dinsdag 1 december 2015

Sunterkloas: het Sinterklaasfeest in Groningen

Ooit was er eens een héle lieve man. Hij heette Nicolaas van Myra. Myra lag in Klein-Azië, het huidige Turkije. Dat hoorde toen bij het Romeinse Rijk. Nicolaas werd bisschop van Myra en heeft in zijn tijd heel veel goede dingen gedaan. Er zijn drie bekende legendes die hem tot een kindervriend maken. 

Zo gaat het verhaal dat een herbergier eens drie scholieren heeft vermoord, maar dat de kinderen door Nicolaas weer tot leven werden gewekt. In het tweede verhaal vergeet een moeder haar kind in een heet bad en behoedde Nicolaas het kind van verbranding. Het derde verhaal is misschien het bekendst: de legende van de drie arme meisjes die dankzij Nicolaas konden trouwen. Ze hadden een bruidsschat nodig om met hun grote liefde te kunnen trouwen, maar dat kon niet omdat ze arm waren. Dat kwam Nicolaas ter ore, en omdat hij uit een welvarende familie kwam, gooide hij ’s nachts drie zakjes met giften door het raam naar binnen.

Sinterklaasintocht bij de Ossenmarkt, Groningen, 1959 (foto: Hans Zant)

Het Sinterklaasfeest door de eeuwen heen: van bisschopsverering tot boeman tot kindervriend

Nicolaas stierf 6 december 342 of 352. Er is verder vrij weinig over hem bekend. In principe werd hij in de vroege Middeleeuwen enkel geëerd in het zuidoosten van Europa. Toen hij in de dertiende eeuw zijn naamdag werd vastgesteld, groeide ook zijn populariteit. Al snel werd hij tot beschermheilige van kinderen gemaakt. In december werd het kinderbisschopsspel gespeeld: op 6 december werd een kinderbisschop met aanhang verkozen die van voedsel en geschenken werden voorzien. Andere kinderen kregen geld en een vrije dag van school. In Nederland liepen kinderen verkleed door de straten en kregen bisschopsgeld van voorbijgangers. 

Al in de vijftiende eeuw werd er geld in kinderschoenen gedaan. De opbrengst ging naar de armen. Uit archiefstukken blijkt dat vanaf 1427 in de Sint-Nicolaaskerk in Utrecht schoenen werden gezet op 5 december. De welgestelde Utrechters legden wat in de schoenen en de opbrengst kon dan de volgende dag onder de armen worden verdeeld.

Schoen zetten, Groningen, 1958 (foto: Hans Zant)

In de zeventiende eeuw konden protestantse bezwaren geen einde maken aan het Sinterklaasfeest. In tegendeel, het feest werd –voornamelijk onder de rijkeren – steeds groter gevierd. Kinderen konden nu ook thuis hun schoentje zetten. Dit deed me denken aan een schilderij van Jan Steen dat ik laatst in het Rijksmuseum heb gezien. Het schilderij heet ‘Het Sint-Nicolaasfeest’ en werd tussen 1665 en 1668 geschilderd. Op het doek is te zien hoe een chaotisch huishouden de vooravond van het traditionele Sinterklaasfeest viert (de vooravond is dus de 5e december). Deze vooravond zou later pakjesavond genoemd worden. De jongste dochter van het gezin houdt blij een pop in haar handen; haar oudere broer huilt want zijn schoen is leeg gebleven. Tot niet heel lang geleden werd er enkel op 5 december een schoen gezet; momenteel kunnen kinderen vanaf Sinterklaas’ intocht hun schoentje al zetten. 

In de loop der jaren is de religieuze verering veranderd in een volksfeest. Sinterklaas werd nu gevierd met markten, waar vulgair gedrag en met name openbaar dronkenschap geen zeldzame verschijningen waren. Ook werd Sint Nicolaas nu regelmatig afgebeeld als boeman waar kinderen bang voor moesten zijn. Dat kennen we nu nog wel een beetje in de zin van ‘wie zoet is krijgt lekkers, wie stout is krijgt de roe’. Toch keerde men zich in de achttiende eeuw tegen dit beeld en moest Sint Nicolaas weer een heilige zijn die kinderen op een vriendelijke manier gehoorzaamheid aanleerde. In de negentiende eeuw werd Sint Nicolaas ook onderdeel van het onderwijs en veranderde hij in een daadwerkelijk ‘persoon’: tot die tijd deed hij enkel in zijn onzichtbare gedaante een cadeautje in de schoen. 

De moderne Sinterklaasviering 

Het moderne volksfeest zoals we dat nu kennen is voor een groot deel gebaseerd op boekjes van onderwijzer Jan Schenkman (1806-1863). Schenkman introduceerde de elementen ‘stoomboot’, ‘paard’, ‘Spanje’ en ‘Zwarte Piet’. Ook schreef hij ons aller favoriete ‘Zie ginds komt de stoomboot’.

Sinterklaas vaart Groningen binnen, Oosterhamrikkade, nabij Zaagmuldersbrug, Groningen, 22-11-1958 (foto: Hans Zant)


De invulling van pakjesavond werd ook veranderd. Zoals gezegd werd die avond tot redelijk recent gebruikt om een schoen te zetten, maar nu wordt dat vaak al gedaan op de zaterdag van Sinterklaas’ intocht. Een pakjesavond was voor de Tweede Wereldoorlog niet heel gebruikelijk; dit had te maken met de crisisjaren. De toenemende welvaart na 1945 zorgde ervoor dat Sinterklaas jutezakken met geschenken kwam brengen. Daarnaast was het niet echt een kinderfeest meer: ook volwassen vieren het en geven elkaar cadeautjes. Heden ten dage wordt pakjesavond vooral gevierd met Sinterklaasgedichten en -surprises. Hoewel het Sinterklaasfeest in een gematigde en gevarieerde wijze gevierd wordt door heel Europa, is pakjesavond typisch Nederlands fenomeen. 

Zonder liedjes en pepernoten geen Sinterklaas

Geen Sinterklaasfeest zonder Sinterklaasliedjes. Deze worden met name gezongen bij de intocht, bij het schoen zetten en aan het begin van pakjesavond. De oudste liederen stammen uit de zestiende eeuw; dit waren vaak heiligenliederen. In de zeventiende en achttiende eeuw zong men liedjes die de Sint als huwelijksmaker afschilderden. Pas in de negentiende eeuw werden er een aantal bestaande volksliedjes over Sinterklaas geschreven, vaak kinderdeuntjes zoals ‘Sinterklaasje bonne bonne bonne’.

En een Sinterklaasfeest zonder snoepgoed is natuurlijk ook niet in te denken. Speculaas, chocoladeletters, banketletters, borstplaat, marsepein… En strooigoed als schuimpjes, taai-taai en natuurlijk de geliefde kruid- of pepernoten. Kruidnootjes worden al sinds de middeleeuwen met Sinterklaas gegeten. Die werden gemaakt met speciale specerijen, die eerst werden meegenomen door de kruisvaarders en later door de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC). In traditionele kruidnoten werd witte peper gebruikt (pepernoten). De vorm van een kruidnoot lijkt op die van een muntje en verwijst naar het strooien van geld, net zoals Sint Nicolaas ook al deed bij de drie meisjes die wilden trouwen. Zo is het strooigoed ontstaan. 

Sinds kort is in de wintermaanden in veel steden, waaronder Groningen, de Pepernotenfabriek van Van Delft te vinden – die pepernoten naar authentiek zeventiende-eeuws recept verkoopt.

‘Sunterkloas’ in Groningen

Nu we toch bij Groningen zijn aangekomen, laten we dan gelijk doorgaan met een kijkje in de Groninger tradities rondom het Sinterklaasfeest. Natuurlijk zijn er veel overeenkomsten met de landelijke viering, maar hier en daar zijn verschillen te bemerken. 

‘Opzetten’

In Groningen werd er gesproken over een schoen ‘opzetten’, met de bedoeling dat de Sint er wat leuks of lekkers in achter zou laten. Maar er werden niet alleen schoenen opgezet, ook mandjes of borden. Op die borden werden dan brood, hooi en mous (boerenkool) gelegd, voor het paard. Dat werd nabij de open haard geplaatst. Kinderen zongen er dan het volgende liedje bij:

Sunterkloas dij goie bloud,
geef mie n puutje sukkergoud,
nait te veul en nait te min,
smiet mie t mor tou schosstain in

De volgende ochtend lagen er allerlei lekkernijen op het bord, zoals een suikerbeest of een ‘stoerkerel’ (broodje in de vorm van een mannetje). Ook las ik iets over een ‘swoan ien t nust’ – maar wat dat is weet ik niet precies. U misschien wel? Soms lag er een speculaas op het bord. Die kon de vorm van een Sinterklaas hebben, maar ook van een paard of een haan. De haan-speculaas was best dik en kostte daarom wat meer. Een ‘stoter’ was 12.5 cent. Dat was destijds best veel, daar komt dan ook de volgend Groningse uitspraak vandaan: ‘hai stapt as n stoterze hoan’.

Schoen zetten bij de kachel, Groningen, 1958 (foto; Hans Zant)

Af en toe vond een kind een zakje zout en een plak koolraap op zijn bord. Dat betekende dat het kind te oud was om ‘op te zetten’. En, zo noteert Fré Schreiber, werd het kind dus ‘ofzoltjet’. 

Swaarde Pait, as t nait vrust,
breng mie din n swoan ien t nust,
gooi t mor op mien widde bord,
en om mie gain puutje zolt.

Een mooie Groninger traditie is dat boerendienstboden ook op mochten zetten. Zij plaatsten dan een halfmudsmaat (50 liter) op de dorsvloer, waar hooi en koolbladeren in gelegd werden voor het paard. De Sint (of de boerenfamilie) plaatste dan een fles jenever of brandewijn, appels en ‘olle wieven’ (oude wijvenkoek). Dat waren dus heel andere cadeaus dan de kinderen kregen (gelukkig maar). 

Sunterkloas, goa joen gaang,
mit joen boerenklompen aan.
breng n stukje sukkergoud
Sunterkoas, goa joen gaang
mit joen boerenklompen aan
Sunterkloaske, goie bloud!

Sinterklaaslopen

Sinterklaaslopen is een volksfeest uit Zoutkamp dat op een zaterdag rondom 5 december wordt gevierd. Zowel mannen en vrouwen gaan ’s avonds verkleed door de straten. Eerder droegen ze veelal witte lakens als een spook, met een zwarte hoed op en een ketting aan het been. Nu zijn de kostuums meer een knipoog naar recente gebeurtenissen in het dorp. Sowieso dragen ze ‘schebèlskoppen’ (maskers). De Sinterklaaslopers gaan huizen binnen waar licht brandt. De mensen thuis stellen vragen om erachter te komen wie de masker-dragende persoon is. Die probeert onherkenbaar te blijven, pas als men raadt wie het is, gaat het masker af. Dan is het tijd voor een neutje.

Het feest in Zoutkamp kent grote overeenkomsten met het Sinterklaaslopen op de Waddeneilanden, zoals Klozum op Schiermonnikoog en Klaasohm op Borkum. 

Sinterklaasintocht, Groningen, 1950 (foto: Hans Zant)

Sint Nicolaas als patroonheilige van Groninger kerkjes

Over Zoutkamp gesproken, we blijven nog even in maritiem Groningen. Sint Nicolaas was namelijk niet alleen beschermheilige van kinderen, maar ook van zeelui. Als een boot ten onder dreigde te gaan, en zeelieden dreigden te verdrinken, riep men Sint Nicolaas aan. De goedheiligman verscheen dan en bracht de zee tot bedaren. Daarom is Sint Nicolaas ook patroonheilige van havensteden zoals Amsterdam. Het is misschien ook een verwijzing naar waarom de Sint een stoomschip heeft. 

Veel kerkjes in vissersplaatsjes zijn gewijd aan deze maritieme heilige. Heel vroeger lagen de Groninger dorpjes Oldenzijl en Oosternieland aan de kust en dus speelde de zee een grote rol in het dagelijks leven van de inwoners. Beide dorpjes hebben een Sint-Nicolaaskerk. Je kunt er ook een Nicolaaswandeling maken, misschien een goed idee als al die pepernoten en chocoladeletters er weer af gelopen moeten worden (haha). Klik hier voor meer informatie. 

Sint-Nikoloas, dat is n boas,
veur kinder en veur mensen.
Wie verlangen noar Nikloas
noar hom is aal ons wensen.

Overigens is Sint Nicolaas ook beschermheilige van een hele reeks andere bevolkingsgroepen, waaronder apothekers, boogschutters, ongehuwde vrouwen, kooplieden, slagers, studenten en geliefden. Ook beschermt hij de uitoefenaars van wat twijfelachtige beroepen zoals prostituees, dieven, moordenaars en piraten.

Ontvangst van Sinterklaas door college van B&W op het hoofdcommissariaat van politie, Groningen, 1959 (foto: Hans Zant)

Liedjes

In de Groninger Archieven zijn twee boekjes met vergeten Sinterklaasliedjes te vinden, die beide zijn geschreven door Groninger dichters. Het eerste boekje heet ‘5 Twee en Driestemmige Sint Nicolaasliedjes’ en werd in 1895 uitgegeven. De liedjes waren geschreven door onderwijzer Jan Eppo Boneschanscher. Hij werd geboren in Oostwold nabij Midwolda en werd later hoofd van de lagere school in Zuurdijk. Het andere boekje was van Jan Jacob Anthonie Goeverneur’s hand en was genaamd ‘J.J.A. Goeverneurs Laatste Sint Nicolaas. Nieuwe prettige versjes, vertelseltjes en liedjes’. 

Deze werd ook in de negentiende eeuw geschreven. Beide liedboekjes bevatten duidelijke opvoedkundige elementen. Ook wordt er gewezen op armoede en de minder bedeelde mensen in onze samenleving. Dat heeft een link naar de oorsprong van het feest – en bovendien is het een factor die we nu soms vergeten in onze Sinterklaasviering. Voor meer informatie over deze boekjes en deze liedjes, klik hier.

Sinterklaas op bezoek, Groningen, 1951 (foto: Hans Zant)

We zijn in de loop van dit verhaal al enkele Groningse volksliedjes tegen gekomen. Vaak zijn ze op de melodie van bestaande Nederlandse Sinterklaasliedjes en niet veel langer dan vier regels. Waar Groningse kinderen ook erg goed in waren, was de kunst van het scheldliedjes verzinnen. Deze scheldtaimkes werden gezongen door de wat oudere kinderen die niet meer in de goede Sint geloofden. Natuurlijk zijn we daar allemaal heel benieuwd naar, dus hier zijn een paar:

Sunterkloas dij goie man,
Lopt op kop tegen t schiethoes an.

Of:

Sunterkloas kin nait meer komen,
want hai is aal joaren dood,
hai ligt in de kerk van Romen,
mit zien baaide billen bloot.
Blijkbaar is het achterwerk van de Sint een populair onderwerp in de Groninger taal. Volgens Fré Schreiber bestaat ook de volgende uitdrukking: ‘Dij kouk is zo dreug as Sunterkloas zien kont.’

Sinterklaas op school, Oosterpoort, Groningen, 1960 (foto: Hans Zant)
---
Om dit verhaal op een nette en vrolijke manier af te sluiten, was ik op zoek naar een fatsoenlijk Gronings liedje. Dat bleek een moeilijker opdracht dan ik in eerste instantie had gedacht. Op het laatst heb ik het maar opgegeven, dus hier is nog één (ook niet geheel beschaafd) Gronings liedje: 

Sunterkloas, dij haailege man,
trekt zien beste stappers an,
Komt der mit van Amsterdam,
van Amsterdam noar Spanje,
appeltjes van Oraanje,
neuten van muskoaten,
smit e over stroaten,
lutje kinder kriegen wat
groten kriegen n schop veur t gat.

Wat zijn uw herinneringen, of die van uw (groot)ouders aan Sunterkloas? En kent u nog meer Groningse liedjes? 

Aan al mijn lezers alvast een fijne 5 december toegewenst!

Bronnen
De verhalen van Groningen. ''Vergeten Sinterklaasliedjes van Groningse dichters.'' http://www.deverhalenvangroningen.nl/alle-verhalen/vergeten-sinterklaasliedjes-van-groningse-dichters
Dijken, van, A. en F. Schreiber. Midwintertied: n Bouk vol verhoalen en informoatsie over feesten en tied van Suntermeerten (11 november) tot Lichtmis (2 feberwoarie). Bedum: de Haan, 2012.
Landmerken. ''Oldenzijl/Oosternieland.'' http://www.landmerken.nl/locaties/oldenzijl-oosternieland/het-verhaal-van-oldenzijl-oosternieland/
Schreiber, F. Groningse volksgebruiken het hele jaar rond. Ede: Verba, 2005.

zondag 22 november 2015

Van Lauwerszee tot Dollard tou, deel 3: van Hornhuizen naar Broek


In dit gedeelte van mijn tocht langs de Groninger kustlijn fiets ik van het dorpje Hornhuizen naar het gehucht Broek. Ik doe dan zes naast elkaar gelegen plaatsjes aan: Hornhuizen, Kruisweg, Kloosterburen, Molenrij, Kleine Huisjes en Broek. Over elk dorpje heb ik een klein verhaaltje geschreven. 


Op pad!


De kerktoren van Hornhuizen

In Hornhuizen was ik al eens eerder. Een aantal jaren terug was ik met mijn moeder en oma op een mini-fietsvakantie in Noord-Groningen en toen verbleven we in Hornhuizen. Het dorpje heeft me nooit geheel losgelaten. Ten eerste vanwege de mooie accommodatie waarin we verbleven, zo prachtig gelegen in deze weidse Groningse uithoek, en ten tweede vanwege een element dat tevens ook de bekendste eigenschap van het dorpje Hornhuizen is: de kerktoren. 

De huidige toren stamt uit de veertiende eeuw. In 1814 stortte het bovenste gedeelte in en kwam er een zogenaamde ‘lantaarn’ voor in de plaats – dit is een koepeltje. Een tijdje later kreeg Hornhuizen de torenklok van Ranum. Vanuit het koepeltje kunnen bezoekers nog altijd van het uitzicht genieten: in de verte strekt het Wad zich uit, en op heldere dagen is zelfs Schiermonnikoog te zien. 

Hornhuizen.

De kerktoren is altijd van verre te zien en bijzonder herkenbaar, want die is felgeel geverfd. Dit wordt ook wel ‘Grunnegs gold’ wordt genoemd: hardgeel dat voor bladgoud door moet gaan. Dat is niet voor niets: ooit deed de toren namelijk dienst als vuurtoren. Bovenin de toren heb je zoals gezegd een fantastisch uitzicht over de Waddenzee. Die zee kon erg verraderlijk zijn; niet zelden liepen schepen vast of vergingen in de woeste golven. Alleen zeelui uit de buurt, die de Waddenzee precies kenden, wisten waar de geulen liepen. Daarom was de vuurtoren erg belangrijk om de weg te wijzen. 

Voor er van die grote vuurtorenlampen waren, werden open vuren aangestoken om het scheepsverkeer de weg te wijzen. Vaak diende de kerktoren als zo’n toren waar het vuur op aan werd gestoken. Niet verwonderlijk dus dat er af en toe zo’n kerktoren afbrandde. De toren van Hornhuizen werd in 1247 verwoest door een hevige brand. Of deze ontstond door zo’n vuurtorenbrandje, is niet geheel zeker – maar wel waarschijnlijk. 

Bron: Landmerken. ''Hornhuizen.'' Geraadpleegd 03-11-2015. http://www.landmerken.nl/locaties/hornhuizen/het-verhaal-van-hornhuizen/

De kerktoren van Hornhuizen.


Het kruispunt van Kruisweg

Het volgende dorp is Kruisweg. Dat bestaat uit een kruispunt, een stel krielkippen dat over straat scharrelt en, als een fata morgana, een supermarktje. Ik heb al een tijdje dorst dus race ik naar binnen. Er is één kassa open, er is één medewerker en er één andere klant. Hij koopt een kratje bier en ik een doosje met druiven. We knikken vriendelijk naar elkaar. Daarna gaan we ieder ons weg. Hij in zijn afgeragde Golf, ik op mijn afgeragde Batavus. 

Ik ken Kruisweg eigenlijk helemaal niet, dus maak ik even een rondje. Dit dorpje is pas in de negentiende eeuw ontstaan, om woonruimte te bieden aan de polderwerkers. Er staan nu zo’n 150 huisjes. Waar de naam ‘Kruisweg’ op slaat is natuurlijk niet erg moeilijk te achterhalen: het dorpje is ontstaan op een kruispunt van de weg van Kloosterburen naar Hornhuizen en de weg van Leens naar de kust. Overigens heette Kruisweg eerst Uilennest; het was genoemd naar één van de grote boerderijen in de buurt. Om één of andere reden had deze naam volgens de gemeenteraad van de voormalige gemeente Kloosterburen een negatieve bijklank. Daarom werd in 1923 gekozen voor de huidige naam. 

Bron: van der Ploeg, P. Doorlopen van Kruisweg 1850-2010. Groningen, de Marne, 2011.

Carnaval in Kloosterburen

Vervolgens kom ik aan in Kloosterburen, waar ik maar weinig van weet, behalve dan dat het elk jaar een carnavalsoptocht kent. Dat weet ik, omdat Kloosterburen al jaar en dag met (mijn) Ter Apel concurreert om de eervolle titel van wie het grootste carnavalsfeest van het Noorden heeft. Dat is een bijzonder gevoelige kwestie. Veel concurrentie hebben Kloosterburen en Ter Apel niet: het zijn namelijk de enige dorpen in Groningen met een eigen carnavalsvereniging (eigenlijk hoor ik als Troapeler hierbij wel trots te vermelden dat Ter Apel er zelfs twee heeft). 

Enfin, deze carnavaleske activiteiten in Kloosterburen duiden natuurlijk op katholicisme. Dat is wel een beetje vreemd, want het overgrote deel van het Hogeland is hervormd. Aan de andere kant is het ook niet zo vreemd, want de naam ‘Kloosterburen’ verwijst al naar een katholieke geschiedenis. Vroeger hebben hier namelijk twee kloosters gestaan: Oldeklooster (rond 1175) en Nijenklooster (1204), die beide toebehoorden tot de Premonstratenzers. Die zijn er helaas niet meer (in Ter Apel hebben we nog wel een middeleeuws klooster) (maar dat terzijde).

Nee maar in alle eerlijkheid – ik vind Kloosterburen een uiterst charmant dorpje. Alles straalt knusheid uit. Ik zou graag nog eens carnaval willen meemaken in het Kronkeldörp (de naam van Kloosterburen in carnavalstijd)!   

Kloosterburen in 1905. Links de katholieke kerk. (foto: Hans Zant)


Geen molens in Molenrij

In het volgende dorpje, Molenrij, zit een jongetje te vissen aan een kanaal. Hij staart me ongegeneerd aan terwijl ik een rondje loop. Het kanaal waar hij zich zo geduldig bevindt, heet de Molenrijgstermaar. Er is een klein haventje en die is goed te bereiken voor boten; er liggen dan ook verschillende mooie vaartuigen. De huizen zijn redelijk statig; dit geeft Molenrij een enigszins chique uitstraling. 

Onder het aloude Groningse motto ‘waarom lange woorden gebruiken als het kort kan’, wordt Molenrij in het Groningen simpelweg ‘Rieg’ genoemd. Het woord ‘rij’ of ‘rijge’ duidt op een rij huizen, en dus niet op een rij molens. Toch is Molenrij ontstaan rond drie molens die hier hebben gestaan. Verwarrend! In principe betekent Molenrij dus ‘een rij huizen rondom molens’. Of zoiets. 
Hoe dan ook, van de molens is er geen over. De eerste werd gebouwd in 1543 en de laatste brandde in 1955 af. In het begin van de jaren negentig is er geprobeerd enkele van de molens te herbouwen, maar helaas waren de fondsen niet toereikend.

Leuk feitje: vroeger stond hier nog een mosterdfabriek waar Marne-mosterd werd geproduceerd (je weet wel, die bekende mosterd die in alle supermarkten te verkrijgen is). 

Het haventje van Molenrij.


De Grote Boerderijen en Kleine Huisjes van Kleine Huisjes

Kleine Huisjes, of Lutje Hoeskes, is ontstaan omdat er huisvesting moest komen voor de polderwerkers in de negentiende eeuw. Kleine Huisjes doet zijn naam eer aan want er staat heel veel kleine huisjes. 

Feddemaweg, Kleine Huisjes, 1970. (foto: Hans Zant)

Er zijn echter wel enkele oudere en grotere boerderijen nabij Kleine Huisjes. Oud Bokum en Nieuw Bocum zijn twee van zulke boerderijen. In het verleden heeft op de plek van deze boerderijen zelfs een steenhuis (voorloper van een borg) gestaan, met de naam Bokema. De laatste vermelding hiervan is al in 1615. Het steenhuis maakte plaats voor een boerderij, maar die was geen lang leven beschoren. In 1717 verdween de boerderij in de golven van de Kerstvloed. Nadien werd de dijk iets ten zuiden weer opgebouwd, en kwam de boerderij Bocum dus ook zuidelijker te liggen. Toch is de plek van het oude steenhuis nog duidelijk te zien in het landschap: het perceel steekt boven de omliggende weilanden uit. Boerderij Bocum werd in 1819 gesplitst in de reeds bestaande boerderij Oud Bokum en de nieuwe boerderij Nieuw Bocum. De boerderij en bijschuur van Oud Bocum hebben de status van rijksmonument.

Niet ver van Bokum ligt de Ikemaheerd. Dit is nog zo’n oude boerderij. Deze behoorde tot 1594 toe aan het eerder genoemde Oldenklooster (bij Kloosterburen). Boerderijen die toebehoorden tot kloosters werden ‘voorwerken’ genoemd en zorgden voor het nodige eten. Na de Reductie van Groningen verloor de boerderij deze functie. Ook de Ikemaheerd heeft de Kerstvloed niet overleefd. In 1717 verdronken alle bewoners. De boerderij werd ten zuiden van de nieuwe dijk heropgebouwd, en in 1865 weer afgebroken – om 22 jaar later iets oostelijker weer te worden herbouwd.

Bron: Beukema, G.F. ''Nieuw Bocum", "Oud Bokum" en "Ikemaheerd". In: Gedenkboek Nijverheid 1991. Deel 2: Boerderijen in de Marne en hun bewoners. Leens: Vereniging ter Bevordering Landbouw en Nijverheid, 1991.

Foto van een schilderij dat de wederopbouw van Oud Bocum afbeeldt, na de verwoesting in 1717. (beeldbank.nl)


Bedwelmd in Broek

In het gehucht Broek kom ik voor een reeks verleidingen te staan. Dat is onverwacht, want Broek is maar heel klein (63 inwoners), dus dan zou je niet denken dat ik daar drie keer op de rem moet trappen omdat mijn aandacht getrokken wordt door iets bekoorlijks. Toch gebeurt dat wel.  

De eerste stop is tussen Kleine Huisjes en Broek. Daar word ik verrast door een veld vol lathyrus (pronkerwten) in allerlei kleuren. Het is een haast feeëriek gezicht. Even overweeg ik me in het veld te werpen, maar dat is natuurlijk wel een beetje raar. Bovendien zwermen er enorm veel wespen rond. De heerlijke geur die de bloemen verspreiden – en die mijn kant op wordt geblazen door de aantrekkende wind – zorgt ervoor dat ik bedwelmd verder fiets. 

Allemaal pronkerwten!


Verderop, in Broek zelf, verkoopt iemand verse tuinbonen die je zelf nog uit de megaboon moet halen, weet je wel. Even overweeg ik wat mee te nemen, maar mijn tas zit al zo vol en ik moet nog een eind fietsen. Spijtig fiets ik door. 

Ik ben nog niet goed en wel onderweg of ik zie weer iets waar ik niet zomaar langs kan fietsen. Het is een zorgboerderij met een ambachtelijke kaasmakerij en boerderijwinkel. Hier wordt op authentieke wijze kaas gemaakt van geitenmelk. Ik houd van kaas. De kazen die hier gemaakt worden hebben duidelijk een element van ‘Wadden’ in zich: zo zijn er bijvoorbeeld soorten met zeewier en zeekraal te vinden! Jummie… 

Oude Dijksterweg, Broek. (foto: Hans Zant)


------
En zo ben ik, al kaas-etend, bij het eindpunt van deze aflevering gekomen. Volgende keer zal ik in Pieterburen arriveren, en dat belooft natuurlijk ook een bijzonder verhaal te worden.


dinsdag 17 november 2015

Detectives gevraagd!

Hans Zant en ik zijn op zoek naar informatie over onderstaande foto's. Het gaat om een trein- of spoorongeluk op de (voormalige) Marnelijn van Winsum naar Zoutkamp of de lijn van Groningen naar Delfzijl.

De enige aanknopingspunten zijn het huis op de achtergrond van de eerste foto, en de molen op de achtergrond van de tweede foto (al kunnen die inmiddels wel afgebroken zijn).

Zou het hier kunnen gaan om het treinongeluk van 16 oktober 1940 bij Ranum, waarbij dertien polderwerkers om het leven kwamen? Of gaat het om wat anders?

Alle tips, hints, of mogelijkheden zijn welkom! Laat ze achter in een reactie of mail ze naar sanne.meijer@live.nl.



dinsdag 10 november 2015

Suntermeerten: Sint Maartenviering in Groningen

k Stoa veur joen deur 
En t is duuster
Mit mien lanteern
En ik luuster.
Komt der nog ain?
Ik kin niks zain;
Aans goa k weer vot
Ien t duuster.

Dit was het eerste (en volgens mij ook enige) Groningse Sint Maarten-liedje dat ik heb geleerd op de basisschool. Ik was een fervent Sint Maarten-loper, want op die manier kon ik mijn bijzonder povere zangkunsten ten gehore brengen en daarmee ook nog snoepjes verdienen. Wat wil een kind nog meer! Daarnaast woonden we nogal achteraf en de bewoners van de huizen en boerderijen die ik aandeed waren maar al te blij überhaupt een Sint Maarten-loper te zien, dus kregen mijn vriendinnetjes en ik vaak boterhamzakjes gevuld met verschillende soorten snoep en mandarijnen. 

Natuurlijk waait het altijd verschrikkelijk hard op 11 november. Aangezien ik nooit fan ben geweest van vuur was ik erg blij met mijn elektrisch verlichte lampion. Ik begreep er niets van als mijn ouders vertelden dat zij vroeger liepen met lampjes van kaarslicht: dat kon toch niet erg brandveilig zijn? Enfin, het mooiste moment brak aan als ik dan thuiskwam na het Sint Maartenlopen: dan werden alle verdiensten uitgestald op de keukentafel en in groepjes gelegd: spekjes bij spekjes, Haribo bij Haribo en Snickers bij Snickers. Jammer genoeg lag alles na het Sint Maarten feest nog lange tijd in de kast, want eigenlijk lustte ik helemaal geen snoepjes (en chocola was ik ook niet echt gek op). Maar ach, Sint Maarten ging om het gevoel van beloning na geleverd werk – en om de complimentjes die ik in ontvangst mocht nemen voor de mooie doch vals gezongen liedjes en de redelijk onhandig in elkaar geknutselde lampion. 

Suntermeerten, Nieuwe Boteringestraat, 11 november 1955 (foto: Hans Zant)

Omdat ik altijd uitkeek naar Sint Maarten (het betekende voor mij tevens het begin van de gezellige Sinterklaas-Kerst-Oud&Nieuw-tijd), ben ik er op één of andere manier altijd van uitgegaan dat het een landelijk feest was. Groot was mijn verbazing dan ook, toen, jaren later, iemand uit een ander deel van Nederland mij vragend aankeek terwijl ik een verhaal over Sint Maarten vertelde. 

Blijkbaar is Sint Maarten een redelijk lokale feestdag, dat overal ook nog eens op een andere manier gevierd wordt en soms zelfs op een andere datum. In Groningen, Noord-Holland en Limburg is de Sint Maartenviering het meest actueel en veelvoorkomend. In andere streken van Nederland komt het in mindere mate voor. En niet alleen in Nederland: ook delen van België, Duitsland, Oostenrijk en Hongarije kennen het feest – al is de viering in elke regio weer totaal anders. Zo heeft de feestdag in Duitsland niet alleen te maken met de heilige Martinus maar ook met Maarten Luther en pepernoten (?) en in België is Sint Maarten een kruising tussen Sinterklaas en een Romeinse soldaat en heeft hij soms een Zwarte Piet bij zich (??). 

Daar ga ik hier verder niet op in, ik zal me proberen te focussen op Suntermeerten in Groningen. Maar eerst: wat vieren we nou eigenlijk met Sint Maarten? 

Daar is eigenlijk geen eenduidig antwoord op te geven: er zijn meerdere mogelijkheden, vaak afhankelijk van waar en hoe het feest gevierd wordt. Ik denk dat dit de algemene aanname is: 11 november is de naamdag van Sint Maarten en op die dag eren wij deze heilige Maarten. Ruim 1600 jaar geleden woonde in een stadje in Frankrijk een bisschop genaamd Martinus. Hij was erg geliefd omdat hij een hele vriendelijke man was die veel over had voor zijn medemens. Als arme mensen op zijn deur klopten, in het donker en in de kou, dan kregen ze altijd wat te eten. Bovendien was hij ook een fameuze dierenliefhebber.

Martinus deed veel betreffende armenzorg en was nooit te beroerd om zijn handen uit de mouwen te steken om anderen te helpen. Martinus merkte dat veel armen en zieken niets wisten van God en Jezus en besloot hier verandering in te brengen. Hij galoppeerde op zijn paard van dorp naar dorp om deze blijde boodschap over te brengen. Op een koude winterdag kwam hij op één van zijn tochten een man tegen. De man lag op de grond, bijna dood van de kou en honger. Martinus greep zijn zwaard en sloeg zijn wollen mantel in twee stukken. Hij gaf de arme man een stuk mantel en wat eten en drinken. 

Suntermeerten, Groningen, 11 november 1935 (foto: Hans Zant)

Elk jaar worden Martinus’ goede daden herdacht. Door op een koude novemberavond langs de deuren te gaan en om eten te vragen, weerspiegelen Sint Maartenlopers de armelui in Martinus’ tijd. Ze hopen dan dat de bewoners zet zo goed zijn als Martinus was. Dat dit niet altijd zo is mag duidelijk zijn – speciaal voor die personen werden er in Groningen dan de volgende liedjes gezongen: 

Hier woont bakker Slokop
dij vret ales zulf op.

Maar het kan nog een tikkeltje meedogenlozer:

Sint-Martinus bokkepoot,
sloag dat olde wief toch dood
want ze wil ons niks geven,
loat ze din nait laanger leven. 

Toch is dit ‘we-bedelen-om-Martinus-te-eren’-verhaal redelijk recent en is het ontwikkeld uit een mengelmoes van tradities. Er wordt flink gespeculeerd over de ontstaansgeschiedenis van het Sint Maartenfeest. Eén groep wetenschappers stelt dat het huidige Sint Maartenfeest zijn oorsprong vindt in een heidens Midwinterfeest: een offerfeest om de goden te danken voor de oogst. Of om boze geesten te verjagen.

Een andere groep wetenschappers denkt dat het gaat om een verbastering van Allerheiligen en Allerzielen: op die twee dagen herdenken katholieken en anglicanen hun doden, door lichtjes te branden. In Winschoten zijn deze dagen onlangs nog gevierd met de Aldrillenmarkt. Maar hoe zit dat precies, want Allerheiligen en Allerzielen vinden echter plaats op 1 en 2 november en niet op 11 november. Op 1 november 1582 kwam paus Gregorius XIII er achter dat zijn kalender niet klopte (het hele schrikkeldag-gebeuren) en dat kalender eigenlijk tien dagen achterliep. Toen was het ineens 11 november en zo werden de lichtjes van Allerheiligen ineens de lichtjes van Sint Maarten. Zie daar de verklaring voor de lampionnen en de grote Sint Maartensvuren. Een andere groep wetenschappers vindt dit weer nonsens en zij stellen dat Sint Maarten een puur kerkelijk feest is en altijd zo is geweest. 

Hoe het ook zij – in Nederland, en ik heb het nu met name over Groningen, is het oorspronkelijke feest ontwikkeld naar een feest verbonden met lichtjes en bedelen. Doordat Sint Maartenlopen dus eigenlijk te maken heeft met arm zijn, kwam het vroeger geregeld voor dat ‘rijke’ ouders hun kinderen verboden mee te doen. Pas in de jaren twintig en dertig van de twintigste eeuw werd bedacht dat Sint Maarten een bijzondere, eigen traditie is die behouden moest worden.

Suntermeerten, Korreweg, Groningen, 11 november 1958 (foto: Hans Zant)

In Groningen gingen kinderen af en toe ook wel eens met een rommelpot langs de deuren in plaats van met een lampion. Een rommelpot is een aardewerken potje of kommetje bespannen met een varkensblaas, waar men met een stuk riet overheen bewoog om er zodoende een eentonig geluid uit te krijgen. Die begeleidde hen dan tijdens het zingen. Toch werd over de rommelpot over het algemeen gebruikt tijdens het Groningse Paasfeest en niet zozeer met Sint Maarten – men koos op 11 november liever voor de lampion. 

Vroeger waren de lampionnen nog niet van karton en vloei- of vliegerpapier, maar werden die op een ingenieuze manier gemaakt uit suikerbieten. De suikerbiet werd uitgehold en er werden figuurtjes uitgestoken en -gesneden. Daar kwam dan een kaarsje in te staan. De gelijkenis met de jack-o’-lantern uit Ierland is treffend: dit is de uitgeholde pompoen met een eng gezicht, die we van Halloween kennen. Een Sint Maartenlichtje wordt in het Groningen een ‘tuutje’ genoemd.

Jongen met een lampion gemaakt uit suikerbiet, Groningen, 11 november 1935 (foto: Hans Zant) 

In zijn boek ‘De Kinderwereld’ uit 1853 herinnert Marten Douwes Teenstra zich dat er op het Hoogeland grote Sint Maartensvuren werden aangestoken. Bij die vuren werd door de jongeren ‘‘lustig gedronken en gezongen, gevrijd en gevochten’’. Jammer genoeg werd er door al deze bezigheden totaal niet omgekeken naar de vuren zelf, zodat die hun eigen gang gingen en de strodaken van de omliggende huizen in lichterlaaie zetten. 

Sint Maarten is ook verbonden met ganzen. Er zijn verschillende verhalen waarom, maar allen komen erop neer dat Martinus niets van die beesten moest hebben (wat wel een beetje afbreuk doet aan zijn imago van dierenliefhebber natuurlijk). Het is in Duitsland, Oostenrijk en Hongarije nog traditie om op 11 november gans te eten. De oogst was van het land, het vee weer op stal. Daarmee was het tijd om vetgemeste dieren te slachten. Daarbij hoorden de slachtfeesten: party’s veel eten en nog meer drank. Sowieso volgden veel mensen een cyclus waarbij er vanaf 11 november gevast werd tot Maria Lichtmis, dus konden ze het er nog even goed van nemen. 

In de loop van de tijd gingen de slachtfeesten samenvallen met de herdenking van de heilige Martinus, en zo vonden er op of rond die datum vaak Sint-Maartensveemarkten plaats. In Groningen at men vooral vetgemeste ganzen als Sint-Maartensvoedsel. Daarnaast at men ook vaak spekpannenkoeken van boekweitmeel en was het gebruikelijk het ganzenbordspel te spelen op 11 november. In Westerwolde deed er met Sint Maarten nog lang een liedje in de rondte:

Er kwam n gaans uut Sassen
Uut Sassen kwam een gaans
Hij was zo wel gewassen,
Gewassen was die gaans. 

De opbrengt van Suntermeerten, Groningen, 11 november 1935 (foto: Hans Zant)

Ondanks alle deze tradities en liedjes lijkt het Sint Maartenfeest op sommige plekken in Nederland te gaan verdwijnen. Er komen steeds minder kinderen aan de deur. Maar niet in Groningen: uit een onderzoek van Buurtlink uit 2014 bleek dat meer dan 82 procent van de Groningers zegt dat er in hun buurt Sint Maarten wordt gevierd. Wij Groningers hebben ook weinig andere keus natuurlijk: onze bekendste kerk en toren zijn immers naar de heilige Martinus genoemd! 


Oké, nog eentje dan:

Sunt Martinus Bisschop,
Mit zien roege muts op,
Mit zien laange stevels aan,
Doar komt Sunt Martinus aan.
Geft t ook wat, n sînt of wat,
n Appel of n peer?
Kom ik haile joar nait weer.
t Haile joar duurt zo laank,
Is mien keerske al ôfgebraand.

Wat zijn uw herinneringen of die van uw (groot)ouders aan Suntermeerten?

Bronnen
Wereld Feesten Almanak. ‘‘Sint Maarten.’’ Beleven, http://www.beleven.org/feest/sint_maarten.
Faber, W. Sint Maarten / Suntermeerten: 150 liedjes. Bedum: Profiel, 1989.
Schreiber, F. Groningse volksgebruiken het hele jaar rond. Ede: Verba, 2005.

donderdag 29 oktober 2015

Verdwenen dorpen, deel 7: Bellingeweer

In mijn serie ‘Verdwenen dorpen van de Ommelanden’ ben ik op zoek naar bijzondere plaatsjes in de Groninger Ommelanden die hun status als 'dorp' ergens in de geschiedenis zijn verloren. Die dorpjes kunnen zijn verdwenen door ontvolking, oprukkende industrie of overstromingen - maar ook doordat een nabijgelegen grotere plaats het voormalige dorpje heeft opgeslokt en tot gehucht of (woon)wijk heeft gemaakt. Het plaatsje van vandaag is er eentje uit die laatste categorie: Bellingeweer is nu een woonwijk van Winsum, maar was ooit een zelfstandig dorpje. 

Ik fiets door de woonwijk Bellingeweer in Winsum. Bellingeweer is eigenlijk een verdwenen dorp, want ooit was het zelfstandig en lag het op een wierde in het platteland. Die wierde werd trouwens al rond de jaartelling opgeworpen en is nog steeds vaag te zien in het landschap. Het nabijgelegen dorp Winsum heeft zich door de jaren heen flink uitgebreid, zodoende Bellingeweer opgeslokt en tot onderdeel van Winsum gemaakt. Ik ben vandaag op zoek naar een overblijfsel dat verwijst naar dit verdwenen dorp Bellingeweer. 

Laatst kwam ik met de bus door Winsum en viel me op dat er bij Bellingeweer iets ommuurd was. Er staken grote, donkere bomen boven de oud uitziende muren uit. Mijn nieuwsgierigheid was gewekt en al snel vond ik uit dat het om een historische begraafplaats ging. Dus duurde het niet lang voordat ik besloot op de fiets te stappen en zelf een kijkje te nemen.

Dat doe ik nu dus. De begraafplaats ligt verscholen achter een rij mooie huizen. Langzaam fiets ik er langs om ergens een ingang te ontdekken. Ik vind een smal paadje dat tussen twee huizen door loopt en tot het hek van de ommuring leidt. Bij gebrek aan een fietsenrek of iets dergelijks zet ik mijn fiets tegen de netjes bijgehouden heg van de buren aan, in de hoop dat de eigenaar het niet doorheeft. 

Na een korte worsteling met het hek loop ik het voormalige kerkhof op (hoe is het mogelijk dat het áltijd en óveral hetzelfde is met hekken en mij). Er staat namelijk geen kerk meer. Toen Bellingeweer steeds meer bij Winsum ging horen werd het kerkje afgebroken, in 1824. Die kerk was toen nog geen twee eeuwen oud want die werd pas in 1641 gebouwd. 


Het ontbreekt me nogal aan bronnen betreffende Bellingeweer. Toch kunnen we even kort de geschiedenis induiken. Daarbij springt één element gelijk in het oog: dat de geschiedenis van het dorp en de parochie nauw verbonden is met de familie Tamminga die de plaatselijke borg bewoonde. 
De Tammingaborg, of het ‘Huis (te) Bellingeweer’ stond iets ten zuidoosten van de begraafplaats die ik nu bezoek. Het was een borg met een dubbele gracht en zonder al te veel versiersels. Het is heel goed mogelijk dat de Tamminga’s verantwoordelijk zijn voor de stichting van de parochie Bellingeweer. Een parochie kan in het leven geroepen als er voldoende middelen en goederen zijn. Die worden vaak geschonken door een kerkelijke organisatie of op initiatief van een groep inwoners. In dit geval wordt er vanuit gegaan dat een enkel geslacht (de Tamminga’s) alle goederen hebben geschonken. Daardoor was de parochie een ‘eigen kerk’ van de stichter. 

De eerste Tamminga van Bellingeweer die in de archieven te vinden is, is ene Allert. Hij leefde in de zestiende eeuw en was geen vergevingsgezinde man. Het toenmalige kerkje van Bellingeweer kende een pastoor met een kleptomanische neigingen. Toen de pastoor op een dag werd betrapt terwijl hij een kelk onder zijn gewaad probeerde te verstoppen, liet Allert hem onthoofden – wat misschien wel een beetje een overdreven straf is voor diefstal.


Rond de tijd dat de pastoor zijn hoofd verloor, brak ook de Tachtigjarige Oorlog uit. Allert was fan van de Spanjaarden en moest niets hebben van de Oranjegezinde protestanten. Boze geuzen ruïneerden in 1581 Allert’s huis en de door zijn familie gebouwde kerk en pastorie. Blijkbaar heeft de kerk ruim zestig jaar, tot 1641, in puin gelegen, want die werd pas heropgebouwd door Allert’s zoon Onno. Onno’s grafsteen ligt nog steeds in Bellingeweer.

Allert en Onno hadden, zoals zoveel bewoners van Groninger borgen, een reeks interessante opvolgers met gekke namen en nog gekkere acties. Zo komen we iemand tegen met de voornaam ‘Schotto’, en ene ‘Lamoraal van der Noot van Risoir’ (hoe verzin je het). Enkele generaties later verschijnt er een Clara Feyoena ten tonele. Op haar zeventiende schreef ze een bundel gedichten die in de herfst van 1746 verscheen, in die tijd een bijzondere gebeurtenis voor een jonge vrouw. De bundel heette ‘Bellingeweerder Uitspanningen’. 


Clara’s vader heette Pier Willem. P.W. was overtuigd aanhanger van de Oranjepartij. Toen Willem IV in 1747 als stadhouder werd aangesteld, versierde hij zijn Tammingaborg en organiseerde allerlei festiviteiten. In die tijd werd de borg ook nog eens verbouwd. Op een gegeven moment werd hij zelfs lid van de Staten-Generaal in Den Haag. 

Pier Willem’s zoon Frans Onno stierf ongehuwd. Sappig detail: Frans stierf dan misschien ongehuwd, maar niet kinderloos: hij zou naar verluidt een kind hebben verwekt bij een ‘daglonersche’ met de naam Geertruid Fuck van Sijtzema. Lees de naam nog eens goed: Geertruid FUCK van Sijtzema – tja, dan kunnen we Frans Onno maar weinig kwalijk nemen natuurlijk (grapje hoor). 


Frans’ erfgenamen boden het huis al snel te koop aan nadat Frans het loodje had gelegd. Er kwam een zeeman te wonen samen met zijn vrouw. Het ging niet om een bijzonder gelukkig echtpaar: de zeeman had ernstige verkwistingsproblemen wat betreft geld- en goederen. Hij perste zelfs zijn eigen vrouw af. Die riep de hulp in van de hoge justitiekamer en die besloot dat het huis weer verkocht moest worden. De broer van de zeeman werd de nieuwe eigenaar. Hij was incasseerder van belastingen. Toen hij en zijn vrouw kwamen te overlijden in 1819 en 1820, werd de borg op afbraak verkocht. 

Naast dat de grote geldschieters van de kerk en pastorie nu allemaal dood waren, was Bellingeweer inmiddels bijna onderdeel van het oprukkende Winsum geworden. In 1824 werd daarom door kerkvoogden en notabelen besloten de boel in Bellingeweer maar af te breken. 

Op de plek wat ooit het borgterrein was, staan nu woonblokken. Er is dus eigenlijk nog maar weinig van te zien van het voormalige terrein. Dat is jammer, want de Tammingaborg speelde een belangrijke rol in het voormalige dorp Bellingeweer. Gelukkig is er nog wel het ommuurde kerkhof een eindje verderop: een overblijfsel van het ooit zelfstandige dorpje. Er liggen heel wat oude graven die doen denken aan de tijd dat alles in Bellingeweer nog heel anders was. Ik zie eeuwenoude stenen met familiewapens en grafsymboliek. Er staan haantjes afgebeeld, en vlindertjes en zelfs herten. Bomen, klavertjes en ankers en bijlen. Ik vraag me af wie deze mensen zijn geweest: woonden ze in de huizen die in dit oude straatje staan/stonden, de straat die nog steeds Bellingeweer heet? Kenden ze de Tamminga’s? Waren ze de bakkers, kleermakers en smeden van Bellingeweer? Gingen ze elke zondag vroom naar het kerkje dat later met de grond gelijk zou worden gemaakt? 



Ik sluit (met enige moeite) het hekje van Bellingeweer en laat het kerkhof achter me. Voor ik weet ben ik zo midden in het drukke centrum van Winsum. Wat vreemd te bedenken dat ik net van een verdwenen dorpje ben gekomen, dat ooit zo alleen op het platteland lag… 

Bronnen
Alma, R. (red.) Winsum 1057-2007. Winsum: Stichting historische uitgaven Winsum-Obergum, 2007.
Formsma W.J., R.A. Luitjens-Dijkveld Stol en A. Pat. De Ommelander Borgen en Steenhuizen. Assen: Van Gorcum, 1987.

zaterdag 17 oktober 2015

Van Lauwerszee tot Dollard tou, deel 2: de Westpolder

In deze serie fiets ik langs de Groninger zeedijk van het Lauwersmeer naar de Dollard. Ik ontdek op die manier de Groninger kustlijn en stuit daarbij op mooie plaatsjes en interessante verhalen. Kortom: Van Lauwerszee tot Dollard tou! 

Vanaf Lauwersoog fiets ik in oostelijke richting over de Kustweg. Aan mijn rechterhand bevindt zich het Lauwersmeergebied, aan mijn linkerhand de dijk. Achter de dijk strekken zich kwelders uit zover als het oog rijkt. De wind waait er hard en er krijsen meeuwen. Het is even flink trappen om vooruit te komen. Plots buigt de dijk naar het noordoosten en maakt het Lauwersmeergebied plaats voor een weids lapjesland van akkerbouw. Dit is de Westpolder.  

De polder ligt op de grens van de Waddenzee en de voormalige Lauwerszee en werd aangelegd tussen 1873 en 1876. Het initiatief om het buitendijkse gebied ten noorden van Vierhuizen in te polderen kwam vanuit een aantal lokale boeren die recht hadden op de kweldergronden. Maar er leek wel een vloek te rusten op de inpoldering en bedijking van het gebied… 

De Westpolder

Een jaar na aanvang van de werkzaamheden bleek al dat de dijk, die deels klaar was, niet bestand was tegen het water. In het voorjaar van 1874 sloeg het woeste water toe en verzwolg een groot deel van de dijk. En niet alleen de dijk verdween in de golven – ook dertien polderwerkers van wie de onderkomens niet voldoende versterkt waren. Vreemd genoeg is dit een redelijk onbekende ramp, zeker in tegenstelling tot die van drie jaar later. 

Enfin, na dat ongelukkige voorjaar van 1874 kwam het project niet echt goed meer op de rails. Er ontstonden grote financiële problemen omdat polderwerkers staakten en betere onderkomens eisten (geef ze eens ongelijk), en omdat de dijk nogmaals beschadigd werd tijdens een herfststorm in datzelfde jaar. Er kwam een achterstand in het werk en de kosten bleven maar stijgen. Uiteindelijk werd door de boeren besloten de aannemer uit te kopen en in zee te gaan met een andere aannemer. Daarmee ging het beter en uiteindelijk kwam de Westpolder gereed in 1875. 

Er verrezen enkele enorme boerenhoeven. De hoog uitgevallen lasten wogen zwaar op de schouders van de boeren en er moest dus snel veel geld verdiend worden. 

Één van die grote boerenhoeven: Klein-Midhuizen (foto: Hans Zant)

Maar helaas – enkele jaren na de voltooiing van de inpoldering hadden de weergoden het wederom voorzien op de Westpolder. In de nacht van 30 op 31 januari 1877 werd de polder getroffen door een stormvloed. De hele dag was het slecht weer geweest en sloeg er zeewater over de dijk. En toen brak ’s nachts de dijk op twee plekken, waardoor in korte tijd de halve polder vol water stond. De grote boerderijen overstroomden, pannen vlogen van het dak en arbeidershuisjes stortten ineen. Sommige veehouders verloren al hun schapen en varkens in de golven. 

Veertien mensen vonden de dood. Op het kerkhof van de kerk van Vierhuizen staat een monumentje ter nagedachtenis aan de dertien doden die in Vierhuizen zijn gevallen tijdens die overstroming van de Westpolder in 1877. Zij liggen in een gezamenlijk graf ergens onder de grond. Er kwam ook een veertienjarig meisje om, zij was uit te logeren in Vierhuizen en ligt begraven in Houwerzijl.

Maar daar houdt het niet op. Terwijl er gelijk met de herstelwerkzaamheden was begonnen in februari 1877, was het met Pasen weer raak. Een vloed zette de gehele polder wederom onder water en hoewel er geen slachtoffers vieren, zorgde de verzilting van de grond de jaren erop voor slechte oogsten. De herstelkosten moesten de inwoners zelf betalen. Maar de noeste Groningers wisten zich te handhaven en kwamen er weer bovenop.

Monument te Vierhuizen, ter nagedachtenis aan de slachtoffers van de overstroming van 1877. Maar waarom niet voor de polderwerkers uit 1874?

Ik zei al: er leek wel een vloek te rusten op de Westpolder. In 1994 werd op de oude Lauwerszeedijk een monument onthuld als herinnering aan de trieste geschiedenis van de polder.

Gelukkig zijn de dijken anno 2015 een stuk sterker. Ik fiets door een prachtig landschap. Er lopen enkele rechte wegen door de velden, maar verder is er bijna niets. 

De Westpolder wordt gedomineerd door zeven grote boerderijen die in lijn van zuidwest naar noordoost midden in de polder staan. Hier woonden de rijke boerengeslachten zoals we die kennen in de Groninger geschiedenis. Leden van enkele van deze families, zoals Mansholt, Louwes en Zijlma, bekleedden hoge bestuursfuncties. De boerderijen hebben allemaal een eigen naam. In 1875 werden de boerderijen Nieuw Midhuizen, Manneplaats en Torum gebouwd, in 1876 Nieuw Onrust, Nieuw Zeeburg en Fletum en in 1901 Klein Warkemaheerd. 

Midhuizen (foto: Hans Zant)

Klein-Midhuizen (foto: Hans Zant)

Wat opvallend is, is dat Torum en Fletum genoemd zijn naar voormalige dorpjes in het verdronken Reiderland bij de Dollard – aan de andere kant van de provincie dus. Torum is waarschijnlijk de bekendste boerderij: het werd gebouwd door Derk Roelof Mansholt, grootvader van Sicco Mansholt. Sicco is geboren op Torum. Iedereen die wat weet van het Europees landbouwbeleid of die Frank Westerman’s briljante Graanrepubliek heeft gelezen, zal wel bekend zijn met Sicco Mansholt. Van 1945-1958 was hij minister van Landbouw, van 1958-1972 Europees commissaris belast met landbouw en in 1972-1973 voorzitter van de Europese commissie. 

Mansholt was de geestelijke vader van het Europees gemeenschappelijk landbouwbeleid. Subsidiëring van de landbouw zou van boeren arbeiders maken waarmee boeren deel konden nemen aan de delen van de burgerlijke cultuur die voor arbeiders openstonden, zoals vakanties. Het kwam er op neer dat de staat alle grond tegen een redelijke prijs van de boeren zou opkopen, en dat de boeren daarop pachter zouden worden, waardoor de staat zou kunnen bepalen wat en hoeveel er verbouwd zou gaan worden. In de periode na zijn tijd als Eurocommissaris kreeg Mansholt spijt van de invoering van de landbouwsubsidies en schaalvergroting. Maar zijn pogingen om deze ongedaan te maken mislukten.

Wat een levensverhaal hè. Nou, die man komt dus van de boerderij Torum. Vanaf Torum is het niet ver meer naar het dorpje Vierhuizen. Vierhuizen is een klein, verstild dorpje temidden van weilanden. Je zou haast niet merken dat het er ligt; auto’s razen er snel aan langs op weg naar Zoutkamp of Lauwersoog. Er is één weg waarmee je aan de ene kant het dorp inkomt en aan de andere kant er weer uitgaat, afgezien enkele doodlopende zijweggetjes en een smal kerkepad richting Zoutkamp. Vroeger, toen de Westpolder nog niet bestond, lag Vierhuizen aan zee. Er wordt wel eens verteld dat het dorp een heus zeeroversnest is geweest… Voor meer over Vierhuizen, lees dan mijn artikel ‘Een avond in Vierhuizen’ van 17 mei 2015.

Vierhuizen


Vierhuizen

Ik verlaat Vierhuizen in noordoostelijke richting en passeer daarbij gehuchten als Menneweer, Midhuizen en Westerhorn. In de verte zie ik de herkenbare kerktoren van Hornhuizen. Volgende keer stap ik daar weer op! 

Bronnen
Weerden, J.S., van. De Westpolder: de geschiedenis van een Waddenpolder en zijn ingelanden. Waterschap Westpolder, 1960.
Westerman, F. De Graanrepubliek. Amsterdam: Atlas, 1999.
www.marnegebied.nl 

dinsdag 6 oktober 2015

Verdwenen dorpen, deel 6: Ladysmith

In mijn serie ‘Verdwenen dorpen van de Ommelanden’ ben ik op zoek naar lang vergeten dorpjes in de Groninger Ommelanden. Vandaag bevind ik me iets ten noorden van Delfzijl, waar ooit een gehucht met de bijzondere naam 'Ladysmith' lag. Ik vind dit persoonlijk één van de meest bijzondere verhalen die ik tot nu toe ben gekomen in mijn reisjes door de Groninger Ommelanden. 

Ladysmith, Zuid-Afrika, 1847-1902

Er was eens een mooi Spaans meisje genaamd Juana María de los Dolores de Léon. Ze was een weeskind van adellijke afkomst en woonde in de stad Badajoz. In 1812, toen ze veertien jaar was, werd haar stad voor de vierde keer bezet door de troepen van Napoleon. Gelukkig wisten de Britse en Portugese troepen hier, zij het op een bloedige manier, een eind maken. De Franse troepen begonnen toen maar met het plunderen van de stad. Juana zocht, samen met haar zusje, bescherming bij een aantal Britse officieren die net buiten de stadsmuren verbleven. Daar ontmoette Juana majoor Harry Smith. Het was liefde op het eerste gezicht en ze trouwden enkele dagen (!) later. 

In plaats van bij zijn familie in Engeland te gaan wonen, besloot Juana dat zij haar Harry niet zo lang kon missen. Ze vergezelde hem op vrijwel al zijn militaire expedities. Dit was ongewoon voor een vrouw in die tijd: ze heeft heel wat ontberingen en zware situaties mee moeten maken. In 1847 vertrokken de geliefden naar Zuid-Afrika, waar de intussen geridderde Sir Harry gouverneur van de Kaapkolonie werd. Ook was hij een hoge commissaris voor de koningin en opgeklommen tot Luitenant-Generaal. Maar het was zijn vrouw die de show stal. Juana heette inmiddels Lady Smith en de nederzetting Windsor in de provincie KwaZulu-Natal werd in 1850 omgedoopt tot Ladysmith. De nederzetting groeide uit tot een flinke stad. 

Ladysmith in Zuid-Afrika

Jaren later, in het jaar 1900, toen Harry en Juana beide al overleden waren, werd Ladysmith het toneel van de Tweede Boerenoorlog. 

Even wat achtergrondinformatie: in de negentiende eeuw waren de afstammelingen van Nederlandse kolonisten (Boeren) naar het noorden van Zuid-Afrika gemigreerd om te ontkomen aan de Britse heerschappij in het zuiden (bij de Kaapkolonie). Deze Nederlandstalige Boeren stichtten daar in het noorden een aantal Boerenrepublieken waarvan er uiteindelijk twee grote over bleven: Transvaal en de Oranje Vrijstaat. De Britten wilden heel Zuid-Afrika veroveren en kropen steeds noordelijker. Na een aantal schermutselingen bereikte de spanning een hoogtepunt en brak er een oorlog uit.

De Tweede Boerenoorlog was dus een oorlog tussen de Boeren van Transvaal en de Oranje Vrijstaat enerzijds, en het Britse Rijk anderzijds. De stad Ladysmith was voor de Britten het centrale punt voor operaties in de regio Natal. De troepen van de Boeren omcirkelden de stad en bezetten Ladysmith van begin november 1899 tot het einde van februari 1900. Ongeveer 3000 Britse soldaten lieten het leven tijdens de Boeren bezetting. 

Uiteindelijk resulteerde de oorlog wel in een overwinning voor het Verenigd Koninkrijk – al kostte dit zoveel inspanningen en geld dat de overwinning dezelfde uitwerking had als een nederlaag. De laatste Boeren (met de prachtige naam ‘de bittereinders’) gaven zich over in mei 1902 en de oorlog eindigde met het Verdrag van Vereeniging. Het Verdrag van Vereeniging luidde het einde in van de onafhankelijke Boerenrepublieken. De strijd had het leven gekost aan 7000 Boeren, ongeveer 28000 Boerenvrouwen en -kinderen in Britse concentratiekampen, circa 20.000 mensen van inheemse afkomst en 22.000 Britse soldaten. 

Ladysmith, Nederland, 1901-1974

Tijdens de Tweede Boerenoorlog leefden veel Nederlanders mee met de Boeren in Zuid-Afrika. Zo ook aannemer Janske Bruggemann, die de Boeren met hart en ziel steunde. Janske bouwde in 1901, nabij Uitwierde ten noorden van Delfzijl, een buurtschapje met zeven huizen. Deze huisjes waren grotendeels bedoeld voor kleigravers en stonden bijna tegen de Waddendijk aan gebouwd. Janske doopte het buurtschapje Ladysmith, een naam die verwees naar de Boerenbelegering van Ladysmith in Zuid-Afrika. 

Links in de hoek Ladysmith, daaronder Uitwierde en Biessum en rechtsboven Delfzijl (foto: Hans Zant)

In een boek over Uitwierde, stammend uit 1987, herinnert een hoogbejaarde voormalig inwoner van Ladysmith zich deze Janske als iemand die ontzettend tekeer kon gaan over de Britse troepen en hun aanvoerder Chamberlain. Janske is droevig aan zijn eind gekomen; hij is verdronken in de gracht van een nabijgelegen boerderij. 

Toen Janske begon met het bouwen van Ladysmith, heette het streekje ‘Naterij’. Nu anno 2015 Ladysmith weer is verdwenen, wordt het streekje weer ‘Naterij’ genoemd. Het streekje ontleende zijn naam aan een oud perceel, dat reeds in de Franse tijd werd genoemd. Toen behoorde het toe aan ene Trien of Trijntje Naat. Het perceel en het huis dat erop stond waren dan ook bekend als ‘Trinaat’ of ‘de Naterij’. Het heeft dienst gedaan als herberg en omdat het huis tamelijk groot is, verhuurden de bewoners soms ook kamers. 

De Naterij (foto: Hans Zant)

Het perceel ‘de Naterij’ werd in 1901 dus plots vergezeld door een aantal nieuwe huisjes en ‘Ladysmith’ genoemd. Aangezien deze naam een tikkeltje te exotisch was voor de gemiddelde Groninger, werd het gehuchtje wat minder poëtisch ‘Laddiesmit’ genoemd. Een eindje verderop werden aan de dijk nog vier van hetzelfde soort huurhuisjes gebouwd. Die vier huisjes werden in de volksmond de ‘hoeskes onner diek’ genoemd. De huur voor de nieuwe huisjes was destijds één gulden vijftig per dag. Eens kwam het voor dat een bewoonster –een weduwe met zeven kinderen – niet de huur op kon brengen en zonder pardon het huis uit werd gezet.

Foto: Hans Zant

Foto: Hans Zant

Het gehucht Ladysmith en de ‘hoeskes onner diek’ werden vanaf 1966 tot en met 1974 met de grond gelijkgemaakt vanwege de aanleg van de Hogelandsterweg en de verhoging en verbreding van de zeedijk. Een deel van de oude dijk is nu nog steeds te zien. 

In 1976 werd bedacht dat het nu lege gebied van Ladysmith, samen met het naastgelegen gebied Voolhok, een landschapspark met kinderspeelplaats moest worden. Voolhok is een ingepolderd stukje Eemsdelta tussen de oude zeedijk en de nieuwe Deltadijk waar bijzondere planten- en diersoorten te vinden zijn. In dat landschapspark zijn enkele ruïnes te vinden. Dit zijn geen echte overblijfselen van de huisjes van Ladysmith, maar opgemetselde muurtjes die een onderdeel vormen van het kunstproject dat in 1976 werd gerealiseerd door beeldend kunstenaar Peter van Haagen. 

Jammer genoeg zijn anno 2015 het landschapspark, de speelplaats en het kunstproject erg overwoekerd en is er nog maar weinig van te zien. Wat een ironie; het monument voor het verdwenen dorp Ladysmith brokkelt nu zelf af. Het wordt een beetje een spookachtige plek, bedenk ik me als ik langs het verwilderde stukje natuur loop. Afgezien het verderop gelegen gemaal dat de naam Ladysmith draagt en ervoor zorgt dat de Delfzijlsters droge voeten houden, is er straks niets meer wat ons aan Ladysmith doet herinneren. 

De 'ruïnes' van Ladysmith

Ladysmith

De overblijfselen van de oude dijk is duidelijk te zien achter de huidige dijk

En zo komt dit bizarre verhaal tot een einde. Het is het verhaal van een jong Spaans meisje dat verliefd werd op een Engelse officier, haar naam gaf aan de nederzetting Ladysmith in Zuid-Afrika, dat vervolgens achtergrond werd van een gruwelijke oorlog. Het is ook het verhaal van Janske Bruggemann, een fanatieke Boeren-sympathisant uit Delfzijl, en het verhaal van de arme kleigravers van ‘Laddiesmit’.  

Het zonnetje glinstert in het felblauwe water. Ik sta op de dijk bij Ladysmith en denk aan Juana. Het dappere veertienjarige meisje had tijdens die vreselijke Franse bezetting en plunderingen nooit kunnen bedenken dat haar naam aan een stad in Zuid-Afrika gegeven zou worden. En niet alleen in Zuid-Afrika, maar ze gaf haar naam ook aan plaatsen in Australië, Canada en Wisconsin. En natuurlijk aan de allermooiste plek: in het noorden van de provincie Groningen.

Bronnen
Doorn, F. van, en P. Hermans. Fietsen rond de wereld in Nederland. Houten: Spectrum, 2013.
https://www.natuurmonumenten.nl/natuurgebied/biessumerbos/route/wandelroute-biessumerbos-en-voolhok-groningen
http://www.staatineemsdelta.nl/2536/ladysmith
http://www.voko-lichen.nl/voolhok_ladysmith/voolhok_ladysmith.html