouwen en parken weerspiegelen de belangrijke rol die Dublin door de Ierse geschiedenis heeft gespeeld. Dwars door de stad stroomt de rivier de Liffey, met haar mooie bruggen. Maar wat vooral opvalt is de levendige cultuur – vooral in de wijken zoals Temple Bar, vol pubs en restaurants die een gezellige sfeer uitstralen. De eerste avond hebben we dan ook daar doorgebracht!







De tweede dag zijn we, vanwege het heerlijke warme en zonnige weer, naar Phoenix Park gegaan. Dit enorme park kent tuinen, een dierentuin, het huis van de president en een basiliek. Het 2,5 (!) keer zo groot als Central Park in New York. In de middag zijn we naar Guinness Store House geweest. Dit was, net als alles in Dublin, ook veel groter dan verwacht. Dat Guinness uit Dublin komt, dat wisten we al, maar dat het een hele wijk van de stad beslaat, dat wist ik niet. Arthur Guinness zorgde goed voor zijn arbeiders door hen goed onderdak, onderwijs en eten te geven. Deze huizen zijn nog steeds te zien. Verder staan de straten vol fabrieken en andere gebouwen die bij de brouwerij horen. Het Guinness Store House is een echte toeristische trekpleister. Het is zeven etages hoog en ontzettend modern, high-tech en interactief, iets wat mij enigszins vreemd aandeed in Ierland. Het voerde je langs het brouwproces, de reclame door de eeuwen heen, twee restaurants, een enorme winkel en een panorama-view bar. Het mooiste was misschien wel de Guinness Masterclass: het leren tappen van een perfecte pint Guinness, er een certificaat van krijgen en ’m zelf nog mogen opdrinken ook. Die avond heb ik mijn studievrienden uit Nederland ontmoet in de stad (die waren daar toevallig voor een buitenlandexcursie), wat heel gezellig was! 

Phoenix Park

Phoenix Park

Guinness-wijk

Guinness Storehouse

De volgende ochtend zijn we, wederom vergezeld door een heerlijk zonnetje, naar Trinity College gewandeld. Dit is Ierland’s oudste universiteit (1592) en tevens één van de beste ter wereld. Na wat rondgekeken te hebben sloten we aan in de wachtrij voor de bekende toeristische attractie ‘the Book of Kells’ en ‘the Old Library’. The Book of Kells is een evangeliarium dat de vier evangeliën van het Nieuwe Testament in het Latijn bevat, samen met andere voorafgaande teksten. Het werd rond het jaar 800 geschreven door Keltische monniken. Het staat bekend de westerse kalligrafie in insulaire stijl – dat houdt in, de rijkversierde bladzijden. Deze zijn onvoorstelbaar gedetailleerd versierd, met prachtige kleuren, grote schilderingen, miniatuurtekeningetjes en bijzondere letters. Een groot deel is van bladgoud. Nadat je de expositie en het daadwerkelijke boek hebt bekeken, kun je de trap op naar de Old Library, een bibliotheek van bijna 65 meter lang, met de 200.000 oudste en meest zeldzame boeken die de universiteitsbibliotheek bezit. In de middag zijn we naar het National Museum of Archaeology gegaan, waar ik dan toch eindelijk de hippe Clonycavan Man heb bezocht. Dit is een goed bewaard gebleven veenlijk. Wat zou tof en hip is aan deze beste vent, is zijn haarstijl. Hij had een enigszins moderne stijl: weggeschoren aan de onderkant, en in een soort kuif aan de voorkant. Dit deed hij met behulp van haargel. HAARGEL!  Hij is 2300 jaar oud! Gezien men denkt dat ’ie koning was en ook enigszins aan de kleine kant, is het heel best mogelijk dat hij zijn haar zo boven op zijn hoofd had gedrapeerd zodat ’ie langer leek. Je kan niets anders dan lachen als je naar zijn vrolijke veenlijk kijkt (tenminste, ik niet). 

In de avond heb ik Monique laten kennis maken met een Jameson bij Temple Bar. De volgende ochtend hebben we nog wat gewinkeld alvorens afscheid te nemen. Het waren ontzettend gezellige en leuke dagen samen! 

Trinity College

Boven: National Museum of Archeaology. Linksonder: Protest tegen windturbines. Rechtsonder: Jameson in Temple Bar!

vrijdag 11 april 2014

Kilmacduagh en Oughtmama: De Geruïneerde Overblijfselen van St. Colman mac Duagh

Na drie maanden elkaar niet gezien te hebben, kwamen afgelopen week eindelijk mijn ouders op bezoek. Ik had me er natuurlijk erg op verheugd. We gingen een week op vakantie naar het noorden van county Clare, in het westen van Ierland, beter bekend als the Burren-regio (waar binnenkort een aparte blogpost over volgt). Naast veel geklets, hebben we uiteraard ook weer allerlei typisch Ierse avonturen beleefd – zoals dat alleen hier kan. Omdat een week een beetje veel is om in één blogbericht te verslaan, heb ik de verhalen opgedeeld in verschillende onderwerpen. Vandaag is het tijd voor het eerste gedeelte: een verhaal over de overblijfselen van Colman Mac Duagh.


Linksboven: Ons vakantiehuisje, waar we in 2011 ook al eens waren! Rechtsonder: Kasteel in de achtertuin.

Er was eens een opperhoofd met de stoere naam ‘Duac’. Het is niet echt voornaam, ook niet echt een achternaam, gewoon een naam. Een beetje zoals Hulk, Mozes of Pelé. Rond 550 n.Chr. beviel zijn vrouw, koningin Rinagh,van hun zoontje, in het plaatsje Kiltartan, dat nu in co. Galway ligt, niet ver van de huidige grens met co. Clare. Rinagh noemde hem Colman. Colman mac Duagh werd opgeleid tot priester. Na zijn educatie besloot hij kluizenaar te worden, die niets anders deed dan bidden en vasten. Hij vond een mooie grot in de Burren en bleef daar zeven jaar zitten. Hij hield veel van dieren en dat kwam goed uit, daar in de natuur. Zo had Colman ook een haan als huisdier, die hij gebruikte als wekker. Ook had hij hele gesprekken met zijn tamme muis, en had hij een vlieg. Toen de beesten dood gingen (want met name een vlieg is moeilijk lang in leven te houden) was hij buiten zichzelf van verdriet. Hij realiseerde zich toen dat je ook rijk kan zijn zonder geld – een wijze les.

Toen hij uiteindelijk de grot verliet werd hij beëdigd als bisschop. De koning van het gebied waarin Colman woonde had inmiddels van deze gekke grotman gehoord, aangezien Colman inmiddels een beetje een celebrity was geworden in zijn omgeving. De koning, genaamd Guarie Aidne mac Colmáin, kwam op het idee een klooster te bouwen. Daarvoor wilde hij graag de hulp van Colman. Het eerste probleem diende zich al snel aan: wáár gaan we dat ding toch bouwen? Op een dag maakte Colman een wandelingetje toen zijn gordel afviel. Hij zag dit als een gebaar van God en besloot dat dit exact de plek moest zijn. Hier verrees inderdaad het klooster van Kilmacduagh. Kloosters, moet je begrijpen, waren niet alleen gebedsgebouwen voor monniken. Kloosters waren centra van handel, wetenschap, macht. Naast het daadwerkelijke kerkgebouw waren er nog veel meer gebouwen voor andere doeleinden. Hier liepen handelaren, priesters, en koeien door elkaar. Kilmacduagh was een rijke, welvarende en belangrijke plek.



In 2014, ruim 1400 jaar later, is er verrassend weinig veranderd. Er loopt namelijk nog steeds vee in het klooster van Kilmacduagh. Een groep koeien graast rustig wat gras tussen de oude stenen vandaan en doen hun behoefte op de eeuwenoude ruïnes van dit bijzondere kloostercomplex. Verbouwereerd staan mijn ouders en ik voor het hekje te kijken naar dit, toch wel grappige, beeld. Dit is nou typisch Ierland – eeuwenoude overblijfselen zijn zó veelvoorkomend en dus zó normaal (je kunt niet met je ogen knipperen of er staat weer een andere kasteelruïne, kerkruïne of megalithische tombe) dat men er eigenlijk niets aan doet om het te onderhouden of netjes te houden voor toeristen. Iets bezoeken in Ierland kost over het algemeen veel klim- en crosscountry-werk en je moet niet bang zijn om door schapen- en koeienvelden heen te lopen.
Hoe dan ook, na een muurtje klimmen konden we rondlopen door het complex. Vandaag de dag bestaat het klooster van Kilmacduagh nog uit de ruïnes van een abdij, het huis van de Abt, vier kerken en een scheefstaande Round Tower. Rondwandelend in de stilte van the Burren met de prachtige bergen en heuvels op de achtergrond was het een vredig plekje. 


Een paar dagen later zit ik in ons vakantiehuisje in Corofin naar een kaart te staren die bij dat huisje hoort. Mijn oog valt op de poëtische naam ‘Oughtmama’, in het noordoosten van de Burren. In het midden van een verder leeg gedeelte van de kaart staat ‘‘Oughtmama: Deserted Village’’. Dat trok onze aandacht. De volgende dag racete onze bolide de heuvels van de Burren in. Ergens langs de wat grotere weg (een immer relatief begrip in Ierland) moesten we een weggetje rechts, en aan het eind van dat weggetje zou de plaats Oughtmama moeten liggen. Helaas zijn verkeers-, naam- en toeristen-bordjes ook een moeilijk fenomeen voor Ieren waardoor vele plaatsen onvindbaar zijn als je er niet al veertig jaar in de buurt woont. Zo was er nu ook geen enkel bordje te vinden. Er ging echter maar één weg naar rechts en dat was een steil omhooglopend ieniemienie kiezelweggetje met grote gaten erin. We gokten het erop. Toen de weg onbegaanbaar werd (al vrij snel) zetten we de auto aan de kant en liepen de berg omhoog. Op een hoog punt konden we uiteindelijk om ons heen kijken en ja hoor, midden in een Burren-landschap van grijze stenen zagen we een groene oase. Dit moet ooit het dorp zijn geweest. 

Infrastructurele moeilijkheden maken altijd deel uit van een toeristische attractie in Ierland :-)

Boven: Uitzicht vanaf de berg. Onder: Groene oase in een onvruchtbaar landschap. In de verte zie je de ruïnes van Oughtmama.

Wat een vreemde plek om een dorp te bouwen. Oké, aan de ene kant is het logisch, want men heeft gebouwd op een vruchtbaar stukje land te midden van een anders onvruchtbaar landschap. Het ligt beschut tussen de bergen. Maar, het ligt zo hoog, en zo ver van de bewoonde wereld af, dat het niet moeilijk voor te stellen is dat het leven hier te zwaar was om ermee door te zetten. We zagen de akkertjes, de stenen muurtjes die tuintjes en erfjes scheidden. Nu liepen er wat koeien. In de verte zagen we een ruïne. Daar moesten we naar toe. Gezien het feit dat er nog steeds geen enkel aanwijsbordje stond en het duidelijk was dat hier in geen 164 jaar een toerist was geweest, bleek het, wederom, een uitdaging. Gelukkig ben ik na ruim drie maanden reizen door Ierland wel wat gewend. Als je in Ierland wat wilt zien, moet je er wat voor over hebben. Weer moesten we hekken klimmen, dwars door zompige weilanden stampen, over platte kalkstenen huppelen, onder bossen door kruipen en over stenen muurtjes springen. We liepen eerst door de akkertjes en de geruïneerde cottages, waar niet veel anders meer van over was dan losse stenen, en ruwe contouren en funderingen van wat het ooit was geweest. Toen we ons een weg baanden door de bossen richting de kerk, bleken het er drie te zijn. Of eigenlijk waren het twee kapelletjes en één grotere kerk. Het was een magnifiek gezicht, volmaakt verval in een prachtige omgeving. 





En ja hoor, daar, in één van die kerkruïnes, stond een informatiebord. Helaas was die zo groen dat je er weinig meer van kon maken. Later, toen ik weer internettoegang had, heb ik wat dingen opgezocht over deze vreemde plek. Er is weinig bekend over Oughtmama, alleen dat het geassocieerd wordt met, daar is ’ie weer, st. Colman. Dat kan best, want het grotverhaal bewijst zijn voorliefde voor geïsoleerde plekken in de Burren. Ooit was het zo’n belangrijk dorp dat er naast de drie kerkjes ook een molen was, en een enorm dikke verdedigingsmuur rondom het dorp. Met de bouw van Corcomroe Abbey een paar kilometer verderop verloor de plek zijn status. Dit was rond de 12e eeuw. Daarna is dorp vermoedelijk geleidelijk aan verlaten. Dit is apart. Hoewel er bizar veel spookdorpen en verlaten huizen, kastelen en kerken zijn in Ierland, zijn deze vaak pas veel later achter gelaten, vaak tijdens de Great Famine in de 19e eeuw, veel later dus.

Corcomroe Abbey, de reden waarom Oughtmama werd verlaten.

Oughtmama is al sinds de Middeleeuwen alleen. Nu de laatste decennia ook eventuele toeristen deze bijzondere plek vergeten (met dank aan de infrastructurele omstandigheden) staan de overblijfselen van wat eens was des te eenzamer.